Jos Derks had ook aangevoerd dat de Wet op de Identificatieplicht hem slechts verplicht een identiteitsdocument ter inzage te verstrekken en dat hij niet verplicht is er een kopie van af te geven. De rechter is het hier niet mee eens. Volgens hem omvat naar de bedoeling van de wetgever ‘de verplichting van de werknemer om zijn identificatiedocument aan de werkgever ter inzage te verstrekken, tevens de verplichting om te dulden dat de werkgever daarvan een afschrift maakt teneinde dit in zijn loonadministratie op te nemen’. In het vonnis wordt ‘verstrekken’ gelijkgesteld aan overhandigen. Derks heeft door zijn paspoort alleen te tonen, slechts ten dele aan zijn verplichtingen voldaan en dus is de toepassing van de zestig-procentaftrek terecht.
Derks had ook aangevoerd dat de identificatieplicht is ingevoerd om vreemdelingen van deelneming aan de Nederlandse samenleving uit te sluiten en dat hij inbreuk maakt op de privacy van burgers. Daar wil de rechter niet op ingaan, want in Nederland staan bezwaren tegen de innerlijke waarde en billijkheid van een wet niet ter beoordeling van de rechter. Het enige wat de rechter hier kan, is wetten toetsen aan verdragen. Maar deze toepassing van het anoniementarief beschouwt hij niet als een straf in de zin van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens, maar slechts als ‘een bestuursrechterlijk middel waarmee de wetgever beoogt te bevorderen dat er aan de onderhavige identificatieverplichtingen wordt voldaan’.
De rechter heeft gesproken, maar de zaak is daarmee niet gesloten. Op 4 januari 1996 komt de zaak-Derks ten gronde voor de Belastingkamer van het gerechtshof in Den Haag. Derks en zijn advocaten hebben nog wel hoop dat de beslissing daar anders zal uitvallen. Er worden ook andere rechtszaken voorbereid. Maar een domper is deze eerste uitspraak ontegenzeggelijk.