Essay: Hoe de markt de ethiek verdringt

Niet alles is te koop

Altruïsme, vrijgevigheid, solidariteit en maatschappelijke verantwoordelijkheid zijn geen gebruiksgoederen die op kunnen raken. Een van de tekortkomingen van een marktgerichte samenleving is dat ze deze deugden laat verkommeren. Over bruiloften, cadeautjes, een opslagplaats voor kernafval, en de liefde.

Medium essay voorgeengeldtekoop

Zijn er dingen die niet te koop horen te zijn? Zeker, zullen de meeste mensen zeggen, sommige dingen zijn niet te koop. Neem vriendschap. Stel dat je je vriendenkring wilt uitbreiden. Zou je proberen er een paar vrienden bij te kopen? Als je even nadenkt zie je in dat het zo niet werkt. Natuurlijk kun je mensen inhuren om dingen te doen die vrienden gewoonlijk doen. Als je op reis bent kunnen ze je post uit je brievenbus halen, indien nodig passen ze op je kinderen, en als je er behoefte aan hebt om iemand je sores te vertellen en je opbeurende adviezen te geven, kun je een therapeut inhuren. Zulke diensten zijn allemaal te koop, maar een vriend kun je niet kopen. Door het geld dat er bij de koop betrokken is, lost de vriendschap als het ware op, of verandert in iets anders.

Dit voor de hand liggende voorbeeld biedt ons een sleutel tot de lastigere vraag die ons hier bezighoudt: zijn er dingen te koop die dat niet zouden moeten zijn? Neem een goed dat weliswaar kan worden verhandeld, maar waarvan koop en verkoop in morele zin toch controversieel is – menselijke nieren bijvoorbeeld. Sommige mensen verdedigen een vrije markt in organen voor transplantatiedoeleinden, anderen hebben er morele bezwaren tegen. Om uit te maken of nieren wel of niet mogen worden verhandeld, moeten we dus een moreel onderzoek uitvoeren.

Op het eerste gezicht lijkt er dus een duidelijk onderscheid tussen twee soorten goederen: dingen die niet voor geld te koop zijn (zoals vrienden), en dingen die wel voor geld te koop zijn, maar waarvan niet zonder meer duidelijk is of ze dat zouden moeten zijn (zoals nieren). Dit onderscheid is echter minder helder dan het op het eerste gezicht lijkt.

Blijkbaar is vriendschap niet te koop, maar hoe zit het met tekens van vriendschap? Laten we eens kijken naar een sociale praktijk die veel met vriendschap te maken heeft: bruiloftstoespraken. Traditioneel wordt het bruidspaar in zulke toespraken op een warme, grappige en oprechte manier het allerbeste gewenst. De toespraak wordt doorgaans afgestoken door de getuige van de bruidegom, die meestal ook zijn beste vriend is. Maar het is niet eenvoudig om een stijlvolle bruiloftstoespraak te bedenken, en veel getuigen voelen zich niet tegen die taak opgewassen. Daarom nemen sommigen hun toevlucht tot de aanschaf van een toespraak via het internet.

In Amerika is ThePerfectToast.com een van de belangrijkste web­sites voor door derden geschreven bruiloftstoespraken. Je vult online een vragenlijst in en binnen drie werkdagen ontvang je een professioneel geschreven, op maat gemaakte toespraak van drie tot vijf minuten. De prijs is 149 dollar, die je per creditcard kunt voldoen. Wie zich geen op bruid en bruidegom toegesneden toespraak kan veroorloven, kan zich wenden tot andere websites, zoals InstantWeddingToasts.com, waar je voor 19,95 dollar een standaard bruiloftstoespraak kunt krijgen, inclusief ‘niet goed, geld terug’-garantie.

