Theodor Holman over het verzet van Hans Teeuwen

‘Niet bang zijn hè!’

Zeven jaar na de dood van Theo van Gogh stond Hans Teeuwen eindelijk weer op het Nederlandse podium, met Spiksplinter. Op de snijtafel lagen niet meer zijn eigen angsten, maar die van deze tijd.

Medium 11904494

Het gaat vaak zo. Hans belt je op en onmiddellijk nadat je hebt opgenomen, begint hij te praten. ‘Dus ik kom het toneel op lopen en ik zeg…’ Wat hij heeft bedacht, probeert hij op je uit. Hij luistert niet alleen of je lacht, maar ook waar je lacht. Hij wil dat jouw lach precies komt op het moment dat hij dat wil. Hij toetst zijn conferences niet alleen op jou, maar op zijn hele vriendenkring. Het komt dus ook voor dat hij een lied begint te zingen. En niet zelden belt hij je op het midden van de dag, of aan het eind van de middag, vanuit zijn bad. Dat zegt hij niet, maar tussen de zinnen door die dan een eigenzinnige galm hebben, hoor je hem de warm­waterkraan aanzetten en het water lopen.

Na de moord op Theo van Gogh begreep Hans dat de ‘sabbatical’ die hij wilde houden meer dan het jaar zou duren dat hij ervoor had uitgetrokken. Hij was net gestopt met Industry of Love.

Je zou achteraf kunnen stellen dat die moord er meer bij hem heeft ingehakt dan men vermoedde en misschien een verklaring vormt waarom hij zeven jaar niet op het toneel verscheen. Voor de moord waren Teeuwen en Van Gogh de dikste vrienden. Ze zagen elkaar bijna dagelijks. Van Goghs productiebureau Column was vlak bij de woning van Hans en een prettige hangout. Hans en Theo hadden wilde filmplannen. Er waren in die tijd altijd plannen.

Ik herinner me een avond, ongeveer een week voordat Van Gogh werd vermoord. We zaten bij Hans thuis. We, dat waren Gijs van de Westelaken, mijn vriendin Tanne, Hans en Theo. Theo had nu eens zijn arm om Gijs geslagen, dan weer bedelde hij om een joint bij Hans. Er waren net honderd draaidagen afgesloten en Theo zat midden in de montage van de film 06/05. Theo – die ook weer met drinken was begonnen – meende, steeds serieuzer, om de tien minuten mijn vriendin te moeten aanspreken met de verordening dat zij ‘heel lief’ voor mij moest zijn en dat we moesten trouwen. Er werd wijn, bier en cola gedronken. Hans draaide trouw de joints die hij en Theo oprookten. Theo genoot zichtbaar van het stoned zijn. Hans was ongemeen grappig. De ene prachtzin na de andere rolde er uit zijn mond, en af en toe zong hij een nonsensliedje dat hij ter plekke bedacht. Ik herinner me de zinnen: ‘Marijke Merckens laat je kut zien aan de kind’ren van Afghanistan, ahoy, ahoy.’ Van Gogh hikte van het lachen. De joints zullen daar debet aan zijn geweest. ‘Draai er nog eens één’, vroeg Theo steeds aan Hans.

Het was voor de anderen duidelijk dat Hans en Theo elkaar inspireerden. Er werd gesproken over een registratie van Hans’ show Industry of Love, want dat wilde Theo graag, maar Teeuwen had daar zijn bedenkingen bij. Theo had ook een registratie gemaakt van een voorstelling van Eric van Sauers, maar had toen Eric alleen maar close-up in beeld gebracht want ‘film is close-up’, zoals Van Gogh graag mocht zeggen. De discussie tussen Hans en Theo liep even gemoedelijk hoog op, maar verstomde snel, vooral omdat Theo de staat van ‘steen’ bijna letterlijk had bereikt. Hij inhaleerde diep de dikke reverse die Hans voor hem draaide en die Theo ten slotte alleen oprookte. Vervolgens keek hij ons dan een voor een broeierig aan. Wij kenden dit van Theo. Op een gegeven moment zouden zijn ogen luiken en zou hij op de bank bij Hans in slaap vallen.

