Een Eritrese asielzoeker in psychische nood

‘Niet acuut genoeg’

Veel ongedocumenteerden zijn voor hulp aangewezen op vrijwilligers. Zoals de zestienjarige Habtom uit Eritrea. Ook wanneer hij ernstig verward raakt, wordt hij overal afgewezen. ‘Straks vinden we hem terug in een greppel.’

Kerst 2019. Marleen koopt een kleine kerstboom, zet ‘We Wish You a Merry Christmas’ op en legt de kerstversiering klaar. Habtom (16) en Yonas (19), de twee Eritrese jongens die ze opvangt in haar Amsterdamse appartement, hangen rode kerstballen, lampjes en een glinsterende slinger in de boom. Het bier staat koud, er is lekker eten in huis. Op de grond ligt een stapel cadeautjes. Die avond zitten ze met z’n zessen rond de kerstboom. Drie Amsterdamse vrouwen: Marleen, Savannah en Annette. En drie ongedocumenteerde Eritrese jongens: Habtom, Yonas en hun vriend Solomon.

Om de beurt mogen de drie jongens een pakje uitpakken. Habtom – een tengere tiener, gehuld in een zwart-rood Ajax-trainingspak – poseert trots voor een foto met zijn nieuwe fitnessmatje. Ze kennen elkaar allemaal pas kort, maar de sfeer is gemoedelijk, bijna alsof ze familie van elkaar zijn.

Aan het einde van de avond zitten Savannah, Marleen en Annette nog even met z’n drieën rond de tafel vol servetjes, lege bierblikjes en half opgebrande kaarsen. ‘Hoe is het toch mogelijk dat zo’n jongen als Habtom, die zoveel heeft meegemaakt, zo gezellig en onbezorgd is?’ vraagt Marleen zich hardop af.

24 uur later is het mis: Habtom is verdwenen.

Oktober 2019. Een stuk of twintig verontruste Amsterdammers en vertegenwoordigers van ngo’s steken de koppen bij elkaar. Ze maken zich zorgen over het grote aantal ongedocumenteerden op straat, voor wie geen enkele vorm van hulp beschikbaar is. De winteropvang voor daklozen is op dat moment nog niet open en voor de 24-uursopvang voor ongedocumenteerden (zie kader) is een flinke wachtlijst. Die dag ontstaat het plan voor AmsterDak!, een initiatief dat geen beroep doet op de gemeente maar op de gastvrijheid van Amsterdamse burgers. ‘Wie heeft er een logeerkamer over?’

Vanaf de lancering van AmsterDak! volgen wij een aantal betrokkenen, vrijwilligers en coördinatoren. Wat drijft hen? Hoe gaat het er in de praktijk aan toe, en wat voor band ontstaat er tussen gast en gastgezin?

Marleen (45) is vrijwilliger. Ze woont met haar twee katten in een licht appartement op tweehoog in Amsterdam. Haar kinderen zijn sinds kort het huis uit, dus ze heeft ruimte genoeg. We spreken haar begin december. ‘Dit zijn mensen zoals jij en ik, die we op straat laten slapen omdat een of ander papier niet in orde is’, zegt ze. ‘Dat vind ik bizar. “Uitgeprocedeerd is uitgeprocedeerd”, hoor je dan, maar dat is gewoon niet waar. Afgewezen asielzoekers krijgen in tweede of derde instantie met nieuw bewijs vaak alsnog een verblijfsvergunning. En bovendien: iemand die afgewezen of uitgeprocedeerd is, heeft ook nog steeds mensenrechten, zoals recht op onderdak.’

Opvang van mensen zonder verblijfspapieren zou niet op vrijwilligers moeten neerkomen, vindt ze. ‘Het is een overheidstaak. Maar ik ga niet zitten wachten tot de overheid dit oppikt. Dan zouden we ondertussen mensen opofferen die nú hulp nodig hebben.’ Voordat de gasten komen, stelt ze één voorwaarde: ‘Ik wil niet “zorgen”. Daar heb ik gewoon geen tijd voor.’