Stel dat je beste vriend op je huwelijksdag een hartverwarmende toespraak afsteekt, een toespraak die je zo ontroert dat je er tranen van in je ogen krijgt. Later kom je erachter dat hij de toespraak niet zelf heeft geschreven, maar op het internet heeft gekocht. Zou de toespraak opeens minder voor je betekenen nu je weet dat hij door een betaalde beroepsschrijver is geschreven? De meesten van ons zullen daar waarschijnlijk ja op antwoorden. Ook als een gekochte toespraak zou ‘werken’, in de zin dat hij het gewenste effect bereikt, wordt dat effect misschien alleen bereikt omdat er een element van bedrog bij komt kijken. Bruiloftstoespraken zijn goederen die, in zekere zin, kunnen worden gekocht. Maar door ze te kopen en te verkopen veranderen we het karakter ervan en doen we afbreuk aan hun waarde.

Laten we nu eens kijken naar een ander teken van vriendschap: geschenken geven. Bezien vanuit het marktdenken is het bijna altijd beter om geld te geven in plaats van een cadeau. Als we ervan uitgaan dat mensen hun voorkeuren over het algemeen zelf het best kennen en dat cadeaus bedoeld zijn om je vriend of geliefde gelukkig te maken, is geld geven eigenlijk altijd beter. Zelfs als je een verfijnde smaak hebt, kan je vriend de stropdas die je voor hem hebt uitgekozen toch afschuwelijk vinden. Als je het genoegen dat je cadeau iemand oplevert zo groot mogelijk wilt maken, moet je dus geen spullen kopen: geef gewoon het bedrag dat je wilt besteden.

Voor Joel Waldfogel, econoom aan de Universiteit van Pennsylvania, is de economische inefficiëntie van geschenken een zaak waar hij zich met hart en ziel voor inzet. In zijn boek Scroogenomics: Why You Shouldn’t Buy Presents for the Holidays schrijft hij: ‘Waar het op neerkomt is dat andere mensen die voor ons winkelen en onze kleren, muziek of wat dan ook kopen, die waarschijnlijk niet zo goed kiezen als wijzelf. (…) Als we hun cadeaus afwegen tegen de mate van genoegen dat het bestede geld ons had kúnnen geven, zien we dat er sprake is van waardevernietiging.’

Toepassing van het gebruikelijke marktdenken brengt Waldfogel tot de conclusie dat het in de meeste gevallen beter is om geld te geven: ‘De waarde van dingen die we cadeau krijgen schatten we twintig procent lager dan van dingen die we voor onszelf kopen.’

Als geschenken geven zo’n enorm verspillende en inefficiënte activiteit is, waarom gaan we er dan toch mee door? In het kader van de gebruikelijke economische vooronderstellingen is deze vraag niet eenvoudig te beantwoorden. In zijn handboek economie probeert Gregory Mankiw het toch – op een speelse manier. Hij begint met de constatering dat ‘geschenken geven een rare gewoonte is’, maar hij erkent dat het meestal geen goed idee is om je vriend of vriendin op hun verjaardag geld in plaats van een cadeautje te geven. Maar waarom? Mankiws verklaring is dat geschenken geven een manier is om iets te ‘signaleren’, de term die economen han­teren wanneer marktwerking wordt gebruikt om ‘informatieasymmetrie’ te ondervangen. Neem bijvoorbeeld de dure reclamecampagnes van bedrijven die een nieuw product aan de man willen brengen. Die zijn niet alleen bedoeld om klanten rechtstreeks te overtuigen, maar ook te ‘signaleren’ dat het bedrijf voldoende vertrouwen in de kwaliteit van het product heeft om er een kostbare reclamecampagne voor over te hebben. Mankiw suggereert dat geschenken op soortgelijke wijze bedoeld zijn. Een man die erover denkt zijn vriendin een cadeautje te geven ‘weet uit betrouwbare bron dat zij graag zou willen weten of hij echt van haar houdt. Door een mooi cadeau voor haar uit te kiezen geeft hij haar een signaal van zijn liefde.’ Een cadeau uitkiezen kost tijd en moeite, en daarom is de keuze van een mooi geschenk zijn manier om ‘zijn liefde voor haar, waarover hij tot dan toe niet had gesproken, aan haar bekend te maken’.

