Interview met Saša Stanišić.

Niet alleen maar feest

De eerste helft van zijn leven woonde Saša Stanišić (1978) in Bosnië. De tweede helft, na zijn vlucht voor de oorlog, in Duitsland. Zijn tweede taal werd zijn eerste. In spetterend Duits schreef hij een roman over vlucht, verlies en verwerking. Balkan-beat in proza.

‘Het oude centrum van Graz is net een speeldoos. Als je hem opent komt er een ballerina uit die ronddraait op de tonen van een romantisch deuntje.’ Saša Stanišić is een jaar lang stadschrijver van Graz, hoofdstad van de Oostenrijkse provincie Stiermarken. Hij woont er in een mooi huis, werkt mee aan projecten, schrijft teksten voor tentoonstellingen en verzamelt verhalen. Maar die verhalen vindt hij niet in het oude centrum. ‘Daaromheen liggen trieste wijken met flats, opgetrokken uit betonplaten, net als in Oost-Europa. Daar wonen de lagere klassen. Een totaal andere wereld.’

Verhalen verzamelen, dat ziet Stanišić als zijn schrijversopdracht. Hij solliciteerde bewust naar de post van stadschrijver van Graz. ‘Daar wonen veel mensen uit het voormalige Joegoslavië, de grens is niet ver weg. Het zijn vooral studenten en seizoenarbeiders, de meeste vluchtelingen zijn al weer teruggekeerd. Ik praat met ze, teken hun verhalen op. Momenteel zoek ik verhalen over mensen die spelen, die fanatiek gokken, biljarten, kaarten of wat dan ook. Ik werk aan een verhalenbundel over spelers, over hun milieu, hun conflicten. Tolstoj-achtige verhalen waarin het om de details gaat, om gebaren en blikken.’

Wat Stanišić bijzonder bevalt is dat in Graz de mensen uit Servië, Slovenië, Kroatië en Bosnië ontspannen met elkaar omgaan. ‘Ze wisselen veel uit, maken samen muziek. Over de oorlog en over de etnische geschillen maken ze voornamelijk grappen.’ Dat staat in schril contrast met de opstelling van Graz’ beroemdste burger: Peter Handke. De dwarse schrijver koos in woord en geschrift partij voor de Servische dictator Slobodan Milosevic, een houding waarmee hij in de hele wereld op verbijstering stuitte. ‘Onbegrijpelijk. En dat terwijl hij zulke prachtige boeken heeft geschreven. Met die grafrede voor Milosovic heeft hij niemand een dienst bewezen, zichzelf niet, de Servërs niet en vooral niet de mensen die onder de oorlog hebben geleden.’

Saša Stanišić, vader Serviër en moeder Bosnische moslima, heeft door de oorlog zijn vaderland verloren. Als veertienjarige knaap vluchtte hij in 1992 met zijn ouders voor het Servische geweld naar Duitsland. ‘Mijn geboorteplaats Višegrad ligt in het oosten van Bosnië, niet ver van de grens met Servië. Het Servische leger stormde door de stad heen, verder het land in, richting Srebrenica. Tien dagen duurde het geweld in Višegrad. Mijn ouders kregen dreigende telefoontjes dat ze moesten oprotten. Ze hebben meteen hun spullen gepakt.’

In Heidelberg maakte Stanišić zijn middelbare school af. Hij leerde Duits en begon in zijn tweede taal te schrijven. Hij schreef over wat hij had verloren, autobiografische schetsen, schriften vol. Zijn leraar Duits ontdekte zijn talent. Hij kwam in contact met andere jonge schrijvers, publiceerde een verhaal, kreeg een uitnodiging om mee te doen aan de beroemde Bachmann-competitie in Klagenfurt en won prompt de publieksprijs. Hij ging in Leipzig studeren aan het Literaturinstitut, waar al menig jong schrijverstalent tot wasdom was gekomen. Daar concipieerde hij zijn roman, die begin vorig jaar verscheen. De literaire wereld reageerde verbluft. Meteen bij verschijnen werd de roman al genomineerd voor de Prijs van de Leipziger Buchmesse.

Hoe de soldaat de grammofoon repareert vertelt met veel humor en in een aanstekelijk tempo over het leven in Višegrad vanuit het perspectief van de kleine Aleksandar. Het stadje, de rivier, de mensen, zijn familie vormen voor het jongetje een onuitputtelijke bron van belevenissen en verhalen. Dan maakt hij mee hoe het Servische leger de stad binnenvalt en zijn ouders dwingt op de vlucht te slaan. Ze komen in Duitsland terecht, in Essen in het Ruhrgebied. Van daaruit gaat Aleksandar op zoek naar zijn verloren wereld maar vindt slechts een geschonden stad. Stanišić: ‘De roman gaat over onherstelbaar verlies en over de verwerking daarvan door het vergaren van verhalen, steeds meer verhalen.’