Savannah Koolen (34) is mede-initiatiefnemer van AmsterDak! Zevenenhalf jaar geleden begon ze als vrijwilliger bij de activistische groep We Are Here en in de loop van de jaren richtte ze diverse stichtingen op die de positie van mensen zonder verblijfspapieren proberen te verbeteren. Zo organiseerde ze onderwijs voor ongedocumenteerden via de stichting Here to Support en is ze contactpersoon voor veel mensen die op straat overleven. Vanaf eind 2018 komt ze steeds meer jonge Eritreeërs tegen, sommigen overduidelijk minderjarig. Savannah heeft in de afgelopen jaren heel wat kwetsbaarheid gezien, maar van de groep die ze nu op straat ziet, ligt ze echt wakker. De jonge mannen en vrouwen die nergens bescherming vinden, laten haar niet los.

Ze besluit de negentienjarige Yonas bij Marleen in huis te plaatsen; een bescheiden, introverte jongen, die zich in reguliere vormen van opvang moeilijk staande houdt, en die nog minder dan twee maanden hoeft te overbruggen voordat hij een nieuwe asielaanvraag kan doen. Omdat Marleen en Savannah na de eerste week moeilijk kunnen peilen of de stille Yonas het naar zijn zin heeft, besluiten ze samen om er nog iemand bij te plaatsen: de zestienjarige Habtom, die sinds de zomer van 2019 in Amsterdam is. Savannah kent hem als een vrolijke, gezellige jongen, die overal vrienden maakt.

Eerste Kerstdag 2019 . Marleen en Savannah begrijpen er niets van. Habtom fietste achter Yonas aan, en toen Yonas omkeek was hij er ineens niet meer. Dat past niet bij hem. Hij komt altijd opdagen als je iets met hem afspreekt. Het liefst belt hij vijf minuten van tevoren al waar je blijft. Nu neemt hij zijn telefoon niet op. Zijn vrienden weten niet waar hij is. Zou hij een afspraakje hebben, waarover hij niet had durven vertellen?

De volgende middag duikt Habtom ineens weer op. Hij lijkt een beetje in de war en vertelt een onduidelijk verhaal over waar hij is geweest. ‘Marleen?’ stamelt Yonas als hij de ochtend daarna de woonkamer binnenkomt. ‘Habtom ligt in zijn bed. Misschien moet je even gaan kijken.’ ‘Waarom?’ vraagt Marleen. Yonas maakt een snelle, overdwarse beweging over zijn polsen. ‘Hij heeft dit gedaan.’

Marleen rent naar de slaapkamer. Habtom ligt verkreukeld op bed. Hij heeft in zijn polsen gekrast, al ziet ze meteen dat het oppervlakkig is gedaan. Hij stinkt en ligt te trillen. Ze zet hem onder de douche en brengt hem daarna naar een andere vrijwilliger, die hem al langer en beter kent, in de hoop dat hij daar een beetje tot rust kan komen.

Zelf probeert ze te reconstrueren wat er is gebeurd. Was het kerstfeest te veel voor hem geweest, met al die cadeautjes? Hij zei voortdurend dat hij zoiets nog nooit had meegemaakt. Of heeft het blowen iets bij hem losgemaakt? De jongens krijgen wat leefgeld en maken dat vaak meteen op aan bier en hasj. Ze is er geen voorstander van, maar zij zeggen dat het de stress wat draaglijker maakt. En dat begrijpt ze wel. De dagen zijn lang als je niet naar school kunt en niet mag werken. Marleen probeert niet te veel te vragen naar wat de Eritreeërs hebben meegemaakt, maar ze kan het zo’n beetje uittekenen. Wie vanuit Eritrea naar Nederland komt, komt vrijwel altijd via de Sahara, Libië, de Middellandse Zee en Italië. In haar woorden: ‘de viertrapshel’.

Was het kerstfeest te veel geweest voor Habtom, met al die cadeautjes? Of heeft het blowen iets bij hem losgemaakt?

Een paar dagen later komt Habtom terug bij Marleen. Op tafel bouwt hij een stellage van speelkaarten, lege flesjes, bakjes en kaarsen. Niemand mag eraan komen. Op de grond maakt hij een bouwwerk van een knikkerbaan, een treinspoor, een achtergebleven kerstbal en een waterflesje. Alles in huis moet op een bepaalde manier liggen, op een vaste volgorde. ‘Deze hebben wel recht op onderwijs, en die niet.’ Hij ratelt over God en het universum. Hij steekt dingen in brand, drukt peuken uit op zijn hand. Hij hangt tekeningen op en giet daar hete thee overheen. Als Savannah vraagt of hij daarmee wil stoppen, sist hij: ‘Ssst. Ik ben nog niet klaar.’