Het doet een beetje raar en houterig aan om geliefden en geschenken zo op te vatten. Liefde ‘signaleren’ is niet hetzelfde als liefde tot uitdrukking brengen. Door over ‘signaleren’ te spreken gaan we er ten onrechte van uit dat liefde een vorm van persoonlijke informatie is die de ene partij aan de andere doorgeeft. Als dat zo was, zou contant geld hetzelfde effect hebben: hoe hoger de betaling, des te sterker het signaal en des te groter de liefde. Maar liefde is niet uitsluitend, of niet eens voornamelijk, een kwestie van persoonlijke informatie. Als we onze liefde willen uiten, is een mooi cadeau niet alleen bedoeld om onze geliefde te behagen, het cadeau creëert ook een verbintenis met de ontvanger die een zekere intimiteit weerspiegelt. Daarom is een weloverwogen keuze zo belangrijk.

Economen weten heus wel dat geschenken een expressieve dimensie hebben, ook al valt die vanuit de grondbeginselen van hun vakgebied niet te verklaren. Waldfogel vindt dit een bron van inefficiëntie en hij heeft er veel kritiek op. Dus wat motiveert ons volgens hem om een gebruik in stand te houden dat tot enorme waardevernietiging leidt? Zijn verklaring is dat mensen contant geld zien als een ‘smakeloos geschenk’ waar een luchtje aan zit. Hij vraagt zich niet af of ze op dit punt gelijk of ongelijk hebben. In plaats daarvan ziet hij het ‘luchtje’ als een nuchter sociologisch gegeven zonder normatieve betekenis.

De economische analyse van geschenken geven brengt twee onthullende kenmerken van het marktdenken aan het licht. Ten eerste laat ze zien dat deze denkwijze weliswaar waardeneutraal heet te zijn, maar toch bepaalde morele oordelen binnensmokkelt. Waldfogel onderzoekt niet of er aan geld geven terecht een stigma kleeft; hij gaat er eenvoudigweg van uit dat het een irrationeel obstakel is voor zo veel mogelijk nut voor alle betrokkenen. Hij overweegt de mogelijkheid niet dat het stigma dat aan geld geven kleeft wel eens zou kunnen wijzen op normen die het waard zijn gekoesterd te worden, zoals de norm van aandacht die nauw met vriendschap verbonden is. Moreel gezien is het economische pleidooi tegen geschenken geven dus niet neutraal. Het veronderstelt een bepaalde opvatting over vriendschap, een die veel mensen armzalig zullen vinden.

Dit brengt ons bij het tweede onthullende kenmerk van het voorbeeld van geschenken geven. Hoe betwistbaar haar morele aannames ook mogen zijn, de economische manier van denken over geschenken lijkt steeds vaker de juiste te zijn. Gedurende de afgelopen twintig jaar is het geldelijke aspect van geschenken meer en meer aan de oppervlakte getreden. In plaats van naar precies het juiste cadeautje te zoeken geven mensen steeds vaker cadeaubonnen van een bepaalde waarde, die de ontvanger in winkels en warenhuizen kan inruilen. Vanuit het economische denken gezien is de verschuiving naar cadeaubonnen een stap in de goede richting.

Al is vriendschap niet te koop, met geld kun je wel tekens en expressies van vriendschap kopen – althans, tot op zekere hoogte. Eerder zagen we al dat de waarde van bruiloftstoespraken en geschenken niet helemaal verloren gaat als we ze tot handelswaar maken. Wel wordt er afbreuk aan gedaan. De oorzaak van hun waardevermindering is gekoppeld aan de reden waarom vrienden niet voor geld te koop zijn: vriendschap en de sociale gewoonten die haar onderhouden zijn gebaseerd op bepaalde normen, houdingen en deugden. Als we deze gewoonten tot handelswaar maken, verliezen die normen – medeleven, vrijgevigheid, zorgzaamheid, betrokkenheid – hun kracht en vervangen we ze door marktwaarden.