Gijs, Tanne en ik verlieten de woning, en later zou Hans vertellen dat Theo nog anderhalf uur zwijgend, maar rokend naar Hans had zitten staren.

Het was ook de laatste ontmoeting van die twee vrienden geweest.

Na de moord was Hans van slag. Hans, die al veel vrienden had verloren, waaronder zijn cabaretpartner Roland Smeenk, wilde dat de dood even uit zijn geest zou waaien. En de omstandigheden waaronder Van Gogh was vermoord, voelde hij op hem drukken.

’Ik wil blijven zeggen wat ik wil, ik kan toch moeilijk mijn publiek gaan controleren op messen of pistolen?’ zei hij in die tijd wel eens.

Hij wilde iets anders doen. Maar wat?

Het is grappig om een kunstenaar werk te zien vinden, terwijl hij niet meer wil werken. Na de moord op Theo zagen ‘de vrienden van Van Gogh’ elkaar veel. Freek de Jonge sprak over een ‘sekte’ en leek niet te begrijpen dat die moord ons op vele manieren had beïnvloed. Als ik Hans zag, spraken we over wat er aan de hand was. Fortuyn, Van Gogh, Mohammed B., de koran, de bijbel – alles wat toen speelde. En we keken films, want Hans was en is filmverslaafd. We bekeken vaak hetzelfde. Bijvoorbeeld The Office van Ricky Gervais, maar ook alles van Steve Googan, en natuurlijk veel, heel veel Andy Kaufman en Frank Sinatra.

Al had Hans geen zin meer in optreden, hij bedacht steeds ‘dingetjes’. Scènes, regeltjes, deuntjes, ‘typetjes’ met een eigen taal. Soms verzon hij halve filmscenario’s. Soms hele. Het kwam allemaal in het schetsboek in zijn hoofd terecht.

‘Schrijf het nou op.’

‘Nee, ik onthoud het wel.’

En dat was ook zo.

Was alles even leuk en goed? Nee. Ik heb Hans een jaar lang een bepaald onsmakelijk geluidje horen maken met z’n tong, wangen en lippen (ik weet niet precies hoe hij het deed), waar hij zelf nogal verguld mee was, maar de omgeving niet. Dat geluid klonk als een mondscheet: ‘Flwooit.’

‘Theodor?’

’Ja?’

‘Flwooit!’

Of: ‘Theodor?’

’Ja?’

‘Heb je je billetjes goed gewassen?’

‘Altijd, Hans.’

‘Flwooit!’

En dat dan in duizend variaties, een jaar lang.

Ik vroeg wel eens: ‘Je wilt toch het toneel niet meer op als cabaretier?’

‘Nee. Flwooit!’

Op een avond bedacht Hans de film Masterclass. Een komisch docudrama. Studenten aan de toneelschool werd wijsgemaakt dat ze echt een masterclass mochten volgen van ‘goeroe’ Peer Mascini en onder leiding van Pierre Bokma. Hans regisseerde de film. Het was docudrama à la The Office. De film werd zeer goed gerecenseerd en kreeg een nominatie voor een Gouden Kalf.

Maar bij Hans trok toch weer het toneel.

Hij ging naar Engeland en Schotland (het Edinburgh-festival) – in Nederland wilde hij echt niet meer optreden – en kreeg weer meer dan goede recensies. In Edinburgh werd hij een ‘must see’.

