Niet alleen een dode homo

Voor een cineast die altijd in de absolute marge heeft gewerkt, is Derek Jarmans dood met opmerkelijk veel publiciteit gepaard gegaan. Dat is goed, want Jarman is altijd een origineel en intrigerend filmmaker geweest - die aandacht heeft hij dus ruimschoots verdiend. Nu de uitgesproken homoseksuele (levens)kunstenaar Jarman vanwege zijn te vroege dood door aids is bijgezet als martelaar, lijkt het mij zinvol ook nog even stil te staan bij het feit dat Jarman van zijn seksuele voorkeur geen levensdoel of beroep heeft gemaakt.

In de eerste plaats was hij filmmaker, schilder, schrijver en tuinier.
De Engelse (misschien toch ook niet toevallig homoseksuele) criticus Tony Rayns die Jarman met betrokkenheid over een lengte van jaren heeft gevolgd, onderscheidde voor het gemak twee Jarmans. De eerste noemde hij de Outdoor Jarman en hiermee doelde hij op de maker van hoogst originele, woest-experimentele, op buitenlocaties tot stand gekomen films als The Angelic Conversation, The Last of England en The Garden. De tweede Jarman was de Indoor Jarman: de maker van fraai belichte en aan het theater verwante films als Caravaggio, Edward II, Wittgenstein en Blue. Als gevolg van zijn slepende ziekte kreeg de Indoor Jarman de laatste jaren (vanaf Edward II) de overhand en het is dan ook de aan verzorging en aan de studio gebonden Jarman die de afgelopen week is herdacht. De studiofilms van Jarman zijn zeer geslaagde en visueel uitbundige - soms zelfs absurdistische -films, maar het echt eigenzinnige en visueel buitenissige werk kwam ver van de alles verfraaiende studiolampen tot stand.
Niet dat Jarman daarvoor naar exotische locaties zocht. Hij vond die eerder letterlijk dicht bij huis in de omgeving van zijn cottage en in de opmerkelijke tuin die hij rond dit buitenhuisje had aangelegd. In samenhang met de recentelijke overbelichting van Jarman als de filmer van fraai uitgelichte jongemannen (wat hij overigens zonder meer ook was) is uit het oog verloren dat zijn mooiste films werden opgebouwd rond een vrouw, namelijk rond Tilda Swinton. Een actrice die in nagenoeg iedere Jarman-film is terug te vinden maar die veelzeggend genoeg pas met Sally Potters Orlando bredere bekendheid kreeg. Swinton is met haar bleke en extreem lange lichaam bepaald geen doorsnee actrice, ze lijkt te zijn weggestapt uit een schilderij van Pontormo, en dat vond Jarman zonder twijfel erg plezierig. Jarman, laat ik het nog maar eens met zoveel woorden zeggen, maakte geen films om te behagen en hij was in zijn films niet op zoek naar een aanvaard soort schoonheid.
Met Swinton onderhield Jarman een langdurige en intensieve artistieke relatie, die je binnen de filmgeschiedenis zou kunnen vergelijken met de duo’s Fassbinder & Schygulla en Von Sternberg & Dietrich. De martelaar Jarman is door zijn dood uit zijn context gelicht. Hij was geen eenzaam werkend genie, of een solerende mediapersoonlijkheid, maar juist een teamworker. In een van de aforismen die hij publiceerde in samenhang met zijn film Wittgenstein stelde hij dat zijn filmfilosofie bestond uit het hebben van geen plan. Want alleen dan kun je je medewerkers de gelegenheid geven om het artistieke proces van je over te nemen. Een relatie zoals hij die had met de actrice Swinton, had hij ook met vele van zijn andere medewerkers. Bijvoorbeeld met de componist Simon Fisher Turner, de producent James Mackay, de acteurs Kevin Collins, Nigel Terry en Spencer Leigh, de decorbouwer Christopher Hobbs, de kostuumontwerpster Sandy Powell en de cutter George Akers.
De voorbeeldige moed waarmee Jarman zijn sterven aan aids onder de aandacht van de wereld bracht, leidde de aandacht af van het volle formaat van zijn kunstenaarschap. Niemand komt op het idee om filmmakers als Fassbinder of Pasolini in de eerste plaats te zien als dode homoseksuelen, en dat moet liefst zo snel mogelijk ook voor Jarman opgaan.