Het vuil, de stad en de dood

Niet antisemitisch genoeg

Vijftien jaar geleden mocht hij er niet heen. Hij werd zelfs — zes uur lang — in een politiecel opgesloten toen hij toch probeerde de besloten voorstelling van ‹Het vuil, de stad en de dood› te zien. Nu zag Max Arian eindelijk Fassbinders omstreden toneelstuk in de regie van Johan Doesburg bij Het Nationale Toneel in Den Haag: een heel mooie voorstelling, maar niet antisemitisch genoeg.

Kan dat? Verontwaardigd zijn omdat je niet verontwaardigd bent? Geschokt zijn dat je niet geschokt bent? Het was zaterdag een keurig nette première in de Koninklijke Schouwburg in ’s-Gravenhage. Jeltje van Nieuwenhoven was er. En Hans Dijkstal. Haagse notabelen dronken champagne na afloop. Hapjes. Kusjes in de lucht en opgewekt gebabbel. Zoals het hoort. Maar niet als het beruchte stuk Het vuil, de stad en de dood van Fassbinder eindelijk wordt opgevoerd.

Het is 27 jaar nadat filmregisseur en toneelschrijver Rainer Werner Fassbinder het stuk heeft geschreven, Het is zeventien jaar nadat in Frankfurt Ignatz Bubis en andere joodse notabelen de opvoering van het stuk onmogelijk maakten door met hun weldoorvoede bipsen het toneel te bezetten. Het is zestien jaar nadat een reading-met-discussie-na in de Amsterdamse Balie eindigde met de welgemeende conclusie dat opvoering alleen kon plaatsvinden met veel voorbereiding, waarborgen en begeleiding. Het is vijftien jaar nadat jonge joodse actievoerders uit Amsterdam-Buitenveldert onder de leuze Alle Cohens aan dek helemaal naar Rotterdam reisden om te voorkomen dat het stuk werd gespeeld als afstudeervoorstelling van de jonge regisseur Johan Doesburg. Nu is hij artistiek directeur van een van de grootste toneelgezelschappen van Nederland. Maar zijn droom, ooit dat verfoeide stuk van Fassbinder spelen, heeft hij nooit opgegeven, en warempel, het kan, zonder acties, zonder problemen, zonder zelfs maar een wenkbrauw die wordt opgetrokken.

Is Nederland zo veranderd dat het stuk plotseling gevaarloos is geworden? Hebben de Nederlandse joden nu zoveel andere zorgen aan hun hoofd? Is Nederland zo cynisch geworden — na Srebrenica, 11 september, de opkomst van en moord op Fortuyn, en zoveel ander zinloos geweld — dat niets ons nog raakt? Of is het slim van Johan Doesburg om precies vijftien jaar, een halve generatie, te wachten met een nieuwe opvoering van het stuk? De actievoerders van toen zijn nu immers brave gezinshoofden en hun zoontjes zijn nog niet oud genoeg om zelfstandig de trein naar Den Haag te nemen. Rabbijn Soetendorp en Ronny Naftaniel van het Cidi laten bij voorbaat weten dat ze nu niets tegen deze opvoering zullen ondernemen. Ze nemen ook niet de moeite om te komen kijken of het stuk in deze opvoering antisemitisch is. In elk geval kan ik ze geruststellen: antisemitisch is het niet, misschien zelfs te weinig antisemitisch.

Het was om verschillende redenen voor mij extra spannend. Fassbinder is in mijn ogen veruit de sterkste naoorlogse Duitse cineast, een man die in zijn films de etterende wonden die worden veroorzaakt door crisis, nazisme, oorlog, wederopbouw, aanpassing en verzet opensnijdt. Ik was daarom in januari 1986 bij de reading van het stuk in De Balie en ik schreef daar ernstig en genuanceerd over in De Groene: wat vond ik het prettig niet in Frankfurt te wonen, maar in een land waar dit soort dingen rustig kunnen worden opgelost.