Een paar weken geleden nog, op 27 mei, stond er opeens weer een stuk over hem in The Guardian, geschreven door Leo Benedictus. Ze missen hem daar. Het artikel handelde over Hans’ Engelse show die op dvd te koop bleek: ‘A lot of the time I watch in silence, trying to follow what he’s saying… but then laugh uncontrollably at the moment I give up. That’s what Teeuwen creates: the laughter of intoxication, the laughter of letting go. It’s the best laughter of them all.’ Die dvd is zo zeldzaam geworden dat hij nu vijftig euro kost. Er is ondertussen een groeiende schare Engelse fans die hem aanbidt. Maar aanbiedingen om tournees door heel Engeland te maken, sloeg Hans af. Hij zag ertegenop om maandenlang langs de Engelse kust te moeten trekken in voor hem onbekende zalen.

Ook in New York trad Hans met succes op. Daar was het publiek nog echt geschokt, wat raar was om te merken.

Als Hans in Nederland was, at hij in Keijzer met ondergetekende en Pierre Vinken. We woonden vlak bij elkaar. Pierre Vinken (toen 80) kenden we via Theo van Gogh, hij was de baldadige neurochirurg en uitgever van Elsevier die het bedrijf van vijf miljoen gulden naar meer dan 25 miljard had weten op te stoten en die tevens een grote culturele belangstelling had. Met Pierre aan tafel zitten, was over ‘alles’ praten. Dat was ook de afspraak. Je moest elkaar college geven. De gesprekken gingen dus ook over alles. Van iconografie tot nieuwe definities van kanker, van wat een grap is of een goede conference tot hoe schrijf ik een column; Otto Weininger, Freud en Panofsky, Jan Emmens, Theo Sontrop, H.J.A Hofland, Jan Blokker en Piet Grijs, Freek de Jonge, Youp van ’t Hek en Dolf Jansen kwamen met enige regelmaat ter sprake, evenals de monarchie, het kapitalisme, religie en idealisme, cabaret versus toneel, transvet en het eten van vezels. Hans en ik gedroegen ons met genoegen als discipelen als Pierre weer eens de kromme van Gauss op zijn servet tekende of, om hersenbeschadigingen te illustreren, de ­parahippocampus die onder de hippocampus ligt bij de amandelen met in het midden de ­thalamus waaromheen de schorswinding zit.

Als Hans wat had bedacht, trad hij even met dat nummer voor ons op in die serre van Keijzer. Pierre begreep niet waarom Hans niet meer wilde optreden toen hij op een gegeven moment hoorde wat Hans met zo’n show kon verdienen.

Pierre zou daar elke dag even op terugkomen, en ondertussen gingen de gesprekken weer over Nietzsche, het gebruik van ritalin, en werden er recepten uitgeschreven voor oxazepam, temazepam of nitrazepam, want ’s nachts, als we elkaar hadden verlaten, gingen de gesprekken tot vervelens toe in ons hoofd door. En we spraken trouwens ook over de ‘oude’ shows van Hans. Waar gingen ze over? Wat was zijn humor?

Wat ‘humor’ is, is vrijwel onmogelijk uit te leggen, in tegenstelling tot de thema’s van zijn shows. Die gaan namelijk over angst, dood, eenzaamheid, de onmogelijkheid tot het maken van contact. Hans verbeeldt neurosen en neurotici. Pierre Vinken, die ook psychiater was, maar de psychiatrie geen wetenschap vond en er dus niets meer mee te maken wilde hebben, legde wel eens uit hoe hij neuroses zag: ‘Het inadequaat, op gestoorde wijze, omgaan met problemen.’

