‘niet alle belgen zijn corrupt’

Hij had graag aan het Oostfront gevochten. Gelukkig kon hij zijn hang naar avontuur kwijt in Congo. En later in zijn misdaadromans, over de ‘stank van Belgie’. Onlangs verscheen ‘De nachtvogels’. Jef Geeraerts is terug bij de literatuur.

WIJ TREFFEN ELKAAR in een cafe in Gent. Journalisten houdt hij nu eenmaal liever buiten zijn woning in het Vlaamse dorp Baarle-aan-de-Leie. Hij wil meteen het misverstand uit de wereld helpen dat hij nooit meer een thriller of misdaadroman zal schrijven. Jef Geeraerts: ‘Hoe ontstaat zo'n roddel? Ik heb enkel definitief afscheid genomen van het duo Vincke en Verstuyft, de twee Antwerpse politiemannen die in mijn misdaadromans doorgaans zeer methodisch en technisch een moord te lijf gaan. Dat is alles.
Ik heb me nu voorgenomen de komende jaren veel te reizen. Als er in het buitenland plotseling een plot in mijn nek valt zal ik hem ongetwijfeld gebruiken. Laatst was ik met mijn vrouw in Birma. Was ik er een maand langer gebleven, dan had ik er misschien een nieuwe misdaadroman aan overgehouden. De mensen gedragen er zich anders, politie en justitie gaan er anders te werk. Ik ruik dat onmiddellijk.’
Zijn misdaadromans hebben een artistieke allure waar het etiket new journalism op mag worden geplakt. Is dat genre wel zo'n efficient middel om maatschappelijke en politieke wantoestanden aan te klagen?
'Waarom niet? De informatie waarover ik beschik wil ik op een voor de lezer zo aantrekkelijk mogelijke manier doorgeven. Meer dan ooit stijgt de corruptie uit alle vuile reten van Belgie. Corruptie is dusdanig ingeburgerd dat politici als het ware worden gedwongen de ogen te sluiten voor de meest flagrante misstanden. Wie dat niet doet krijgt nooit een belangrijk politiek mandaat in dit landje. Ik zeg niet dat iedere Belg corrupt is, God beware me. Wel ziet Jean-Luc Dehaene, onze premier, veel door de vingers. Hij heeft er zeer veel voor over om aan de macht te blijven.
Politieke integriteit is in Belgie al geruime tijd ver te zoeken. Het komt er in de eerste plaats op aan dat je niet wordt gesnapt. Als er een minister of politicus tegen de lamp loopt, dan is hij alleen maar woedend op degenen die hebben gelekt. De Vlaamse pers blijft bij dat alles braaf en rustig, de meeste journalisten durven nauwelijks diep te spitten. Hoe staat het met het onderzoek naar de Bende van Nijvel? Ik blijf ervan overtuigd dat er niet in de criminele sfeer moet worden gezocht, maar in hoge politieke kringen. Het politieke milieu wil dat dossier gesloten houden. Wordt er nog gedacht aan de mensen die bij de aanslagen van de Bende van Nijvel om het leven zijn gekomen?
Zulke toestanden heb ik in mijn boeken aan de kaak willen stellen. Ik had er net zo goed artikelen in de krant of een stevig essay over kunnen schrijven, maar dat is niet mijn manier van werken. Ik wil een zo ruim mogelijk lezerspubliek bereiken. Bovendien kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat met meesterlijke pen geschreven stukken over Belgische wantoestanden alleen door ingewijden worden gelezen. Of mijn boeken iets aan de bestaande toestand hebben veranderd, zou ik niet weten. De reactie die ik al van enkele politieke prominenten heb gekregen, is dat ik in mijn misdaadromans niet te ver mag gaan. Ze zeggen me letterlijk: je beschikt over uitstekende bronnen, maar gelukkig weet je niet alles.
Het selecte clubje van Belgische beroepspolitici leest wel degelijk mijn boeken. Als ik toevallig in hun gezelschap vertoef, word ik vaak met een discreet lachje uit wandelen gestuurd. Dat maakt me kregelig, vooral omdat ik weet dat de macht bij een klein gezelschap in de omgeving van Brussel berust. Ik ken die kringen. Het zijn lui die door een simpel telefoontje iets aan de aandacht onttrekken, een netelige affaire toedekken. Daar hangt nog de sfeer van old boys onder elkaar. De machtigen blijven elkaar beschermen. Die typische facetten van de Belgische samenleving blijven me inspireren.’ Hij roert voor de zoveelste keer in zijn kop koffie. 'Het ergste is dat die kerels blijven liegen alsof er geen vuiltje aan de lucht is. Dat maakt me woedend, dat gaat recht tegen mijn rechtvaardigheidsgevoel in.’