Toen in november 1987 de Fassbinder-rel losbarstte, na de aankondiging dat de Theaterschool het stuk zou spelen, was ik in een vreemde positie. De Groene vroeg me er iets over te schrijven, maar ik wilde eerst de voorstelling zien. Ik wilde niet bij voorbaat oordelen over iets wat ik niet kon kennen. Hadden anderen er ook maar zo over gedacht, maar het omgekeerde gebeurde. Joodse voormannen die het stuk niet eens hadden gelezen, stelden zich voor de televisie aan het hoofd van de actievoerders en wilden dat de voorstelling die niemand nog had kunnen zien, werd verboden. Er werd een compromis gesloten tussen theater makers en joodse organisaties: er zou in Rotterdam één besloten voorstelling plaatsvinden, uitsluitend voor theatermensen en leden van joodse en antifascistische organisaties. Journalisten mochten onder geen beding naar binnen.

Ik leek de enige journalist te zijn die bezwaar had tegen die discriminerende afspraak. Misschien omdat ik niet in de rel maar in de voorstelling was geïnteresseerd. De verslaggevers namen er genoegen mee buiten het theater de sfeer te beschrijven. Het was nogal saai en zij waren maar al te blij dat er één gewelddadig voorval plaatsvond: vijf politieagenten sprongen op mijn rug toen ik quasi-achteloos probeerde het theater binnen te lopen. Wat er gebeurde, begreep ik pas toen ik in een politiebusje zat en zag dat mijn tas angstig werd doorgegeven van agent naar agent, alsof er een bom in zat. Ik werd aangezien voor een slimme Palestijnse terrorist die in één klap de hele top van joods Nederland had willen uitschakelen. Als gevaar voor de openbare orde verdween ik voor de duur van de voorstelling en de discussie erna in de cel. De Theaterschool-voorstelling heb ik nooit gezien; verdere opvoeringen werden afgelast.

Maar ik kon het stuk toch lezen? Ja, natuurlijk. Het is niet moeilijk voor iemand die deze moeite doet om te constateren dat het een brokkelige maar prachtige tekst is over hoeren, homo’s, travestieten, joden, politieagenten, neo- en ex-nazi’s in een grote stad die steeds meer onleefbaar wordt, omdat politici, bouwers en speculanten er huishouden. Een tekst die ongerijmd is en tegen alle haren in strijkt, maar die allerminst antisemitisch is. Integendeel, hij waarschuwt voor nieuwe, naoorlogse vormen van antisemitisme. Het stuk is poëtisch en paradoxaal, de personages hebben tegenstrijdige kanten en maken absurde ontwikkelingen door. Het is een schokkend stuk en het moet schokkend zijn. Maar wie schokt het en waarom?

In Nederland was men in 1987 al geschokt vóór men het had kunnen zien. De beschuldiging van antisemitisme was genoeg om de angst voor antisemitisme op te wekken. Met het afgelasten van de voorstelling was de rel nog niet afgelopen. Er waren berichten over dreigbrieven aan joodse gezinnen. Over de toneelspeler Jules Croiset, die zich luidruchtig bij de actievoerders tegen het stuk had aangesloten en was ontvoerd door neonazi’s — maar zichzelf ontvoerd bleek te hebben. 6.000.000 + 1 hadden niet zijn ontvoerders op zijn arm gezet, maar hijzelf. Croiset wilde ook bij de joodse slachtoffers horen, en ik realiseerde me dat dit is wat we allemaal lijken te willen. We willen de Tweede Wereldoorlog op een tamelijk ongevaarlijke manier overdoen: door je slachtoffer te voelen van antisemitisme of van censuur, door actie te voeren voor of tegen een toneelstuk, door heldhaftig de strijd tegen antisemitisme aan te gaan, ook al moet je dat spook zelf oproepen, en door verzet te plegen. Dat gold ook voor mij toen ik boos in mijn cel zat vanwege mijn kleine verzetsdaadje. Wat de affaire-Jules Croiset ook aantoonde, maar wat we eigenlijk al konden weten: verzet tegen antisemitisme is goed, maar kan vormen aannemen die meer angst veroorzaken dan datgene waar men zich tegen wil verzetten.