Eerbewijzen kunnen op dezelfde manier worden gedevalueerd. Een Nobelprijs kan niet worden gekocht. Maar hoe zit het met andere vormen van eerbetoon en erkenning? Denk aan de koop en verkoop van plaatsen voor eerstejaarsstudenten op Amerikaanse topuniversiteiten. Stel nu eens dat de meeste plaatsen worden toegewezen op basis van schoolprestaties, maar dat er stilletjes een paar worden gereserveerd om te verkopen. En stel dat er bij de toelatingsprocedure een heleboel factoren worden meegewogen – examencijfers; testscores; buitenschoolse activiteiten; raciale, etnische en geografische diversiteit; sportiviteit; het feit dat de kandidaat het kind is van een afgestudeerde aan dezelfde universiteit – en dat het in elk individueel geval dus lastig is om te bepalen welke factoren doorslaggevend waren. Onder dergelijke voorwaarden zouden universiteiten een aantal plaatsen aan gefortuneerde weldoeners kunnen verkopen zonder inbreuk te maken op de eer op een topuniversiteit te worden toegelaten.

Tegen de verkoop van toegang tot universiteiten kunnen twee bezwaren worden aangevoerd. Het ene bezwaar heeft te maken met eerlijkheid, het andere met corruptie. Het eerste bezwaar houdt in dat universiteiten die kinderen toelaten in ruil voor een royale donatie van hun rijke ouders oneerlijk zijn tegenover aspirant-studenten die de pech hebben in armere omstandigheden geboren te zijn. Wie dit bezwaar aanvoert, ziet een universitaire opleiding als een opstap naar maatschappelijk succes en is bang dat sociale en economische ongelijkheid wordt bestendigd als kinderen van rijke komaf worden bevoordeeld.

Het tweede bezwaar heeft te maken met de integriteit van de universiteit als instituut. Wie dit bezwaar aanvoert, vindt dat hoger onderwijs er niet alleen voor bedoeld is om studenten klaar te stomen voor een lucratieve baan. Universiteiten staan ook voor bepaalde idealen: ze streven naar waarheid, ondersteunen wetenschappelijk talent, houden bij onderwijs en studie rekening met de menselijke invalshoek en cultiveren maatschappelijk bewustzijn. Natuurlijk hebben universiteiten geld nodig om hun doelen na te kunnen streven, maar als de noodzaak tot fonds­werving de boventoon gaat voeren, bestaat het risico dat deze idealen worden ontwricht en dat de normen waar universiteiten hun bestaansrecht aan ontlenen worden gecorrumpeerd. Critici klagen vaak over universiteiten die zichzelf ‘in de uitverkoop doen’. Dat suggereert dat bij het bezwaar van corruptie de integriteit van het instituut in het geding is: een universiteit dient trouw te blijven aan de idealen waarop ze is gegrondvest.

In discussies over wat wel en wat niet te koop hoort te zijn, komen deze twee soorten argumenten keer op keer terug. Het eerlijkheidsbezwaar stelt aan de orde of er wel sprake is van gelijkheid tussen de partijen die op de vrije markt hun keuzes maken; het corruptiebezwaar stelt aan de orde of er menselijke houdingen en normen zijn die door de werking van de vrije markt kunnen worden beschadigd of tenietgedaan.

Het is de moeite waard om wat nader in te gaan op deze twee argumenten in verband met de morele beperkingen van de vrije markt. Het eerlijkheidsbezwaar wijst op de mogelijke onrechtvaardigheid van een situatie waarin mensen dingen kopen en verkopen onder ongelijke omstandigheden of vanuit bittere economische noodzaak. Markt­transacties zouden lang niet altijd zo vrijwillig zijn als aanhangers van de vrije markt suggereren. Een boer uit de Derde Wereld kan een contract sluiten om zijn nier te verkopen, en met het geld zijn hongerende gezin te eten geven, maar deze overeenkomst is misschien niet echt vrijwillig. Door de noodsituatie waarin hij verkeert, wordt hij er misschien op oneerlijke wijze toe gedwongen. Het corruptiebezwaar is van andere aard. Het wijst op het onder­mijnende effect van marktwerking en handel op bepaalde hooggewaardeerde goederen en activiteiten. Wanneer die gekocht en verkocht kunnen worden, corrumpeert dat een aantal morele en maatschappelijke waarden.