Hans’ ‘typetjes’ balanceren op de rand van hysterie; ze kunnen geen keuzes maken, of ze maken de verkeerde keuzes. Vaak zijn ze anaal gefixeerd. Op YouTube, waar honderden fragmenten van Hans te zien zijn, kun je ze tegenkomen. In zijn eerste show – nog met partner Smeenk en waarmee Cameretten 1991 werd gewonnen – zat al ‘de psychopaat’. Een keurige man, die opeens een vork in het oog van een vrouw steekt. In zijn show Dat dan weer wel zit ‘Naakt thuis’. Een man die eerst een vrouwen­onderbroekje aantrekt, voor de spiegel gaat staan, naar zijn billen kijkt terwijl hij het broekje strak tussen de bilspleet trekt, dan een half gesmolten Mars tussen zijn bilspleet wurmt, weer in de spiegel kijkt en vervolgens zijn moeder belt: ‘Mam, jij raadt nooit wat ik tussen mijn billetjes heb…’

De personages van Hans zijn in paniek of raken in paniek, of zouden in paniek moeten raken. Het zijn psychopathische persoonlijkheden die zichzelf bijna naar een psychose toe werken. Ze zijn voorstelbaar in hun gewoonheid maar onvoorspelbaar in hun gedrag. Ze schrikken zelf van wat ze denken en doen, en jij schrikt als toeschouwer eveneens van hun krankzinnige visies of handelingen die net niet doorslaan tot totale gestoordheid. Maar dan ook echt nét niet! We lachen niet alleen om hun kolderieke gedrag, maar ook omdat wij al iets ‘zien’ wat ze zelf nog niet doorhebben: hun tragiek, hun eenzaamheid, hun doodsangst en de consequenties van hun gestoordheid.

Een mooi voorbeeld is ‘De badmeester’ in het programma Trui. ’Ik zou wel badmeester willen zijn. Badmeester, met een mooi wit pak. En met een fluitje. En dan de hele dag op zo’n hoge stoel zitten wachten tot er iemand verdrinkt.’

De badmeester filosofeert over zijn vak, over z’n fluitje dat ’s nachts op het nachtkastje moet liggen, want ‘badmeester ben je 24 uur per dag’. De badmeester ergert zich: ‘Ik vind het stuitend dat er tegenwoordig een nieuwe generatie badmeesters is met zo’n mentaliteit van… soms kan je je fluitje ook wel even op een andere plek neerleggen… Waar ben je mee bezig, denk ik dan!… Zal je zien, in een crisissituatie heeft-ie z’n fluitje nodig en dan is het van: o, waar is mijn fluitje, o, waar is mijn fluitje, o, waar is mijn fluitje, mag ik jouw fluitje lenen? Nee!!’ De badmeester vertelt vervolgens dat je ook goed op de hoogte moet zijn van het reilen en zeilen in het zwembad, want soms komen mensen om informatie vragen. ‘Je moet de mensen op een beleefde manier te woord staan… dan komt er iemand naar je toe en die vraagt: mijnheer de badmeester, mag ik u een vraag stellen, dan zeg je “maar natuurlijk, mijnheer…”’

Op dat moment – dit alles gaat razendsnel – stapt Hans uit zijn rol als badmeester, want het kan natuurlijk ook ‘een mevrouw’ zijn die hem die vraag gaat stellen. Dan ontstaat de paniek. Hans kan niet beslissen of het nou een ‘meneer’ is of een ‘mevrouw’ die hem, de badmeester, een vraag komt stellen. Op het toneel en bij Hans groeit de paniek, compleet met benauwdheid. Het duurt en duurt. Er zit een kromme van Gauss in de lachsalvo’s, maar een stijgende lijn in de paniek die ten slotte overslaat op het publiek – je moet het zien en horen om ook de fantastische elastieke grimassen van Hans te zien. De opluchting komt als hij zegt: ‘Weet je wat het is… voor het voorbeeld maakt het niet eens zoveel uit…’

Een lach die verlossing brengt, maar tot een oplossing komt het niet. Hij blijft vervolgens nadenken, twijfelen, in angstige paniek raken. Het publiek raakt weer nerveus, net als Hans, bij wie de paniek ook weer toeslaat. Steeds erger, en erger, en erger… het publiek weet niet meer waar het om moet lachen… het schrijnt, het doet pijn, men heeft medelijden… Dan zegt hij, schreeuwend: ‘Ik doe een… mevrouw!’ Het publiek begint te juichen en te applaudisseren van opluchting. En dan gaat Hans weer door met ‘De badmeester’.