HIJ WIL NIET dat de literaire kritiek hem een misdaadschrijver blijft noemen. Is hij om die reden met De nachtvogels naar de literaire roman, zijn eerste liefde, teruggekeerd?
'Nogmaals, ik was Vincke en Verstuyft beu. Maar mijn misdaadromans zijn geen inferieur genre. Ik heb het literaire genre nooit verlaten, stijl is mijn grote bekommernis gebleven. Voor de opbouw van mijn midaadromans heb ik een objectieve en filmische stijl gecreeerd. De lezer van een thriller moet onmiddellijk gegrepen worden. Als schrijver moet je de lezer als het ware verplichten je te volgen. Pas als plotseling de dader verschijnt begint het belangrijkste gedeelte van het verhaal: het verhoor. De lezer weet inmiddels wat er allemaal is gebeurd, maar kent de motieven van de dader nog niet. Als ik het in zo'n misdaadroman al over allerlei politieke wantoestanden heb, is dat het meest geschikte moment om bijvoorbeeld de corruptie bij het Belgische gerecht dik in de verf te zetten. Ik zal het blijven herhalen: sommige Belgische rechters zijn corrupt. Ze zijn politiek benoemd en laten zich leiden door de politieke gezindheid van degenen door wie ze benoemd zijn. Een notoir katholiek die toevallig voor een vrijzinnig rechter terecht staat, krijgt een andere behandeling dan een vrijmetselaar. Het omgekeerde is evenzeer het geval.
Mensen uit de hoogste regeringskringen, wier naam ik angstvallig geheim houd, hebben me gezegd dat je de invloed van Opus Dei - een organisatie die ernaar streeft de katholieke rechtzinnigheid te beschermen tegen vrijzinnige aanvallen - niet mag onderschatten. Veel leden van Opus Dei hebben nauwelijks respect voor de wet en stellen zich bijzonder arrogant op. Ik heb het daar terloops over in Het Rashomon-complex. Degenen die tot in de magische wereld van Opus Dei zijn doorgedrongen, hebben mijn boek over die kerk binnen de kerk als zeer mild bestempeld. Stel je voor!’
Hij lacht behoedzaam als ik hem vraag of kerk en vrijmetselarij de macht delen in Belgie. 'Je zit in de goede richting. Alle belangrijke zaken kunnen min of meer met loge of kerk in verband worden gebracht. Rond de moord op de Waalse politicus Andre Cools hangt de geur van de loge. Hoe kun je anders verklaren dat het onderzoek zo tergend traag verloopt en de dader nog altijd niet is gepakt? Ze hebben me indertijd benaderd om tot de loge toe te treden, maar ik weiger me te laten inlijven bij een ideologische groep die me op het matje kan roepen als ik iets doe wat hun niet bevalt. Ik wil de loge als fenomeen blijven bestuderen, het mechanisme ontrafelen. Als je er deel van uitmaakt kun je je zo'n kritische houding absoluut niet veroorloven. Laat me liever een luis in de pels van de loge en Opus Dei zijn. Dat is mijn taak als schrijver, dat is de motor van mijn woede die me tot schrijven aanzet.’
ZIJN LITERAIRE TERUGKEER met De nachtvogels is door de kritiek met gemengde gevoelens ontvangen. De recensent van De Morgen vroeg zich zelfs af of hij het literaire schrijven is ontwend. Kordate reactie, felle stem: 'Wat De Morgen schrijft trek ik me niet aan. De jongen die dat stuk heeft geschreven heeft alles uit zijn duim gezogen. Weet hij dan niet dat ik tussen mijn misdaadromans door ook nog Marcellus, Sanpaku en >f13f11<heb geschreven? Op verzoek van uitgeverij Sijthoff waagde ik me aan het griezelverhaal Het huis genaamd Les Hetres. Dat waren werken om mijn pen scherp te houden. Het componeren en schrijven van De nachtvogels was geen moeilijke opdracht. Het hele verhaal zat al vijfentwintig jaar in mijn hoofd. De eerste sporen ervan zijn terug te vinden in Schroot en Gangreen 3: Het teken van de hond. Meer dan een schets was het niet. Schilders maken ook vaak talloze schetsen alvorens ze aan een groots schilderij beginnen.