Toch wil ik niet zeggen dat wat sinds 1987 de «Fassbinder-rel» heet niets goeds teweeg heeft gebracht. Er is een bijna onzichtbaar barstje aangebracht in het beeld van een tolerant, ruimhartig, humaan Nederland. De debatten rakelden een oud probleem op: hoe kan het dat vanuit het tolerante Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog zoveel méér joden naar de vernietigingskampen zijn gedeporteerd dan vanuit landen als België en Frankrijk? Is Nederland wel wat het zo graag wil lijken, is dit land niet net zo goed vatbaar voor antisemitisme en rassenwaan? Zelfs zonder in het openbaar gespeeld te zijn, veranderde Fassbinders stuk iets in de Nederlandse samenleving en bracht een beetje meer wantrouwen, een beetje meer realisme, misschien wat minder hypocrisie. Wat mijzelf betreft: ik zal nooit meer zo gemakkelijk kunnen schrijven dat ik blij ben niet in Frankfurt maar in Amsterdam te wonen.

In 1993 ging ik naar datzelfde Frankfurt. Een vergadering van het Internationale Auschwitz Comité gaf me de kans Ignatz Bubis te interviewen, de onroerendgoedmagnaat en speculant, die model heeft gestaan voor het personage in het stuk van Fassbinder dat de meeste kritiek oproept: «de rijke jood». Er was ook in het leven van Bubis veel gebeurd nadat hij acht jaar eerder met een aantal andere Frankfurtse joden de opvoering van Fassbinders stuk onmogelijk had gemaakt. Hij was voorzitter geworden van de Centrale Raad van Joden in Duitsland en in die functie deed hij scherpe uitspraken over rassenhaat en rechts extremisme. Conservatief of niet, hij was een van de scherpste critici van de regering-Kohl, toen die veel te aarzelend optrad bij een golf brandstichtingen en aanslagen tegen asielzoekers en andere buitenlanders.

Bubis bleek intelligent, geestig en welbespraakt. Hij bleef bij zijn kritiek, maar liet zich niet door een buitenlandse journalist uitspelen tegen Kohl en de Duitse regering. Hij vond de bondskanselier in zijn optreden niet gevoelloos, eerder hulpeloos. Hij was er briljant in vragen met tegenvragen te beantwoorden en al vragende toch door te denken over mijn vraag.

Ik vond het raar dat Kohl had gezegd dat Duitsers «ausländerfreundlich» zijn. Bubis’ antwoord: «Wat is vriendelijk, wat is niet-vriendelijk? Wat is vijandelijk? Is het voldoende als iemand niet vijandelijk is tegenover vreemdelingen? Ik zou het zo willen zeggen: de meeste Duitsers staan niet vijandig tegenover vreemdelingen. Of dat ook betekent dat ze vriendelijk zijn tegenover hen, dat weet ik niet.»

Ik voerde aan dat hij nu samenwerkte met vroegere linkse tegenstanders zoals Daniel Cohn-Bendit. Bubis: «Natuurlijk. Ik ben niet veranderd; zij zijn veranderd. Ze hebben me mijn beroep verweten, maar ik ben nog altijd speculant. Ik vind het alleen niet prettig als ik een joodse speculant word genoemd.»

Ik stelde de pijnlijke vraag of hij werkelijk boos was op Fassbinder en diens stuk. Bubis: «Natuurlijk. Hij was een antisemiet. Fassbinder was een linkse fascist.»

Ik zei dat het ook een heel poëtisch stuk was.

Bubis: «Dat kan wel zo zijn, maar dat is dan poëzie voor ú. U bent niet in Auschwitz geweest. En vertelt u niemand die wel in Auschwitz is geweest dat dat stuk poëtisch is.» En na een lange stilte: «Fascisme is geen privilege van rechts. Er bestaan zeer veel linkse fascisten. Ook in Frankfurt.»

Ik was midden in het stuk van Fassbinder beland. Bubis zei dingen die ik niet wilde horen maar waar ik wel over door moest denken. Ik zag dat Fassbinder geen karikatuur maar een fraai portret van hem had getekend als een lucide zakenman die zich precies bewust is van zijn positie als jood in het naoorlogse Duitsland. Mijn verlangen om na de hoofdpersoon ook het toneelstuk in het echt te zien, werd nog groter.