Dag en nacht zijn er nu twee AmsterDakkers bij Habtom. Ze kunnen hem geen minuut, geen seconde, uit het oog verliezen. Anders probeert hij te ontsnappen – om ergens te kunnen blowen – of steekt hij dingen in brand. Wat er met hem aan de hand is, begrijpen ze niet. Maar het wordt steeds duidelijker dat de zorg voor deze jongen meer is dan vrijwilligers op zich kunnen nemen. Habtom moet met spoed worden opgenomen en geobserveerd, zodat hij zo snel mogelijk een behandeling kan krijgen.

Op Oudejaarsdag 2019 begint een lange zoektocht naar hulp, waarin de verantwoordelijkheid voor de minderjarige jongen steeds weer wordt teruggeschoven naar de vrijwilligers. Savannah meldt zich met Habtom bij de huisartsenpost, waar ze worden weggestuurd met de mededeling dat er niet genoeg aan de hand is om hem op te nemen. Die avond gaan ze samen naar de crisisdienst van ggz-instelling Mentrum. Na een urenlang gesprek krijgen de vrijwilligers Habtom weer mee naar huis, met een dosis lorazepam; kalmeringspillen. Of er een psychiatrische oorzaak aan zijn gedrag ten grondslag ligt, een beginnende psychose wellicht, kan de crisisdienst op dat moment niet bevestigen of uitsluiten. Als het erger wordt, moet Marleen bellen, maar voorlopig is het gevaar niet acuut genoeg voor een gedwongen opname.

Die week hebben Marleen en Savannah bijna dagelijks contact met de crisisdienst. Soms gaan de gesprekken redelijk goed, soms kan de tolk niks beginnen met de wartaal die Habtom uitslaat. Een keer wil hij niet mee naar de spreekkamer, omdat hij in de wachtkamer met de speelgoedtrein wil spelen. Maar de conclusie is keer op keer: niet acuut en onveilig genoeg om in te grijpen. Habtoms omstandigheden – het feit dat hij nog een kind is, zonder ouders of voogd, met onbehandelde trauma’s en zonder stabiele woonomgeving – tellen niet mee in de beoordeling.

De zorg voor de tienerjongen valt Marleen zwaar. ‘Als ik zei dat de situatie in huis onveilig werd, was de reactie: “Jullie kunnen tot nu toe steeds voorkomen dat er echt iets gebeurt.” Een andere keer zei een medewerker van de crisisdienst: “Je kiest hier zelf voor.” Boos heb ik toen geroepen: “Ja, en jij kiest ervoor om niet te helpen.” Wat moesten we dan? Die jongen in deze toestand op straat zetten?’

De kerstvakantie is voorbij. Marleen is zzp’er en ze begint langzaam in paniek te raken. Een dag niet werken is een dag geen inkomsten. Ze stuurt een noodoproep aan de WhatsAppgroep met vijftien vrijwilligers die om de beurt bij Habtom zijn. Daarop maakt een van de vrijwilligers, een fysiotherapeut, zijn hele agenda leeg. Een ander, vormgever, zet haar studio op in de logeerkamer van Marleen, zodat die overdag zelf aan het werk kan. Het haalt tijdelijk wat druk van de ketel. In het verslag dat Marleen en Savannah van de gebeurtenissen maken, staat op 6 januari: ‘De medicatie die hem aangeboden werd heeft hij (voor het eerst) geweigerd en uitgespuugd van het balkon af. Hij verkeert nu in zeer warrige toestand, is met een pen overal op aan het schrijven en krassen en voert de katten allerlei rare zaken zoals chips en yoghurt. Crisisdienst Mentrum gebeld – er wordt nu overlegd. (HIJ) KAN NIET MEER IN MIJN WONING VERBLIJVEN, VOOR ZIJN EIGEN VEILIGHEID EN DIE VAN DE MEDEBEWONERS.’

Die middag loopt Habtom even het balkon op om de planten water te geven. Als Marleen kijkt of het allemaal goed gaat, ziet ze hem niet meer.

