Vuil rapen op de Wadden

‘Niet alles drijft, niet alles is zichtbaar’

Een van de grootste containerschepen ter wereld verloor 342 containers in de Noordzee. Een half jaar later wordt er nog altijd opgeruimd, onder meer langs de kust van Noord-Groningen. ‘Over vier- tot vijfhonderd jaar liggen die bolletjes er nog.’

8 januari. Verpakkingsmateriaal uit de MSC Zoe op de zeedijk van het Lauwersmeer © Martijn de Jonge / HH

Kleine witte bolletjes met de doffe gloed van opaal. Een voor een rapen we ze op, de ruimte tussen duim en wijsvinger groot genoeg om er drie tegelijk uit het zeegras te plukken, maar de grip te klein: de gladde bolletjes van nog geen halve centimeter doorsnee springen weg. En dus verzamelen we ze een voor een in een kommetje van onze hand en legen die in de emmer die tussen ons in staat, een groep mensen geknield op een dijk in de haven van Lauwersoog. Een snijdende wind komt vanaf het land, op het water vertrekt het veer naar Schiermonnikoog. Het is eb en de zee trekt zich terug met achterlating van steeds een nieuwe vloedlijn: een verse strook afgestorven planten, visdraad en krabben, en meer bolletjes.

Het eerste bolletje dat je door je vingers laat gaan, geeft een goed gevoel. Er is ons bij aanvang van deze ‘beach clean-up’, georganiseerd door Zeehondencentrum Pieterburen, verteld dat vogels de bolletjes polymeer polyetheen, grondstof voor plastic, aan kunnen zien voor viseitjes. En als ze langere tijd in het water liggen en onderhevig aan de elementen een ruw oppervlak krijgen, worden het broedplaatsen voor bacteriën en dragers van giftige stoffen. Elk bolletje in de emmer is er zo bekeken één, ik grijp naar ze in de plantenstengels, blaas de mieren van mijn handen. Er zijn zo’n twintig mensen komen helpen deze eerste Pinksterdag: een vrouw met haar dochter uit Amsterdam, een weekend op vakantie in de regio, een stel uit Estland en Letland dat het volstrekt normaal vindt om eens in de maand afval te rapen, een groepje Engelse studenten, een Amerikaanse vrouw die promoveert op een vis die zowel in zoet als in zout water kan leven. Een grote brasem spoelt aan, dood, een zoetwatersoort die de verkeerde afslag heeft genomen. Vogels vliegen over en laten zich in hun vlucht ritmisch op de dijk zakken om te pikken in het aangespoelde materiaal.

Ik praat met de mensen met wie ik een emmer deel, vrijwilligers van het zeehondencentrum afkomstig uit Kroatië, Slovenië, Ierland en Colombia. Op hun telefoons komt het bericht binnen dat een nieuwe huiler (jonge zeehond die door moeder alleen is gelaten) in aantocht is, uit Vlieland, ze zijn verheugd en speculeren over een naam. We rapen door, verzitten bij zere knieën en slapende voeten, maar komen onze plek niet af. Na een half uur liggen de paar vierkante meters die wij samen beslaan nog steeds bezaaid met witte bolletjes. Iemand zet The Beach Boys op maar het geduld is op: ‘Ik ga op zoek naar iets groters’, zegt een vrouw en ze loopt richting het water. Voor de vorm blijf ik nog even zitten, maar sta dan ook op. Toen we aankwamen leek de dijk nog een onbeduidende strook steen, een plek waar je overheen kijkt om naar het water te kijken, te schoon voor een beach clean-up en bovendien geen strand, maar nu zie ik een stuk landschap dat krioelt van leven, bedreigd door een lading plastic die je pas ziet als je ervoor gaat zitten.

De bolletjes zijn afkomstig uit een van de grootste containerschepen ter wereld, de Mediterranean Shipping Company (msc) Zoe, die op de nacht van 1 op 2 januari onder Panamese vlag met goederen uit Azië op weg was naar Bremerhaven en ter hoogte van het Duitse eiland Borkum 342 containers verloor in een noordwesterstorm, windkracht 8 met golven van zes tot acht meter hoog. Er zijn beelden van het schip de ochtend na het ongeluk. De verdwenen containers vormen niet meer dan een schepje uit de stellage van in totaal ruim achtduizend containers aan boord, op de plek van de inslag de containers die niet overboord sloegen slordig op een hoop, als lucifersdoosjes.