Kijk, ik heb me als zestiger afgevraagd waarom ik ben zoals ik ben. Die vraag heeft me tot het schrijven van De nachtvogels aangezet. Ik kon niet verder in mijn jeugd terugkeren dan de periode waarin ik een jongetje van dertien jaar was. Erotiek werd toen ineens heel belangrijk, maar van seks was nauwelijks sprake. Pas op mijn zestiende vond mijn seksuele initiatie plaats. Als jongetje heb ik erotiek als een boeiend en aangenaam gebeuren ervaren. Dat was een hele openbaring, omdat de jezuieten op mijn school alles wat naar erotiek zweemde onmiddellijk met zonde, schuld, boete en angst voor de eeuwige straf associeerden. Mijn inwijding in het donkere gebied van de seksualiteit heeft maanden geduurd, maar ik heb dat in De nachtvogels in een week gecondenseerd. De werkelijkheid was gruwelijker en aangrijpender dan in mijn boek. Naderhand beshouwd is het als een uiterst heilzaam proces, ik had geen enkele angst meer, ik voelde me bevrijd, mijn angst- en schaamtegevoelens waren totaal verdwenen.’
Heeft zijn opvoeding bij de jezuieten nog zichtbare sporen nagelaten?
'Je had bij de jezuieten permanent het gevoel dat je in het oog werd gehouden. Volgens Stalin boren de jezuieten gaten in je ziel om naar binnen te kunnen loeren. Ze bespioneren je voortdurend. Ze willen op een bijzonder geraffineerde manier bezit nemen van alles wat je voor jezelf wilt houden. Ook tijdens de les werd je als leerling vernederd. Je kreeg het ene verwijt na het andere naar je hoofd geslingerd. Bijna alles was op het frustreren van het individu gericht. Als je een goede student was, werd je ogenschijnlijk vriendelijk bejegend. Wie daarop inging, zat meteen in hun klauwen. Ik weet waarover ik het heb, want ruim elf jaar heb ik in hun handen gezeten. Zoiets laat je nooit meer los. Nog een geluk dat mijn ouders ongelovig waren, anders was het nog verschrikkelijker voor me geweest. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat de jezuieten me vooral discipline hebben bijgebracht. Voor een schrijver is dat heel belangrijk.’
ZIJN GROTE GELUK is geweest dat hij als jongetje zijn vakanties op het platteland mocht doorbrengen. Hij ontmoette er op een dag Jos Cuypers en diens zus Alice, over wie hij het zo uitvoerig heeft in zijn nieuwe roman. 'Alice was amper zestien jaar, maar ze straalde zoveel erotiek uit dat ik naar adem hapte. Alice was wild, puur en direct. De meisjes uit de stad waren trutten. Alice was pure lichamelijkheid. Ik was vanaf het moment dat ik haar zag hartstochtelijk verliefd. Vandaar dat ik haar de incestueuze verhouding die ze met haar broer had, niet kwalijk kon nemen. Wat Alice met haar broer, een epilepticus, deed was niet meer dan servire l'uomo: de man van dienst zijn. Is dat niet prachtig? Ik heb dat alles zo subtiel mogelijk in woorden proberen te vatten, anders valt zo'n fragment als een baksteen op het hoofd van de lezer. In De Standaard stond te lezen dat ik die incestueuze verhouding suggereer, terwijl ik ze toch beter kon beschrijven. Ja zeg, dat begrijp ik niet. De nachtvogels is betovering die ik 189 bladzijden lang heb volgehouden. De kritiek kan me nog zelden boos maken. Maar als ik lees dat ik mijn boek heb opgevat als een oefening in cursorische lectuur voor beginnelingen, gaat zo'n recensent te ver.’
HET VERHAAL IN De nachtvogels speelt zich af in de zomer van 1943. Waarom heeft hij zo opvallend vredig over de oorlog geschreven? 'Het nazisme sprak me als ideologie niet aan. Ik wist enkel dat er een verschil bestond tussen de Gestapo en de SS. Als je je gedeisd hield, gebeurde er niets. De Duitsers hielden geen razzia’s als alles rustig was. Ik voelde me als jongetje met het ene noch met het andere kamp verbonden. Ik volgde thuis wel de Duitse legerberichten en bracht alle Europese fronten netjes in kaart, zelfs de veldtochten van Rommel en Montgomery in het noorden van Afrika. Wat er in de Verenigde Staten en Japan gebeurde was in die tijd brand buiten mijn wijk. Alleen das Militar trok mij aan, ik keek op naar die Duitse uniformen. Was ik iets ouder geweest, dan was ik vermoedelijk naar het Oostfront getrokken. Niet om tegen het communisme te vechten, maar omwille van het avontuur. Ik bedoel: op reis gaan naar verre landen om er spannende avonturen te beleven. De oorlog was vooral een spannende tijd: het neerstorten van vliegtuigen, jeeps, marcherende soldaten en tanks. Dat beleef je nu niet meer.’