‘De badmeester’ is een sketch met typetjes binnen typetjes, een spel met de absurditeit, verschillende lagen, ook door de merkwaardige taalkronkels; als publiek weet je op een gegeven moment niet meer om wie je moet lachen: de badmeester, Hans die de badmeester speelt, de redeneringen van de badmeester die ogenschijnlijk normaal aandoen of het acteren van Hans. Maar hoe leuk ook; je zit ook naar een man met doodsangst te kijken.

Na zeven jaar – waarin Hans in feite van alles had gedaan – ontstond er weer een toename van de telefoontjes naar de vrienden met halve of hele sketches. De optredens in Engeland waren meer dan goed bevallen. Hans had zelfs in 2008 de prestigieuze Chortle Award gewonnen, een prijs voor de beste komiek in dat jaar op Britse bodem. Er werd hier in Nederland weinig aandacht aan besteed. In Engeland des te meer.

Recensent Brian Logan: ‘What follows is a one-man cabaret that features song (he’s a brilliant musician), performance poetry and faux-confessional standup that reveals nothing about him – unless he really does spend his spare time on the phone to mum, asking her to guess which chocolate bar he has shoved up his bottom. The variety-act-gone-wrong shtick may not be unusual, but Teeuwen elevates it by the hurricane-force of his commitment. He never flinches at his audience’s unease. Silences are his fuel. He cranks it up until the laughter is released, as if he were squeezing a stubborn spot.’

Pierre Vinken en ik vroegen vaak of hij nog eens zijn act over God wilde doen. Ik had die in Engeland gezien en gemerkt hoe geschokt de Engelsen waren toen Hans deed of God een 31 centimeter hoge dwerg was die door Hans afgetrokken wilde worden. Toen het ’t Engelse publiek te machtig werd, stapte Hans weer even naar voren en zei op geruststellende toon: ‘It ‘s just an imaginary God.’

De Engelsen zeiden na afloop dat ze ‘confused’ waren. Een meisje vertelde dat ze zich geschaamd had toen ze had moeten lachen. ‘Waarom is het zo krankzinnig als God een dwerg zou zijn? Ik moet nu weer lachen en nu ik het vertel schaam ik me ook weer’, zei ze.

Hans gaf te kennen weer in Nederland te willen optreden.

En toen, op een avond, zaten mijn dochter Marscha en ik bij Hans. Marscha was zwanger en moest steeds haar buik vasthouden toen Hans speelde wat hij had bedacht en wat uiteindelijk zijn laatste show Spiksplinter bleek te worden. Op een of andere manier herkende ik – maar dan totaal anders (‘verwerkt’, zou je kunnen zeggen) – de gesprekken die we met Vinken in de serre van Keijzer hadden gehad. (Pierre Vinken wordt dan ook bedankt op de beeldregistratie die van Spiksplinter is gemaakt en voor zijn dood heeft Vinken tot zijn genoegen de show nog twee keer gezien.)