Rijkswaterstaat begint met de berging: het merendeel van de containers blijkt kapotgeslagen. Bij de bergingswerkzaamheden in de maanden die volgen stuit men onder andere op de overblijfselen van een zestiende-eeuws schip en op explosieven uit de Tweede Wereldoorlog, maar wat aanspoelt die eerste dagen zijn gloednieuwe spullen, met hun val in het water eensklaps verworden tot afval. Een onlangs verschenen evaluatierapport van het Instituut Fysieke Veiligheid, in opdracht van de Veiligheidsregio’s Fryslân, Groningen en Noord-Holland Noord, schetst de situatie. ‘Al in de vroege ochtend van woensdag 2 januari troffen bewoners van Terschelling en Vlieland spullen aan, die uit de containers afkomstig waren. Niet veel later zouden ook op Texel, Ameland en Schiermonnikoog en aan de Friese en Groningse kust allerlei spullen aanspoelen. Het nieuws dat er op de stranden “iets te halen” viel, verspreidde zich als een lopend vuurtje. De sfeer sloeg echter al snel om, omdat er wel erg veel spullen aanspoelden die van weinig waarde meer waren.’

De precieze inhoud van de lading is tot op heden niet bekendgemaakt, omdat er bedrijfsgevoelige informatie mee gemoeid is, maar na een Wob-verzoek van Omrop Fryslân en RTV Noord kwam een globale vrachtlijst naar buiten. Daar staan de 342 containers onder elkaar, omschreven in algemene categorieën waaronder huishoudelijke goederen, auto-onderdelen, bouwmateriaal, keukenwaar, speelgoed, kleding, tassen en schoenen. Maar er is ook sprake van een container gevuld met planten en een met kunstbloemen, een met juwelen, een met stofzuigers, een met zeeppompjes, een met de omschrijving ‘bont, kunstbont’, een met elektrische scooters, een met bureaustoelen, twee containers met ‘hartvormige blikken dozen’, drie met koeken- en braadpannen, en een container gevuld met ‘plastic poppen’.

Het spoelde allemaal aan, op de stranden van de Waddeneilanden en aan de kust van het vasteland. Honderden My Little Pony’s verleenden de ‘containerramp’ waar inmiddels over werd gesproken een potsierlijk aangezicht. Een ponycentrum op Terschelling opende een ‘noodopvang’ voor de plastic beestjes en sloeg er een slaatje uit door ze als souvenir te verkopen, weliswaar voor een goed doel. Vrijwilligers uit het hele land, het leger en de vissers schoten te hulp en al snel waren de stranden en dijken op het oog weer schoon. De bolletjes zag ik voor het eerst in een potje in een vitrinekast bij Pieterburen, op de ochtend van de beach clean-up. Daar is een loods ingericht met lading van de MSC Zoe: honderden schoenen, kapstokken in de vorm van wolken en een kroonluchter van kaarsen met een ledlamp. Speelgoed, soldatenhelmpjes, plastic dolken en handgranaten. Afdruiprekken en doorzichtige eierdozen. Op een tafel een nabootsing van het met zeeppompjes, piepschuim en wegwerpdoekjes ondergelopen landschap, inclusief kunststof grashalmen afkomstig van het schip. Aan de muur het woord ‘Family’ in schoolhandschrift als woondecoratie en dure auto’s die echt kunnen rijden, op kinderformaat. Bijna zonder uitzondering spullen waar de wereld zonder kan.

Buiten staat een reusachtige pony opgetrokken uit plastic: Zoe de Ponie werd bedacht door kunstenaar Maria Koijck als een paard van Troje dat overal kan opduiken om aandacht te vragen voor plastic vervuiling. De pony poseert in My Little Pony-pose, een voetje verleidelijk in de lucht en lange manen van aangespoelde vaatdoekjes sluik over de schouder. De tentoonstelling, opgedragen aan de vrijwilligers, is haar stal.

Nils Greskewitz is zeehondenverzorger bij Pieterburen en organisator van de beach clean-ups. De Duitser werkte onder meer op de Faeröer en in Zuid-Afrika maar hij houdt van Noord-Groningen, van de kust en van de vogels die hier overtrekken, zoals de lepelaar die hij nergens eerder zag. In een hoek van de loods houdt hij ‘kantoor’: hier brengt hij het materiaal dat hij verzamelt bijeen en analyseert en documenteert het microplastic en grotere stukken afval. Want in de nasleep van de MSC Zoe gaat het niet meer alleen om opruimen, zegt hij, maar ook om onderzoek dat afval, dat nog steeds aanspoelt, linkt aan het schip. Hij pakt een schaaltje met doorzichtige haakjes die schoenen als paren aan elkaar moesten houden: de schoenen waren snel opgeruimd, de haakjes spoelen nog aan.