Opvang voor ongedocumenteerden in Amsterdam

Sinds de zomer van 2019 kunnen ongedocumenteerden in Amsterdam gebruikmaken van 24-uursopvang. Deze opvang is onderdeel van de pilot Landelijke Vreemdelingen Voorziening (LVV), die ook in Rotterdam, Utrecht, Eindhoven en Groningen loopt. Het doel van de LVV is een ‘bestendige oplossing’ te vinden voor mensen zonder verblijfspapieren en met vastgelopen asieldossiers. Als er nog juridisch perspectief is, kan iemand opnieuw een verblijfsvergunning aanvragen. Zo niet, dan is het de bedoeling dat mensen doorreizen naar een ander land of terugkeren naar hun land van herkomst. Binnen de pilot werken lokale ngo’s nauw samen met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) en de Vreemdelingenpolitie. De Groene Amsterdammer volgt deze pilot op de voet.

Amsterdam is de enige stad waar, buiten de LVV-pilot om, ook 140 opvangplekken beschikbaar zijn voor mensen met een Dublinclaim. Zij mogen maximaal een half jaar gebruikmaken van de opvang. Het doel is, volgens verantwoordelijk wethouder Rutger Groot Wassink (GroenLinks), ‘mensen uit de stressvolle survival mode halen en bekijken wat de juridische mogelijkheden zijn’.

Veel Eritreeërs die in Amsterdam op straat staan hebben een Dublinclaim. Ze zijn via een ander land, meestal Italië, Europa binnengekomen, waardoor dat land nu verantwoordelijk is voor hun asielverzoek. Als ‘Dubliners’ vervolgens in Nederland asiel aanvragen, worden ze teruggestuurd naar het land van eerste aankomst, zonder dat hun verzoek hier wordt behandeld. Maar veel van hen willen, vanwege de barre opvangomstandigheden, niet terug naar Italië. Ze vertrekken niet, of reizen direct na aankomst in Italië weer terug naar Nederland.

Hier proberen ze gebruik te maken van een mogelijkheid die het Dublinverdrag biedt: na achttien maanden vervalt de Dublinclaim en is het land waar ze Europa binnenkwamen niet langer verantwoordelijk voor hun asielverzoek. Dan kunnen ze alsnog een aanvraag doen in Nederland. Maar tot die tijd moeten ze dus anderhalf jaar zien te overleven in de illegaliteit.

Jonge Eritreeërs zoals Habtom, Yonas en Solomon zijn er veel meer in Amsterdam. Volgens cijfers van het Loket Ongedocumenteerden Amsterdam zaten er in januari dit jaar 105 Eritreeërs in de 24-uursopvang voor ongedocumenteerden. Daarnaast stonden er nog eens tachtig mensen uit Eritrea op de wachtlijst voor opvang. Enkelen zijn (vermoedelijk) minderjarig.

Savannah leert Habtom in juni 2019 kennen als een sociale jongen, die snel aansluiting vindt bij een groep jonge Eritreeërs die zich ‘Dublin Brothers’ noemen. Hij verblijft in die periode samen met hen in het pand De Muys in Overamstel. Ze probeert uit te vinden waarom Habtom, als zestienjarige zonder ouders, geen opvang krijgt.

In zijn juridische dossier leest ze dat hij drie keer geregistreerd is toen hij in 2018 via Italië Europa in reisde. Elke keer wordt er een andere geboortedatum vastgelegd: 1 januari 2000, 1 januari 2001, en een dag in het voorjaar van 2003. Het is al langer bekend dat registraties in Italië vaak verkeerd gaan. Ook andere Eritreeërs uit de Amsterdamse groep kampen hiermee. Veel mensen komen tegelijk aan land, waardoor er in de chaos soms fouten ontstaan. Ook hebben vluchtelingen vaak geen papieren bij zich en de data die ze bij de registraties noemen worden niet gecontroleerd. Soms weten ze hun eigen geboortedatum niet. Eén ding hebben die foutieve registraties gemeen: ze staan vaak op 1 januari. Habtom heeft aan de ind verklaard dat hij – na vijf dagen dobberen op zee – bewusteloos aan land komt. Een meereizende volwassene probeert zijn leeftijd te schatten en geeft 01-01-2001 op.