Het eerlijkheidsbezwaar en het corruptiebezwaar hebben voor de vrije markt verschillende implicaties. Het eerlijkheidsargument heeft bezwaar tegen het verhandelen van bepaalde goederen, maar niet omdat ze waarde­vol of heilig zijn, of niet in geld zijn uit te drukken; goederen verhandelen is alleen bezwaarlijk als het plaatsvindt onder omstandigheden die zo ongelijk zijn dat er sprake is van een oneerlijke onderhandelingssituatie. Het corruptieargument daarentegen richt zich op de aard van het verhandelde goed zelf en op de normen die erop van toepassing behoren te zijn. Eerlijke onderhandelingsvoorwaarden alleen zijn dus niet voldoende om het te weerleggen. Ook in een maatschappij zonder onrechtvaardige verschillen in macht en rijkdom zijn er nog steeds dingen die niet te koop horen te zijn. Dit is zo omdat de vrije markt niet louter instrumenteel is; ze draagt ook bepaalde waarden uit. En soms verdringen marktwaarden niet-commerciële normen die het waard zijn gekoesterd te worden.

Hoe gaat die verdringing precies in haar werk? De gangbare economische theorie gaat ervan uit dat goederen en activiteiten niet van karakter veranderen doordat ze worden gecommercialiseerd of te koop aangeboden. Markttransacties vergroten de economische efficiëntie zonder de handelswaar in kwestie zelf te veranderen. Daarom staan economen over het algemeen welwillend tegenover het gebruik van financiële prikkels om wenselijk gedrag aan te moedigen. Markt­transacties zijn in het voordeel van beide partijen zonder dat derden erdoor worden benadeeld.

Maar juist deze aanname valt te betwijfelen. Naarmate de vrije markt meer en meer invloed krijgt op levensdomeinen waar van oudsher niet-commerciële normen bepalend waren, wordt de gedachte dat de vrije markt de goederen die er worden verhandeld niet aantast of bezoedelt steeds onaannemelijker. Onderzoek bevestigt steeds vaker wat het gezonde verstand ons ingeeft: omdat financiële prikkels en andere marktmechanismen niet-commerciële normen verdringen, kunnen ze een negatief effect hebben. Soms leidt bepaald gedrag belonen met een geldbedrag niet tot meer van dat gedrag, maar tot minder.

Zwitserland was al jaren op zoek naar een geschikte plek om zijn radioactief afval op te slaan. Hoewel het land in hoge mate afhankelijk is van kernenergie wilden maar weinig gemeenten het afval binnen hun grenzen hebben. Eén locatie die was aangewezen als potentiële opslagplaats was het kleine bergdorpje Wolfenschiessen in Midden-Zwitserland. In 1993, kort voor er een referendum over de kwestie zou worden gehouden, hield een aantal economen een onderzoek onder de 2100 inwoners. Ze vroegen hun of ze vóór de komst van het kernafval zouden stemmen. Bijna alle inwoners zagen de opslagplaats als ongewenst, maar toch verklaarde een krappe meerderheid (51 procent) dat ze hem zouden accepteren. Klaarblijkelijk woog hun gevoel van maatschappelijke verantwoordelijkheid zwaarder dan bezorgdheid over de veiligheidsrisico’s. Vervolgens kwamen de economen met een lokkertje: stel dat het parlement niet alleen besloot de opslagplaats in deze gemeente aan te leggen, maar bovendien aanbood elke dorpsbewoner daar een jaarlijkse financiële vergoeding voor te geven. Zou u het voorstel dan ondersteunen?

De uitslag was dat de steun niet toenam, maar afnam. Door de financiële prikkel daalde de acceptatiegraad van 51 naar 25 procent. Een groter geldaanbod hielp evenmin. De inwoners bleven bij hun standpunt, zelfs toen hun een jaarlijkse vergoeding van 8700 dollar per persoon werd geboden, ruim boven het gemiddelde maandsalaris.