Zolang de exacte inhoud van de containers onbekend blijft, zijn andere items moeilijker te identificeren, maar Greskewitz kan ze vergelijken met het afval dat hij eerder aantrof en foto’s op sociale media komen ook van pas. Een bak vol zwarte clipjes: waar ze voor dienen weet hij niet, maar dat ze afkomstig zijn uit een MSC Zoe-container staat vast. Het nut van een enorme hoeveelheid pompjes met een ronde schijf ontging hem, tot een van de vrijwilligers haar nagellakremoverpompje aan hem liet ziet. Hele kwelders lagen er vol mee en hij komt ze nog steeds tegen. Wat hem frustreert is dat plastic als dit volstrekt vermijdbaar is.

Op de grond staat één afgesloten zak gevuld met witte bolletjes, 25 kilo ‘polyethylene’, gemaakt door een bedrijf genaamd Lotte Chemical uit Zuid-Korea. Toen hij die ene zak vond, daags na het ongeluk, drong de omvang van het probleem tot hem door. De grootste containerschepen ter wereld nemen niet één zak van een bedrijf uit Zuid-Korea mee, die nemen een container. En een container betekent meestal twintig ton. Ter vergelijking toont hij de bolletjes die hij eerder vond, blauwe en zwarte die niet glad en rond zijn, maar gehavend door een lange tijd op zee. De witte zijn nieuw: 4956 stuks bij de laatste clean-up in Lauwersoog, geraapt en geteld volgens steeds dezelfde methodologie. Er is nog geen goede manier om ze op te ruimen. Greskewitz: ‘Wij komen ze dagelijks tegen, de overheid niet. Ik neem ze dat niet kwalijk, maar we moeten samen werken aan een oplossing. De bolletjes zijn niet weg over tien jaar, over vier- tot vijfhonderd jaar liggen ze er nog.’

Het is mooi om te zien hoeveel mensen geven om hun omgeving, mensen uit het hele land, dorpelingen, boeren die zomers hun vee over de dijken hebben lopen

In een blauwe bus van de zeehondencrèche (‘Healthy sea, happy seal’), onderweg naar Lauwersoog, blikt hij terug. Er staat een gele My Little Pony op het dashboard, stukjes gras in het roze glitterhaar. De eerste dag zien de dijken eruit alsof het gesneeuwd heeft, wit van het piepschuim dat in het rond vliegt, het is nog winderig van de storm. In de kwelders rapen ze op wat ze tegenkomen, zeeppompjes, oorlogsspeelgoed, rugzakken, nepkaarsen, trechters, kwasten en geurschoonmaakdoekjes met Poolse opdruk. Richting de zee lopen ze op een zee van plastic, bij de aanblik moet Greskewitz even gaan zitten.

Een roep om hulp is duizend keer gedeeld op Facebook en brengt massa’s mensen op de been, hij moet ze op zijn locatie wegsturen bij gebrek aan parkeergelegenheid. Het is mooi om te zien hoeveel mensen geven om hun omgeving, mensen uit het hele land en dorpelingen, boeren die in de zomer hun vee over de dijken hebben lopen. Hij helpt een oude man met wandelstok de dijk op die de ravage met eigen ogen wil zien. Van de plagerige rivaliteit tussen Friezen en Groningers is geen sprake, iedereen wil helpen met het schoonmaken van die ene zee.

De lokale vuilnisdienst komt het afval ophalen en de gemeente regelt op verschillende locaties containers. Groepen vrijwilligers waaronder de lokale scouting melden zich, een sociale-mediateam begeleidt het publiek op afstand. Als ze het wad op gaan, waken vrijwilligers van de reddingsbrigade over hun veiligheid. In het zeehondencentrum is het ondertussen druk, niet door de paar dieren die in het afval verstrikt raken, maar door alle zeehonden die mensen zien en aangeven.

Mocht een dergelijke gebeurtenis nog eens voorvallen, dan weten ze hoe ze zich moeten organiseren: de lokale contacten zijn versterkt en de omgeving leerden ze nog beter kennen. Voor Greskewitz was dat ook een geweldige ervaring.