De op dat moment vijftienjarige Habtom besluit eerst door te reizen naar Nederland en de foute registratie hier recht te zetten. Maar dat lukt niet. Habtom bezit op dat moment geen officiële documenten die zijn identiteit kunnen bewijzen, waardoor de ind vraagtekens zet bij zijn verklaring dat hij minderjarig is. Zolang zijn asielaanvraag loopt, krijgt hij wel alvast een voogd. Hij gaat naar school en leert snel Nederlands, terwijl hij meer dan zeven maanden wacht op zijn eerste gehoor. In de tussentijd dient de ind een Dublinclaim in bij Italië, omdat dat land mogelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. Maar de Italiaanse autoriteiten wijzen de claim af omdat Habtom minderjarig zou zijn. Dat betekent dat hij niet naar Italië kan worden uitgezet en dat Nederland nu verantwoordelijk voor hem is. De ind protesteert daar niet tegen en erkent dus impliciet zijn minderjarige leeftijd.

Vervolgens behandelt de ind Habtoms asielverzoek alsnog, en gaat daarbij uit van de verkeerde geboortedatum 1 januari 2001, waardoor hij inmiddels meerderjarig zou zijn. De voogdijmaatregel wordt ingetrokken. Zijn aanvraag wordt afgewezen, omdat de ind niet zeker is van zijn identiteit en omdat hij onvoldoende documenten heeft aangeleverd die als bewijs kunnen dienen. Een van de pijnpunten: op zijn geboorteakte staat dat hij geboren is in Soedan, niet in Eritrea. Hij wist dat zelf niet en heeft verklaringen afgelegd waarin hij Eritrea als zijn geboorteland noemt. Hoger beroep mag niet baten. Habtom moet het azc verlaten. Maar Italië heeft de claim al geweigerd, naar Eritrea kan hij niet terug. Hij staat, op zestienjarige leeftijd, op straat.

Savannah maakt zich in eerste instantie niet heel veel zorgen om Habtom. Hij lijkt zich goed te kunnen redden. ‘Maar als ik nu terugkijk, heeft hij in die periode in Amsterdam wel op 25 verschillende plekken geslapen. Dat is misschien te veel voor hem geweest.’ Nadat de crisisdienst heeft aangegeven niets voor Habtom te kunnen betekenen, benadert Savannah iedereen uit haar netwerk. Van hulpverleningsorganisaties tot wethouders. Stuk voor stuk beloven ze hun best te doen en rond te bellen. ‘Het heeft nergens toe geleid. Dit is gewoon een ziek kind, zonder huis. Hij is heel kwetsbaar. Wij nemen beslissingen voor hem, we houden hem binnen, terwijl wij zijn ouders niet zijn. Het is te bizar voor woorden wat we allemaal doen, dat besef ik heel goed. Maar wat gebeurt er als wij hem loslaten? Straks vinden we hem terug in een greppel. Dat wil niemand op zijn geweten hebben.’

Habtom zit nu urenlang te tekenen. Hij wil al die shit niet meer, zegt hij. Hij wil rustig op een boerderijtje zitten, met zijn moeder in de buurt

Hij is gesprongen. Die gedachte schiet door haar hoofd als Marleen het balkon op stapt. Ze kijkt over de reling. Habtom is nergens te bekennen. Hoe kan die jongen nou in godsnaam verdwenen zijn? Ze belt zijn mobiele nummer, en tot haar verbazing neemt hij gewoon op. Boven haar hoofd hoort ze zijn stem. Hij is omhooggeklommen en heeft daar op het balkon een jas gevonden en die binnenstebuiten gekeerd. Hij jaagt een klusjesman die in het appartement bezig is de stuipen op het lijf en laat zich dan vanaf driehoog weer een verdieping naar beneden zakken. Als hij weer binnenkomt probeert hij zijn eigen broek in brand te steken.

Die middag komt de crisisdienst weer. Maar na twee uur praten en observeren besluit de dienst dat Habtom niet kan worden opgenomen. Van een echte crisissituatie is nog altijd geen sprake. Twee dagen later, op 8 januari, komt een vriend van Habtom op bezoek. Als die na afloop de deur uit stapt, rent Habtom achter hem aan. In een mum van tijd is hij weg. Het is hem gelukt. Hij is ontsnapt.

In de computerkamer van de 24-uursopvang voor ongedocumenteerden zit Habtom. Hij draagt een rode, gewatteerde jas, en klemt zijn handen om een kop koffie. Zijn huid is grauw. Hij kromt zijn schouders. Marleen wrijft over zijn bovenbeen. ‘Habtom, wat ben je dun’, roept ze. ‘Eet je wel goed?’ Hij grijnst, maar zijn ogen staan angstig.