De zin voor avontuur is gebleven. Zonder reizen heeft het leven voor hem niet zoveel zin. Als hij niet schrijft wil hij zoveel mogelijk het kleine Vlaanderen ontvluchten.
'Vorig jaar verbleef ik met mijn neef in het rotsgebergte van Canada. Dat was een geweldige belevenis, ’s nachts op 1800 meter boven de zeespiegel in een tent naar de stilte luisteren. Afrika spreek me niet meer aan. Ik heb er te lang gewoond om me nu nog tevreden te kunnen stellen met enkele toeristische uitstapjes en verblijven in hotels. Eigenlijk probeer ik Afrika te omzeilen. Mijn intuitie zegt me dat ik er beter niet meer kan komen omdat er een groot onheil op me af zal komen. Bovendien zou ik me er opnieuw als een koloniaal gedragen, zou ik me agressief en brutaal opstellen. Die tijd is voorbij.
De sterfangst bevangt me 'snachts nog geregeld. Ik heb me er nog altijd niet mee verzoend dat ik er op een dag niet meer zal zijn. Dat kan toch niet? Elke nieuwe dag blijft maximaal genieten, mijn zintuigen op scherp zetten, meester spelen over het verloop van elke dag en het veranderen van de seizoenen ondergaan. In feite ben ik een hedonist, iemand die maximaal van alles wil genieten. Als ik geld heb dan moet het rollen, want morgen is een andere dag.’
Is het de roes van de tropentijd, zoals hij die in Gangreen 1: Black Venus heeft beschreven?
'Juist. Wist je dat door dit boek mijn vriendschap met Marnix Gijsen is ontstaan? Ik beschreef daarin de dingen zoals hij ze nooit heeft durven beleven. In de boeken van Gijsen zijn verhoudingen met vrouwen platonisch, vanaf het moment dat hij over seks moet schrijven heeft hij het altijd over een clowneske situatie. Seks was bij hem taboe. Dat ik daarover in Gangreen 1 zo gedetailleerd en open schreef, droeg zijn bewondering weg. We hebben daar vaak over gepraat. Hij noemde me altijd Marcellus, een allusie op de neef van keizer Augustus. Hij was een aangename gesprekspartner, een goede verteller. Sarcasme was zijn handelsmerk.’
Geeraerts heeft zijn succes als schrijver vooral te danken aan zijn Gangreen-boeken. Waarom heeft hij die mythe langzamerhand laten afbrokkelen?
'Toen ik Gangreen 1 aan het schrijven was had ik geen flauw vermoeden wat dat boek allemaal zou veroorzaken. De mythe- Geeraerts is vooral ontstaan doordat ik in dat boek een blanke man met een zwarte vrouw liet neuken. Nog altijd wordt me gevraagd hoe zwarte vrouwen in bed zijn. De negerin Mbala met wie ik in Congo heb samengeleefd was een en al vitaliteit. Met haar had ik een hechte band. De overige zwarte vrouwen waren eendagsvliegen. Dat was uitgaan, drinken, dansen en pret beleven. Het is dank zij de zwarte vrouwen dat ik de taal van de negers heb leren spreken. Zij hebben me bovendien geleerd dat seks de meest normale zaak van de wereld is, iets dat op een organische manier in het leven is geintegreerd. Het christendom, de islam en het jodendom hebben seks met allerlei taboes beladen. Zwarte vrouwen genieten van seks op een heidense manier, er is geen enkele rem. Mijn Gangreen-boeken zijn rauwe brokken voor de lezer, die het risico loopt zich te verslikken. Ze zijn nagenoeg drie maanden, dag in dag uit, in de media geweest. Er waren interpellaties over in de Belgische Kamer en Senaat, ze kregen de Belgische Staatsprijs en werden kort nadien door de gerechtelijke politie in beslag genomen. Ik kreeg het imago van iemand die geen enkel risico uit de weg ging. Voor talloze jongeren was ik een held, iemand die zich zaken kon veroorloven waarvan zij alleen konden dromen.
Kijk, niet iedere blanke heeft in Congo geleefd zoals ik dat deed. Mijn hierarchische oversten hebben me twee keer terechtgewezen. Aan zware sancties ben ik altijd ontsnapt omdat ik mijn job goed deed. Toen ik in 1960 uit Afrika terugkwam voelde ik me helemaal ontheemd. Ik zat in Antwerpen op kamers met mijn vrouw en kinderen, ik wist absoluut niet hoe het met me verder moest. Ik dreigde mijn identiteit te verliezen, vooral omdat de familie van mijn ex-vrouw er voortdurend op aandrong dat ik me in de maatschappij integreerde. Ik moest weer een Belgisch staatsburger worden. Uiteindelijk ben ik dan maar schrijver geworden.’