We zullen niet veel vinden vandaag, voorspelt Greskewitz als we de haven binnenrijden. Er waait een aflandige wind en ook de storm van de dagen ervoor ging richting zee. Na het warme weer komt het getij bovendien niet zo hoog als anders en ook met minder water dan gebruikelijk. Het is wachten op springtij, dan zal de dijk weer vol liggen met de grotere spullen die nog ergens moeten zijn.

Toch vinden we die middag items die in Pieterburen geëxposeerd worden: een blauwe pantoffel met de opdruk van hartjes en een strikje, doorzichtige plastic schoenenhaakjes, luchtfilters, de zwarte clipjes met onduidelijke functie, tientallen daarvan. De hoeveelheid bolletjes is zo snel niet te tellen. Een kapitein van een schip dat betrokken was bij de berging van de containers komt een praatje maken. Hij vertelt dat de MSC Zoe op deze vaarroute niet meer is gesignaleerd.

Maar online kun je het schip zien varen. Bijna vierhonderd meter lang en een kleine zestig meter breed, momenteel tussen de kusten van Eritrea en Jemen, vertrokken uit Saoedi-Arabië en onderweg naar Singapore. Lading onbekend.

Vierhuizen, 16 januari, plastic granulaat © Reyer Boxem / HH

‘Vrijwilligers ruimen bijna net zo veel troep van MSC Zoe op als professionals’, kopt het Dagblad van het Noorden eind april. Gert Bron is spin in het web van Groningen Schoon Dankzij Mij, een organisatie van de Gemeente Groningen die bewustzijn over de gevolgen van afval kweekt. Ze geven onder meer lessen op basisscholen – ze laten bijvoorbeeld zien hoe een egel zich vastloopt in een rondslingerende milkshakebeker. Bewustwording van de problematiek met de containers is belangrijk, vertelt hij door de telefoon, maar veel problemen vloeien gewoon voort uit menselijk gedrag. Hij roemt de vierhonderd ‘Stille Krachten’ die aan de organisatie verbonden zijn, mensen die de rommel van een ander opruimen.

Bron is maker van een foto die ik zag hangen in Pieterburen: een vloedlijn bezaaid met gympen en ballerina’s, later herken ik ook de sloffen met hartjes. Berichten dat de troep al bijna zou zijn opgeruimd gelooft hij niet. Om dat te bewerkstelligen zou je met een zeef door de zee moeten gaan. Bron: ‘Voor ons gevoel hebben we nog geen kwart van de hoeveelheid opgeruimd. Wij denken dat bijvoorbeeld tussen Ameland en Schiermonnikoog nog veel op de zeebodem ligt. Dat kunnen we niet feitelijk staven. Maar als je denkt aan de windrichtingen, aan de pony’s die in Noorwegen en Denemarken terechtkwamen, dan ligt het verspreid over een groot gebied.’ Het kan naar zijn idee niet anders of zware objecten liggen op de bodem. ‘Niet alles drijft, niet alles is zichtbaar.’

Hij gaat regelmatig aan boord bij Nienke Dijkstra, die zich met haar bedrijf Doe eens Wad inzet voor een structurele aanpak van de plastic soep in de Waddenzee en opruimtochten organiseert met haar zeilschip. Afgelopen weekend was ze op de westpunt van Schiermonnikoog, vertelt ze. Ze vond veel plastic en met name verpakkingsmateriaal. Eerder had ze een partij van zeshonderd printplaten in zakjes gevonden en nu kwam ze ook de losse zakjes tegen en plakband van de dozen waar die zakjes weer in verpakt zaten. Maar ook een tweepersoons topdekmatras en kunststof banden uit het vlechtwerk van manden van Ikea. Kerstballen, ledlampen, stapels van tien stickers van het merk LG die nog op een product geplakt hadden moeten worden. Onderdelen van computers en vriezers, fleecedekens, nog meer schoenen en ook sokken, soms nog netjes opgevouwen. Af en toe een pony, soms nog met spiegel en kam in de verpakking.

