Opheffer

Niet assimileren

De afstudeerscriptie van mijn dochter ging over Indië. Of eigenlijk: Indonesië. De titel is te lang om hier te citeren. ‘Goh, je hebt over Indië geschreven’, zei ik.

‘Dat doe jij toch ook altijd’, antwoordde ze.

Indië – als dat woord valt, schaam ik me altijd enigszins.

Waarom? Indië was het paradijs van mijn ouders, dat verstoord werd door een oorlog waar ze verslagen en verwond uit waren gekomen, al hadden ‘wij’ de oorlog gewonnen; Indië was het land waar mijn vader nog geacht en geëerd werd, en niet gekleineerd zoals in Holland, om zijn afkomst en zijn kleur. Indië was een lieve grootmoeder die slecht Nederlands sprak. Ik was van na Indië. Ik was de hoop die ik niet kon inlossen, ik was tegelijkertijd de hopeloze poging nog iets te maken van het leven na de oorlog en na Indië. Ik was uit mislukking en teleurstelling geboren, zeg ik wel eens, en daardoor tot mislukken gedoemd; kon ik dat verdomde, sentimentele, zoetgevooisde Indië maar uit mijn bloed filteren. Ik was Amsterdammer, Nederlander, Amerikaan, Engelsman, Fransman, desnoods Italiaan, maar zeker geen Indischman.

(‘Hé poepchinees, geef die bal hier!’ hoorde ik altijd op het voetbalveld. Nooit erg gevonden. Eerder leuk. Ik was iets wat ik ook weer niet was.)

Indië – het had iets schlemieligs. Iets zieligs. Indische mensen, mijn ooms en tantes, de koempoelans waar het falen over elk tempo-doeloegesprek hing.

Mijn dochter heeft mijn agressie nooit begrepen en vindt alles wat met onze oud-koloniën te maken heeft ‘leuk’. Alles waarvoor ik me schaam, vindt zij ‘grappig’. Zij begrijpt niet waarom ik ‘er niets van wil weten’. Ze is – ik durf het bijna niet te schrijven – trots op haar kleurtje. Ze ging ook naar de zogenoemde Asia Parties voor de jeugd. Dat vond ze ‘gezellig’.

Ik moet aan Indië denken als ik de Turkse premier Erdogan hoor praten. Hij zegt dat Turken in het buitenland wel moeten integreren maar niet moeten assimileren. Aanvankelijk maakte ik me hierover kwaad, maar al na een paar minuten was dat gezakt.

Hij heeft gelijk.

Althans, wat er fout aan zijn betoog was, is het woord ‘moeten’ toen hij sprak over assimileren. Hij had moeten zeggen: je moet integreren en het zou verstandig zijn als je niet al te veel assimileert. Als de Indische Nederlanders volkomen waren geassimileerd zou er geen Indische keuken zijn. Er zou ook geen Indische literatuur zijn. Dus: door niet al te veel te assimileren behoud je de rijkdommen van een cultuur.

Identiteit, eigenheid, oorspronkelijkheid zijn vage begrippen – je mag ze naar eigen goeddunken inkleuren – en je hoeft niet eens binnen de lijntjes te blijven want die bestaan niet. Maar…

Als ik naar mijn vader kijk – na al die jaren – dan neem ik hem eigenlijk kwalijk dat hij te veel assimileerde. Net als ik wilde hij Hollandser zijn dan Hollands. Aanpassen uit onmacht en – laat ik eerlijk zijn – uit angst. Want niet aanpassen zou uitgelegd kunnen worden als verzet. Ik vermoed dat hij het verschil tussen integreren en assimileren niet goed doorhad. Assimileren zouden we meer moeten zien als het behouden van je eigen rijkdom. Iemand die Duitse ouders heeft en Duits leest en schrijft, heeft toegang tot ‘extra kennis’ als hij in Nederland is: hij kan putten uit een rijke cultuur waaruit hij makkelijker kan graaien dan ik. In Amerika, zo viel me op, zijn de verschillende nationaliteiten volkomen geïntegreerd, maar ze hebben nog ‘eigen gewoontes en gedragingen’. De Ieren hebben St Patricksday, de Italianen vieren wat anders, de Indianen hebben ook nog hun eigen cultuur. Maar iedereen houdt zich aan de Amerikaanse grondwet en is opgegaan in het geheel. Het suikerfeest: prima, ik vier zelf sinterklaas, hoewel ik niet geloof. Ik geloof niet dat ik daar ooit een punt van heb gemaakt. En wil iemand geen zwarte pieten omdat dat discriminerend is, ook goed, dan geen pieten, of gele pieten, of gewoon niet zeuren en toch zwarte pieten. Ieder binnen zijn eigen clubje.

Ik bezing al jaren de lof der onaangepastheid. Laten we wel wezen: we lijken al te veel op elkaar. We plagiëren en kopiëren alsof het een lieve lust is. Omdat we ons willen aanpassen en niet uitzonderlijk willen zijn. Niet assimileren zorgt voor een groot deel voor een natuurlijke onaangepastheid die heilzaam is voor een ieder.