Wat was er in het Zwitserse dorpje aan de hand? De traditionele economische theorie suggereert dat de bereidheid van mensen om een bepaald ongemak te accepteren toeneemt als hun geld wordt aangeboden, en niet afneemt. Maar Bruno S. Frey en Felix Oberholzer-Gee, de economen die het onderzoek hebben uitgevoerd, wijzen erop dat het prijs­effect soms wordt tenietgedaan door morele overwegingen, zoals betrokkenheid bij het algemeen belang. Voor veel dorpelingen was bereidheid om de opslagplaats te accepteren een uitdrukking van maatschappelijke verantwoordelijkheid; ze was een erkenning van het feit dat het land als geheel afhankelijk was van kernenergie en dat kernafval nu eenmaal érgens opgeslagen moet worden. Tegen de achtergrond van hun toewijding aan het algemeen belang ervoeren de dorpsbewoners het geldaanbod als een poging om hun stem te kopen. Van de dorpsbewoners die het geld­aanbod afwezen, schreef 83 procent deze weerzin toe aan het feit dat ze niet omgekocht wilden worden.

Als we denken dat we prikkels bij elkaar kunnen optellen, vergissen we ons. Voor de verantwoordelijke burgers van Zwitserland veranderde het vooruitzicht dat ieder afzonderlijk zou worden omgekocht een vraag van algemeen belang in een financiële kwestie.

De vrije markt heeft de neiging immateriële normen te verdringen, maar waarom moeten we ons daar druk over maken? Om twee redenen: de ene is fiscaal van aard, de andere ethisch. Economisch gezien zijn socia­le normen als sociale verantwoordelijkheidszin en gemeenschaps­gevoel geweldige koopjes. Ze stimuleren mensen tot sociaal nuttig gedrag dat anders heel veel geld zou kosten. Maar als we morele en maatschappelijke normen alleen maar opvatten als goedkope middelen om mensen te motiveren, verliezen we de intrinsieke waarde van normen uit het oog. Als we omwonenden willen bewegen een opslagplaats voor kernafval te accepteren en daarbij uitsluitend vertrouwen op financiële prikkels is dat niet alleen duur, maar ook corrumperend.

Misschien is het bekendste voorbeeld van hoe de vrije markt niet-commerciële normen verdringt een klassiek onderzoek naar bloeddonatie door de Britse socioloog Richard Titmuss. In zijn boek The Gift Relationship uit 1970 vergeleek Titmuss het systeem van bloedinzameling in het Verenigd Koninkrijk, waar al het transfusiebloed wordt afgenomen bij onbetaalde, vrijwillige donoren, met het systeem in de Verenigde Staten, waar een deel van het bloed wordt gedoneerd en een deel door commer­ciële bloedbanken wordt gekocht van meestal arme mensen die hun bloed verkopen om aan geld te komen.

Titmuss kwam met een overvloed aan gegevens, die aantoonden dat alleen al in economische en praktische zin het Britse systeem voor bloeddonatie beter functioneerde dan het Amerikaanse. Markten worden verondersteld efficiënt te zijn, maar volgens hem leidde het Amerikaanse systeem tot chronische tekorten, verspilling van bloed, hogere kosten en een grotere kans op besmet bloed. ‘Commercialisering van bloed en winstbejag hebben de vrijwillige donor weggejaagd’, concludeerde hij. Als koop en verkoop van bloed wijdverspreid zijn, wordt de praktijk van de gratis bloeddonatie ontdaan van zijn morele motivatie. Los van het schadelijke effect op de hoeveelheid transfusiebloed en de kwaliteit ervan leidt afnemende vrijgevigheid ook tot een verschraald moreel en sociaal leven. ‘De kans is groot dat afname van onbaatzuchtigheid op één terrein van menselijke activiteiten gepaard gaat met soortgelijke veranderingen van houdingen, motieven en onderlinge relaties op andere terreinen.’