‘Dingen die ik tegenkom zijn te klein om een berger op af te sturen en te groot om te laten liggen’

Ze verbaast zich over de berichtgeving van Rijkswaterstaat dat in het Nederlandse deel van de Noordzee een kleine 85 procent van de containers en lading geborgen zou zijn, omdat de schatting berekend is op basis van gewicht. Dijkstra: ‘Dat kan bijna niet. Alleen van de gevonden delen van containers kun je redelijkerwijs zeggen hoeveel procent er is geborgen, want staal is een materiaal met een vaste soortelijke massa. Maar neem een tweepersoons topdekmatras: vacuüm gezogen in de verpakking bij de Ikea neem je er zo drie onder je arm, maar als een matras in het zand ligt, volgezogen met water en zout, moet je die met zes man tillen.’

Dijkstra maakt zich zorgen over de afhandeling van de bergings- en opruimwerkzaamheden, met name over kleinere hoeveelheden die moeilijker te vinden zijn maar wel degelijk schade brengen aan de natuur. Het is handwerk en een goede manier om de omvang van de werkzaamheden in kaart te brengen is volgens haar om te monitoren tijdens het opruimen, wat vind je waar? Het gebied is zo divers dat wat op de ene plek werkt, niet per se opgaat voor de andere. Sommige plastic zakken die ze tegenkomt zijn al week aan het worden, ze moet ze voorzichtig aanpakken want stukjes breken snel af. Ze zou meer willen doen, maar een opdracht waar ze om vroeg bij Rijkswaterstaat kreeg ze niet, die werkt met de aangestelde berger. Dijkstra: ‘Dingen die ik tegenkom zijn te klein om een berger op af te sturen en te groot om te laten liggen. Afgelopen weekend verzamelden we een kleine kuub voornamelijk plastic zakjes. In vergelijking met de totale omvang van de containerramp stelt dat weinig voor, maar een kuub aan plastic op Schier, dat is enorm.’ De hoeveelheid resterend afval mag dan relatief klein zijn, de ecologische impact is naar haar mening groot. En bij het volgende tij kan de troep al weer uit het zicht verdwenen zijn.

Ze ontwikkelde zelf een methode voor het opruimen van de bolletjes, een die tenminste werkt voor een bepaald gebied, maar ze wil niet vertellen hoe die in zijn werk gaat. Omdat anderen er goede sier mee zouden maken die niet ten goede komt aan het gebied. Ze is bereikbaar voor partijen die er echt iets mee kunnen doen. En ze wil niet beweren dat zij de waarheid in pacht heeft.

Schiermonnikoog, 4 januari © Remko de Waal / ANP

Tjisse van der Heide is hoogleraar kustecologie aan de Rijksuniversiteit Groningen en verbonden aan het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee met als onderzoeksterrein onder meer het Waddengebied. Na de ramp aanschouwde hij op Schiermonnikoog de ogenschijnlijk enorme hoeveelheid plastic bolletjes die daar waren aangespoeld, korrels noemt Van der Heide ze. De precieze aantallen waren moeilijk vast te stellen, deels omdat de lading onbekend bleef, deels omdat er geen informatie over de situatie van voor het ongeluk beschikbaar was. Met collega-onderzoekers startte hij het project Waddenplastic.nl, een voorbeeld van citizen science, om de korrels in kaart te brengen. Met een simpele methode konden deelnemers hun observaties doorgeven: je loopt de vloedlijn af en schat elke tien meter binnen een gebied van veertig bij veertig cm het aantal korrels. Er kwamen meer dan driehonderd waarnemingen van vrijwilligers en binnen zes weken ontstond een goed beeld van de situatie: de meeste korrels waren aangespoeld op de oostelijke Waddeneilanden en aan de Groninger kust en er lagen haast geen korrels op Texel, wat iets zegt over waar het schip zijn lading verloor.

95 procent van de korrels op Schiermonnikoog was toe te schrijven aan de MSC Zoe. Zo’n zestig procent daarvan kon hier worden opgeruimd met behulp van een maaiklepelzuiger, de rest bleef liggen. Van der Heide schetst het gevaar van bacteriën en algen die zich aan de korrels kunnen hechten, die ze zwaarder kunnen maken waardoor ze alsnog zinken. ‘Ze kunnen worden aangezien voor voedsel, ze kunnen afdrijven richting de Noordpool, honderden tot duizenden jaren blijven zwerven en onderhevig aan uv-licht langzaam uit elkaar vallen. Deels worden ze dan alsnog afgebroken door bacteriën, maar deels worden ze als nanoplastics opgegeten door kleine zeedieren, en dan komt plastic in de voedselketen terecht.’