Nu is het zo ver. Ik word niet geweigerd bij de kassa. Iedereen mag erin. Het begin van het stuk is prachtig. We horen grotestadsgeluiden. Er wordt gesloopt en gebouwd. We zien grijze vlakken, als ijzeren balken of betonnen zuilen, door het beeld schuiven. Er blijken mensen achter verborgen te zitten, kleumerige hoertjes, ongeïnteresseerde klanten. De meisjes zijn tegelijk concurrenten en collega’s van elkaar. Ze praten op een raadselachtige manier over verraad, liefde, sterven, de zinloosheid van het leven. Een van die meisjes, degene die de minste klanten trekt, is Roma B. Zij heeft het extra koud, omdat zij weet dat haar pooier niet meer van haar houdt. Hij slaat haar niet meer. Zij gelooft in een God die net als zij een hoer is die zich voor Zijn liefde laat betalen. De Roma B. van Marie-Louise Stheins is tegelijk kwetsbaar en eerlijk, ongelukkig en waardig. Zij zoekt wanhopig haar weg in deze stad en verliest alle grond wanneer het haar eindelijk beter gaat, omdat zij een verhouding krijgt met de rijke jood. Nu heeft zij geld, maar haar sadomasochistische pooier verliest elke interesse in haar, want hij wilde haar alleen maar vernederen. Zij wordt geconfronteerd met haar vader, de oude nazi Müller, die als een afstotelijke travestiet in een rood minirokje Zarah Leander-schlagers zingt en vroeger verantwoordelijk was voor de dood van de ouders van haar joodse weldoener. Maar zij hoort ook wat een neonazi zegt over de rol van de rijke jood in de stad: de jood heeft schuld, omdat hij de macht heeft anderen zich schuldig te laten voelen. Daar maken de banken en de machtigen in de stad gebruik van door hem naar voren te schuiven bij hun machinaties.

Ik had na afloop gemengde gevoelens over de voorstelling. We zien de stad en haar bewoners, we kunnen de wanhoop van Roma B. begrijpen. Maar er is ook veel wat we niet te zien krijgen. Lou Landré speelt «A. die de rijke jood wordt genoemd» als zo’n brok beton waarmee de onroerendgoedhandelaar zijn wolkenkrabbers bouwt. De echte Frankfurtse onroerendgoedhandelaar en ook de rijke jood uit de geschreven tekst zijn veel speelser, geestiger, filosofischer, ja, en ook joodser dan wat ik nu zie. Zonder zijn lucide spel met zijn joods-zijn verliest het stuk een deel van zijn betekenis. De antisemitische uitspraken van de andere personages blijven in de lucht hangen. Deze stad is onleefbaar voor hoeren en armoedzaaiers. Maar wat hij met joden doet, zien we niet.

Fassbinder heeft een veellagig einde aan zijn stuk geschreven. De rijke jood doodt Roma B. maar wordt niet vervolgd voor moord, omdat de stad hem nodig heeft. De ex-pooier van Roma B. is als verdachte geschikter: hij is een sadist en een masochist, die haar onbarmhartig sloeg, maar wij weten dat hij niet de moordenaar is. Wij weten ook dat de rijke jood het hoertje uit mededogen heeft gedood. De hoofdcommissaris van politie en de politici kunnen dat niet weten. Een overijverige getuige wordt uit het raam gemieterd en komt bijna op het hoofd van de rijke jood terecht. Hij heeft weer eens geluk gehad. Het is jammer, maar ik voel geen boosheid. Niet op de voorstelling, het stuk, de rijke jood of op zijn stad. Alleen door dwars door het antisemitisme heen te gaan, valt dit stuk te begrijpen en heeft het zijn volle betekenis. Maar misschien is dat na alle vroegere intimidatie onmogelijk geworden. Dus moeten we het doen met een mooie, prettige en daarom uiteindelijk teleurstellende Haagse toneelavond waar niemand door geschokt kan worden.

Het vuil, de stad en de dood wordt tot begin 2003 overal in Nederland gespeeld, van 3-6 november 2002 in de Amsterdamse Stadsschouwburg.

Informatie: 070-3181444 of www.nationaletoneel.nl.