Even terug in Leipzig, zich koesterend in de zon op het gras voor zijn stamcafé Neubau, legt Stanišić uit waarom de roman, ondanks de schijn van het tegendeel, niet als een autobiografische roman moet worden gelezen. ‘Hij is alleen in beginsel autobiografisch. Het project begon met mijn aantekenschriften. Maar het werd pas een roman toen ik Aleksandar schiep, een jongetje van onbestemde leeftijd, nu eens acht, dan weer twaalf jaar oud. Aleksandar is iets jonger dan ik toen was. Ik verbaasde mij er destijds over hoe veel slimmer en preciezer jongere kinderen over de oorlog oordeelden. Wij waren vooral bang, zij wisten van elke situatie het beste te maken.’

Vanuit Duitsland vergaarde Stanišić verhalen over zijn land, zijn stad, zijn familie en de oorlog. In de roman laat hij Aleksandar die verhalen vertellen. ‘Aleksandar vertelt zonder moraal, onbevangen en met enorm veel fantasie. Hij verleent magie aan de stad, de huizen, de dieren, al die zaken waar hij zo vreselijk veel van houdt. Hij voert hele dialogen met de rivier de Drina die door Višegrad loopt. Juist door die magische relatie met zijn omgeving laat Aleksandar beter dan wie ook de absurditeit van de oorlog zien.’

De roman is een aaneenrijging van absurde, groteske, tragikomische verhalen, opgedist in een tempo dat aan de Balkan-beat van Emir Kusturica en Goran Bregović doet denken. ‘Ik ben een groot fan van Kusturica, zijn eerste films zijn prachtig, met name ook Underground, en zijn muziek is heel opwindend. Ik maak doelbewust gebruik van zijn beelden, ik weet dat de lezer ze kent, die bruisende feesten, die hysterische scènes, die muziek. Maar ik ga met die beelden bewust ironisch om. Aleksandar zegt: de mensen in het buitenland denken dat wij alleen maar feest vieren, maar dat is niet waar, we moeten ook iedere keer weer de rotzooi opruimen.’

Aleksandars zoektocht naar het verloren verleden is een zoektocht naar het meisje met wie hij zich in een kelder voor het Servische leger probeerde te verschuilen. Assija heette het meisje, een moslima. Toen soldaten die de stad wilden zuiveren naar haar naam vroegen, zei Aleksandar snel dat ze Katarina heet en zijn zusje is. Eenmaal in Duitsland schrijft hij brieven aan Assija, zonder haar achternaam te kennen en zonder te weten waar ze woont, brieven over zijn verlangen naar het land, de stad, de rivier, de mensen. Hij gaat uiteindelijk op zoek naar haar, keert terug naar Bosnië, naar Sarajevo en Višegrad. Of hij haar ook vindt, laat Stanišić in een meerduidige slotscène over aan de fantasie van de lezer. ‘Mijn vrouwelijke lezers menen van wel.’

‘In wezen heb ik een universeel verhaal willen vertellen over vlucht, verlies en verwerking’, legt Stanišić uit. Dat hij daarin is geslaagd, meent hij te merken aan de reacties tijdens zijn optredens door heel Duitsland. ‘In de zaaltjes zitten altijd wel mensen uit het voormalige Joegoslavië die zeggen: dat is precies mijn verhaal. Maar, voegen ze er dan aan toe, het verhaal gaat nog verder. En dan beginnen ze eindeloos nieuwe verhalen te vertellen. Die ik na afloop op mijn hotelkamer natuurlijk allemaal in mijn onafscheidelijke notitieboek opschrijf.’

Maar het kan nog universeler. Stanišić wil dat ook ‘mensen uit Soedan en Somalië’ de verhalen herkennen. En ook dat lijkt het geval. De rechten van de roman zijn in korte tijd aan 21 landen verkocht. ‘De een na de ander komen nu de vertalingen uit. Eerst de Nederlandse en de IJslandse, dan de Zuid-Koreaanse, de Israëlische, de Italiaanse. Begin volgend jaar de Franse, Engelse, Amerikaanse.’

De roman is internationaal een ongekend succes. De nog geen dertigjarige Stanišić plukt er de vruchten van. De wereld ligt aan zijn voeten. Hij verovert haar met een onbevangenheid die aan zijn personage Aleksandar doet denken. De komende maanden is hij in de Verenigde Staten op uitnodiging van de universiteit van Iowa. Hij bezoekt daar ook zijn ouders, die van Duitsland verder zijn getrokken naar Amerika. En hij hoopt er kennis te maken met Jonathan Safran Foer, de ongeveer even oude New-Yorkse succesauteur. ‘Ik heb pas onlangs zijn boeken gelezen en ben er helemaal weg van. In Extreem luid en ongelooflijk dichtbij zoekt een klein, wijsneuzig jongetje, Oscar, naar sporen van zijn vader die hij op de elfde september 2001 verloor. Ik koester stiekem de droom om met Foer samen een verhaal te schrijven waarin Oscar en Aleksandar elkaar ontmoeten. Daar moet iets moois uit kunnen groeien.’