Hij noemt de geschiedenis met de MSC Zoe triest maar illustratief, een goed voorbeeld van iets wat voortdurend gebeurt. En hij wijst nog op de aanwezigheid van ‘microbeads’, heel kleine niet-opgeblazen piepschuimkorrels met vaak giftige toevoegingen waarvan zo’n tienduizend kilo overboord zou zijn geslagen en waarvan niemand weet waar die partij zich bevindt. Hij hoopt dat de onderzoekers die belast worden met het onderzoek naar de ecologische gevolgen toegang krijgen tot de volledige vrachtlijst en dat ze daar vrijelijk over kunnen communiceren: goed wetenschappelijk onderzoek drijft op transparantie en openheid, overwegingen van privacy en concurrentie mogen wat hem betreft nooit boven veiligheid staan.

Er is ee n half jaar verstreken. Een deel van de containers is nog niet boven water, een deel van het afval dat niet werd geruimd is verdwenen onder het zand, een deel ligt in de zee en spoelt mogelijk nog aan. Wrakduikers uit Lauwersoog delen beelden van de zeebodem bezaaid met spullen die te herkennen zijn als lading van wat zij noemen de ‘MSC Zooi’. Rijkswaterstaat is nu gestart met de pilot Hot Spot Net Catching, vissen met sleepnetten op drie hotspots. Het is uitproberen.

In het rapport van het Instituut Fysieke Veiligheid, Containercalamiteit: Crisisbeheersing in het Waddengebied (juni 2019), lees ik een ontnuchterende passage. Hoe moet de gebeurtenis geduid worden, was het een ramp, een calamiteit of een incident van aanzienlijke omvang? De onderzoekers houden het op een containercalamiteit, ‘met vervelende gevolgen voor de scheepvaart op de Noordzee en met mogelijk langdurige schade voor het Waddengebied’. En wat was precies het probleem voor de betrokken organisaties, dat er containers overboord waren geslagen, of het grote aantal? ‘Wetende dat er wereldwijd jaarlijks naar schatting tussen de 550 en 1700 containers overboord vallen (op een totaal van ongeveer 130 miljoen containers die jaarlijks worden vervoerd) en in alle wereldzeeën daarvan de resten te vinden zijn, zou het uitzonderlijk zijn als niet ook op een van de drukst bevaren zeeroutes lading in zee terechtkomt.’ Voor Rijkswaterstaat waren het gevaar dat dreigde voor de scheepvaart en de mogelijk ecologische gevolgen belangrijk, voor de eilandburgemeesters de vervuiling, Veiligheidsregio Fryslân bekommerde zich om giftige stoffen en voor de bewoners was er sprake van teleurstelling en boosheid ‘dat een aanvankelijk gehoopt lucratief incident veranderde in een drama; hun geliefde stranden waren vervuild’.

De gevolgen dan. De Waddenacademie schreef in opdracht van Rijkswaterstaat Noord-Nederland een advies voor een monitoring- en onderzoeksplan naar de gevolgen van de verontreiniging op korte termijn en op lange termijn, Wat zijn de gevolgen van de door MSC Zoe verloren lading voor de Noordzeekustzone en de Waddenzee? (mei 2019). Het richt zich in eerste instantie op de effecten van microplastics. Er is in het rapport sprake van 342 containers die met lading en al overboord gingen en ten minste een andere container die een deel van de lading aan polystyreen en pentaan korrels van 0,5 millimeter grootte verloor. Uit deze container zijn vijftien big bags met een gewicht van 11.250 kilo te water gegaan, piepklein materiaal dat nog wordt opgespoord.

En dan zijn daar ook de bolletjes uit de haven van Lauwersoog: Hoge-Dichtheid-Polyethyleen pellets van 4-5 millimeter, gesignaleerd zowel los als verpakt in zakken van 25 kilo. ‘Op basis van 300 metingen aan dichtheden van pellets op de stranden van de Waddeneilanden en de kusten van het vasteland wordt geschat dat er zo’n 24 miljoen pellets (met een totaalgewicht van ongeveer 600 kilo) zijn aangespoeld.’ Het zijn de metingen van Van der Heide en de burgers die ze verrichtten.

Vooralsnog is onbekend welk deel daarvan nog in zee ligt of elders is aangespoeld, samen met andere microplastics, klein van zichzelf of met de tijd klein geworden. Het broedseizoen legt het rapen op sommige plekken momenteel stil, maar het is niemand verboden vanaf zijn strandlaken een bolletje of korreltje mee te pikken.