Hij weet dat er iets is gebeurd tijdens de kerstdagen. ‘Voor Kerst was ik blij, hè?’ zegt hij. ‘Daarna niet meer. Ik weet niet waarom. Ik moest veel denken aan vroeger.’ Hij wil hetzelfde als andere mensen, zegt hij. Naar school. Automonteur worden. Een plek om te wonen. Zijn familie. Een bankrekening. Dan begint hij over camera’s van de ind die hem in de gaten houden, over dierenmensen en over hoge geldbedragen die hij zou moeten krijgen. Hij veegt met zijn handen over zijn broek en loopt dan weg om een sigaret te roken.

Na zijn ontsnapping is Habtom een week bij een vriend geweest. Daarna heeft Savannah met veel moeite een noodbed kunnen regelen in de 24-uursopvang. Die opvang is bedoeld voor volwassenen en is niet toegerust op jongens die niet alleen minderjarig zijn, maar die ook meer zorg nodig hebben. Habtom zit nu urenlang te tekenen. Hij wil al die shit niet meer, zegt hij. Hij wil rustig op een boerderijtje zitten, met zijn moeder in de buurt. Hij heeft hier wat vrienden, hij is kalmer geworden, maar is moeilijk te handhaven in de 24-uursopvang. ’s Nachts klimt hij over de schutting. Of hij gaat naar de damesafdeling, waar hij niet mag komen. Hij heeft een beveiliger bedreigd. Op een dag in het weekend werd hij halfnaakt aangetroffen op station Amsterdam Centraal, bedelend om geld om naar zijn moeder te reizen.

‘Dit is al een noodopvang’, zegt zorgcoördinator Jeroen Habes van HVO-Querido. ‘En daarbinnen is het weer een noodoplossing dat Habtom hier zit. Op dit moment is dit de minst slechte plek voor hem. Hier wonen veel Eritreeërs en daar trekt hij naartoe. Hij zou vier weken blijven, maar er zijn inmiddels zes weken voorbij. Hij overtreedt geregeld onze huisregels en we houden hem tot nu toe de hand boven het hoofd, maar dat kunnen we niet blijven doen. Het zorgt voor spanningen. We hebben 150 bewoners die allemaal hun eigen problemen hebben en we kunnen geen onrust gebruiken. We doen wat we kunnen, maar we kunnen ook heel veel niet. Het wordt echt tijd dat er een andere oplossing komt.’

Maar elke weg die Marleen en Savannah inslaan loopt dood. Het is inmiddels twee maanden na de eerste verschijnselen. Toen bleek dat ze Habtom niet in crisiszorg konden krijgen, probeerden ze via de huisarts een andere weg te vinden. Bij Equator, een organisatie die gespecialiseerd is in behandeling van getraumatiseerde vluchtelingen, kan hij niet komen omdat hij een crisis doormaakt en niet stabiel genoeg is voor traumabehandeling. Centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie de Bascule kwam hem observeren, maar toen wilde Habtom niet meewerken. Daar luidde de conclusie: hier is geen sprake van een crisisgeval. Een lijn naar de Waag, centrum voor ambulante forensische geestelijke gezondheidszorg, liep dood.

Het beste zou zijn als Habtom weer een voogd zou krijgen, denken Marleen, Savannah en ook Habtoms nieuwe advocaat, Hans Langenberg. ‘Ik heb de ind gebeld en ze gevraagd om Habtom als alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv) te registreren en zo toch opvang voor hem te regelen. Maar daar willen ze niets van weten. “Cliënt had zijn asielverzoek maar beter moeten voorbereiden.”’ Dan rest er nog één alternatieve route naar een voogdijmaatregel, via de Raad voor de Kinderbescherming. Marleen doet een melding bij Veilig Thuis, die vervolgens de Raad kan inschakelen.

Ondertussen proberen ze met Vluchtelingenwerk en advocaat Langenberg een hernieuwde asielaanvraag in te dienen bij de ind. Marleen heeft ‘via verschillende onbekende tussenpersonen’ driehonderd euro overgemaakt om een schoolrapport en inentingenboekje – bewijs dat Habtom daadwerkelijk opgroeide in Eritrea – het land uit te smokkelen. Die documenten zijn nu onderweg naar Nederland. Habtom had zijn originele geboortecertificaat al in handen, maar dat vond de ind in eerste instantie niet voldoende.