Ondertussen gaat zijn literaire productie voort. Hij heeft drie theaterstukken in de pen die alle drie in het Schauspielhaus van Graz zullen worden opgevoerd. Een daarvan is een bewerking van zijn roman. Een ander is een stuk dat hij in Amerika hoopt te schrijven. ‘Kent u de familie Von Trapp? Die zingende familie uit Oostenrijk die voor de nazi’s naar Amerika vluchtte? Inderdaad, op hun lotgevallen is The Sound of Music gebaseerd. De nazaten beheren een soort Disneyland in Amerika, een nep-Oostenrijk met huizen met rood-wit-rode luiken en zo. Echt absurd. Ik wil over die familie een satire schrijven, waarin ik de spot drijf met songfestivals en de hang naar supersterren.’

Wat er helaas bij dreigt in te schieten is zijn dissertatie. Hij is in Leipzig een promotie begonnen over voetbal en literatuur. Hij is een groot sportfan. Zijn onderzoek gaat niet zozeer over de sport zelf als over de fans, ook over hemzelf dus. ‘Op de tribune van een voetbalstadion verander ik anderhalf uur lang in een totaal ander mens. Ik verbaas me over mezelf. Om die transformatie te begrijpen ga ik na hoe men over voetbalfans schrijft.’ Wat is zijn favoriete tribune? ‘De staantribune van HSV in Hamburg.’ Waarom? ‘Een sympathieke middenmoter, daar voel ik me bij thuis.’ Hoe is het nu met HSV? ‘Jammer dat ik er niet bij was laatst, maar ik had graag “Van der Vaart, Hochverrat” meegescandeerd.’

Stanišić zoekt graag de openbare ruimte op. Hij beleeft enorm veel plezier aan optredens in zaaltjes, al is het in het kleinste provinciegat. En ook in de openbaarheid van het internet voelt hij zich als een vis in het water. Vingeroefeningen voor zijn schrijfwerk publiceert hij op twee weblogs en een eigen website (kuenstlicht.de). Hij wil niets liever dan de verhalen die hij verzamelt met zo veel mogelijk mensen delen. Hij is een en al openheid en straalt dat ook uit, met zijn blinkende ogen en zijn brede glimlach. Is het bestaan voor hem dan alleen maar vrolijkheid, lichtheid en verwondering?

Wanneer hij over zijn verloren land spreekt, slaan de ernst en de melancholie al snel weer toe. De stad waar hij opgroeide is dezelfde niet meer. ‘Mijn oma woont er nog en twee vrienden van vroeger, dat is alles. De bevolking van de stad is bijna compleet uitgewisseld. Vóór de oorlog woonden er twintigduizend mensen, meer dan de helft was moslim. Nu zijn het er nog maar achtduizend, waarvan maar een piepkleine minderheid moslim is. Er zijn naar schatting vierduizend mensen vermoord of verdreven. De rest is gevlucht. De huidige bewoners komen veelal van elders. Mensen van mijn leeftijd zijn bijna allemaal naar Belgrado en andere steden vertrokken. Het hele gezicht van de stad is veranderd. Ik voel me er verloren.’

Ook zijn ouders zijn van de stad vervreemd. ‘Ze zijn er nog wel een keer terug geweest, toen ze uit Amerika over waren. Mijn moeder hield het er nauwelijks uit. Toen ze de rivier zag, dacht ze aan de lijken die er tijdens de oorlog in dreven. Ze kon de mensen niet in de ogen zien omdat ze dacht dat ze er iets mee te maken hadden.’ Zijn ouders willen in de toekomst een huis in Kroatië kopen. Daar moet de hele familie bij elkaar komen. ‘Ik hecht erg aan mijn familie. Ik vind het een geweldig idee. We zitten verspreid over de hele wereld. Het zou goed zijn elkaar daar weer te treffen.’

Stanišić heeft afscheid genomen van het idee dat Bosnië ooit nog iets in zijn leven zal betekenen. ‘Dat klinkt misschien egoïstisch, maar een mens zoekt het geluk waar het te krijgen is en dat is voor mij niet in Bosnië.’ Ook niet in Sarajevo? ‘Elk jaar kom ik er wel een keer. Als je daar door de straten loopt denk je, gut, de mensen zijn beter gekleed dan in Duitsland, iedereen is relaxed, doet hip, praat vrolijk. Maar als je even aan de oppervlakte krabt, komt de hele frustratie weer boven, de teleurstelling, het verdriet over wat er allemaal verloren is gegaan. Het was zo veel beter allemaal, vroeger, vóór de oorlog.’

Saša Stanišić
Hoe de soldaat de grammofoon repareert
Uit het Duits vertaald door Annemarie Vlaming
Anthos, 300 blz., e 19,95

In november is de auteur te gast in Nederland. Hij treedt dan onder meer op tijdens het Crossing Border Festival in Den Haag en op het Goethe Instituut in Amsterdam.