Kenneth Arrow, een van de meest vooraanstaande Amerikaanse economen uit die tijd, had grote bezwaren tegen Titmuss’ kritiek op de economie en het marktdenken. Daarbij deed hij een beroep op twee vooronderstellingen over de menselijke natuur en het morele leven die economen vaak als uitgangspunt nemen, maar zelden onderbouwen. Het eerste grondbeginsel is dat de commercialisering van een activiteit haar niet verandert. Het tweede grondbeginsel dat ethisch gedrag een goed is waar we zuinig mee moeten omspringen. Daar steekt de volgende gedachte achter: we moeten niet te veel bouwen op altruïsme, vrijgevigheid, solidariteit en maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel, want deze morele gevoelens zijn schaarse goederen die bij gebruik snel ­opraken. Als we voor de toevoer van transfusiebloed vertrouwen op de vrijgevigheid van het publiek zal er minder vrijgevigheid overblijven voor andere sociale of liefdadige doelen.

‘Net als veel andere economen’, schrijft Arrow, ‘wil ik er niet te veel van uitgaan dat eigenbelang kan worden vervangen door ethiek. Ik denk dat een beroep op ethisch gedrag over het algemeen beperkt moet blijven tot situaties waarin marktwerking echt niet te handhaven is. (…) We willen het schaarse goed van de altruïstische motivatie niet roekeloos verkwisten.’

Als deze opvatting over de schaarste van goedheid waar is, is dat nóg een reden om marktwerking in elk levensbereik toe te laten. Als de mate van altruïsme, vrijgevigheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid vastligt, moeten we het gebruik ervan zien te beperken. We zouden meer op de markt moeten vertrouwen en minder op de moraal, om op die manier een schaars goed in stand te houden.

Op mensen die niet erg thuis zijn in de economie komt deze manier van denken over goedheid en edelmoedigheid vreemd, zelfs vergezocht over. Ze gaat voorbij aan de mogelijkheid dat ons vermogen tot liefde en goedheid door gebruik niet wordt uitgeput, maar door liefdevol en menslievend handelen juist sterker wordt. Denk maar aan een man en een vrouw die van elkaar houden. Hoe gelukkig zouden ze zijn wanneer ze in de loop van hun leven weinig van elkaar vragen, in de hoop zo hun liefde in stand te houden? Zouden ze gelukkiger zijn als ze op een berekenende manier met elkaar omgaan en hun liefde opsparen voor tijden waarin ze er werkelijk behoefte aan hebben?

Soortgelijke vragen kunnen we stellen over solidariteit en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Moeten we proberen op gemeenschapszin te besparen en tegen burgers zeggen om gewoon te blijven winkelen, tot hun land van hen een offer voor het algemeen belang vraagt? Of verschralen maatschappelijke verantwoordelijkheid en sociale betrokkenheid juist als we er geen beroep op doen? Veel ethici nemen het tweede standpunt in. In zijn Ethica Nicomachea leert Aristoteles dat we deugdzaamheid kunnen cultiveren door deugdzaam te zijn: ‘We worden rechtvaardig door rechtvaardig te handelen, gematigd door gematigd te handelen, dapper door dapper te handelen.’

De opvatting dat deugdzaamheid een schaars goed zou zijn, voedt het geloof in marktwerking en maakt voor haar de weg vrij naar plaatsen waar ze niet thuishoort. De metafoor is echter misleidend. Altruïsme, vrijgevigheid, solidariteit en maatschappelijke verantwoordelijkheid zijn geen gebruiksgoederen die op kunnen raken. Je kunt ze beter vergelijken met spieren die zich door oefening ontwikkelen en sterker worden. Een van de tekortkomingen van een marktgerichte samenleving is dat ze deze deugden laat verkommeren. Om ons openbare leven te vernieuwen zouden we ons er juist meer in moeten oefenen.


Dit is een voorpublicatie uit Niet alles is te koop: De morele grenzen van marktwerking van de Amerikaanse politiek filosoof Michael J. Sandel (uitgeverij Ten Have, € 22,50).

Voor een interview met Sandel zie www.groene.nl