‘Het is allemaal gewoon zo jammer’, zegt Marleen. ‘Habtom was in beeld, het ging goed met hem. De voogd die hij tijdens de behandeling van zijn asielaanvraag tijdelijk had, was razend enthousiast over hem. In verslagen omschrijft ze hem als een leuke, leergierige jongen. De snelste van zijn klas met Nederlands. Hij hield zich aan afspraken. Als hij op zijn zestiende een status had gehad, was hij nu misschien een mbo-2-opleiding aan het doen. Hij wilde personal trainer worden of automonteur. Ik zeg niet dat er dan niks gebeurd zou zijn, maar dan zou hij traumatherapie kunnen krijgen via de huisarts. Deze jongen had alles in zich om iets bij te dragen aan de maatschappij.’

Op vrijdag 6 maart is er eindelijk een lichtpuntje. De kinderrechter besluit, naar aanleiding van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, dat Habtom minderjarig is en weer onder voogdij moet worden geplaatst. Dat de ind hem als meerderjarige ziet – waarmee de meeste van Habtoms problemen in Nederland begonnen – schuift de kinderrechter dus terzijde. Dat zegt nog niks over zijn verblijfsstatus, maar het is wel een signaal aan de ind. Het betekent ook dat voogdij-instelling Nidos zo snel mogelijk op zoek moet naar een stabiele woonomgeving en een school.

‘Goed nieuws!!!’ schrijft Marleen via WhatsApp. ‘We zitten nu lekker te pimpelen met hapjes om het te vieren! Vanochtend bij de huisarts was Habtom nog heel boos en gefrustreerd. Hij zei: “Ik ben niet gek, ik heb geen hulp voor mijn hoofd nodig, ik heb hulp nodig zodat ik een leven kan hebben.” Maar nu is hij in supergoeie doen. Hij laat foto’s van zijn dorp en familie zien. We zien voor het eerst weer een stukje van de oude Habtom.’


De namen Habtom, Yonas en Solomon zijn om privacyredenen gefingeerd. Marleen is bang voor problemen met haar huisbaas en buren en wilde daarom niet onder haar eigen naam in dit artikel genoemd worden. Hun echte namen zijn bij de redactie bekend

Waarom kon niemand Habtom helpen?

Arkin, de crisisdienst van Mentrum, meldt via e-mail: ‘Wij maken geen onderscheid tussen verzekerden of onverzekerden en mensen met of zonder verblijfspapieren. Wij beoordelen ieder persoon zorgvuldig, iedereen krijgt een psychiatrisch onderzoek. Het is uiteindelijk een beslissing van een medicus (meestal een psychiater) of iemand behandeld wordt. In 2019 hebben 116 ongedocumenteerden een beroep gedaan op de crisisdienst.’

Nidos stelt via e-mail: ‘Op het moment dat de rechter de meerderjarige leeftijd volgt zoals de IND deze stelt, beëindigen wij de voogdij. Immers zouden we anders op oneigenlijke gronden een gerechtelijke kinderbeschermingsmaatregel uitvoeren over een volwassen persoon.’

Ook de IND reageert via e-mail: ‘Nederland gaat uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat houdt in dat we de gegevens van het land van registratie overnemen, tenzij de aanvrager aantoont dat dit in zijn of haar geval niet juist is. In deze casus is tijdens de rechtszaak in de eerste asielprocedure door de rechter geoordeeld dat de enkele, niet-onderbouwde stelling dat het algemeen bekend is dat registraties in Italië chaotisch zouden verlopen onvoldoende is om niet uit te gaan van de registratie in Italië. Tijdens de rechtszaak kwam ook naar voren dat er niet alleen sprake was van verschillende geboortedata, maar ook van verschillende namen. De aanvrager heeft aan de Italiaanse autoriteiten twee verschillende namen en twee verschillende geboortedata opgegeven, die niet overeenkomen met de naam en geboortedatum die hij in Nederland heeft opgegeven. De rechtbank vindt dat terecht is overwogen dat hij daarover niet consistent heeft verklaard. Op dit moment loopt er een nieuwe procedure waarin de IND nog een besluit moet nemen. Op de uitkomsten lopen we niet vooruit.’