Spiksplinter was totaal anders dan zijn vorige shows. Natuurlijk, de absurditeiten, de krankzinnigheden, de neuroses zijn niet verdwenen – ze worden alleen in een breder kader geplaatst. De show heeft meer verzet in zich. De eerste regel van de show die Hans tegen zijn publiek zegt, is: ‘Niet bang zijn hè!’ En dan schreeuwend: ‘Waar zou je nou in godsnaam bang voor moeten zijn!’ Welnu: daar gaat Spiksplinter dus over. Hans vertelt over een oud dametje dat hem stond op te wachten bij het theater. Hij reageert grof, maar dan zegt het dametje: ‘Neemt u me alsjeblieft niet kwalijk, mijnheer Teeuwen, maar het zit zo, mijn zoon en zijn vrouw zijn een aantal maanden geleden bij een afschuwelijk auto-ongeluk om het leven gekomen en hun zoontje, mijn kleinzoon is daarbij verlamd geraakt. Maar mijnheer, hij is zo’n fan van u, en zo blij dat u weer terug bent, en hij heeft me alleen maar gevraagd of ik u deze brief wil overhandigen…’ Hans haalt de brief uit zijn zak, vertelt dat hij hem niet heeft opengemaakt en zegt gevoelig: ‘Ik dacht dat het een mooi begin zou zijn voor de avond… om meteen duidelijk te maken dat we hier vanavond niet zijn voor zielige verhalen, maar om er een heerlijke avond van te maken.’ Hij verscheurt de ongeopende brief en zegt: ‘En dat doen wij met verlamde kinderen… Ha ha!’

Het is de sketch die de toon zet: tegen het sentimentalisme en het piëtisme, tegen de kitsch. Waar Hans vroeger misschien zijn eigen neuroses liet zien, toont hij nu de pathologie van deze tijd met misschien wel als noemer: tegen het idealisme. Het is verleidelijk om nu elke sketch afzonderlijk te bespreken, maar veelzeggender is het misschien om ‘Het sprookjesbos’ eruit te lichten. Die sketch begint als Hans heeft gezegd: ‘… maar waar was ik veilig? Weet je waar? In mijn hoofd! In mijn eigen hoofd! Want daar was een plek waar alles fijn, prachtig, harmonisch en warm was: het sprookjesbos…’ Het is daar paradijselijk: ‘En alles was zacht! De lucht was zacht. De grond was zacht. Dus als je viel, dan was het niet van… boem! nee… zacht…’ Hans maakt daar ‘bleeh’-geluiden bij, om de nadruk op de zachtheid te leggen. ‘Nou, ik voelde me zo gelukkig in dat sprookjesbos… En dan kwam ik daar hele leuke, interessante figuurtjes tegen…’ Daar zit ook het kantelpunt, want hoewel Hans met elk dier dat hij tegenkomt een praatje wil maken, heeft hij er totaal geen contact mee. Ze hebben niks te vertellen. En steeds probeert Hans het opnieuw. ‘Hoi. hoi, sprookjesbos… O kijk, daar is de olifant. Olifant, wat ben je toch groot.’ ‘Wat’, zegt de Olifant. ‘Wat ben je toch groot?’ ‘Hè?’ ’Eh, in vergelijking met de andere dieren… Groot.’ ‘Ja.’ ‘Doei… Hoi, hoi, hoi, sprookjesbos. En weet je wat het fijne was van het sprookjesbos? Alles was helder.’

‘Het sprookjesbos’ is een onmiskenbare metafoor van een welzijnsstaat waar het zacht is, zelfs de grond waarop je zou kunnen vallen. Maar niemand heeft daar meer contact met elkaar.

Hans als moralist? Natuurlijk, een cabaretier kan niet zonder moralisme. Op de snijtafel lagen niet meer zijn eigen angsten, maar die van deze tijd, verpakt in sprookjes met fabeldieren en andere monsters.

Niet alle recensenten begrepen het, of ze begrepen het juist erg goed. Mike Peek van Het Parool meende dat Hans na afloop van zijn show weer het toneel moest opkomen om het publiek terecht te wijzen omdat ze om hem hebben gelachen. Peek vond dat Hans tegen zijn publiek moest zegen: ‘Ga je kapot schamen!’ Dat was een recensie om tot pochet te vouwen.

Gaat Hans ooit nog optreden?

Af en toe belt hij nog steeds al zijn vrienden op.


Tien kijktips

De volgende sketches geven een goed beeld van Hans en vond ik op YouTube. Beter is het natuurlijk om de cd’s te kopen. Maar goed.

  1. De badmeester. Voorstelling: Trui.

  2. Hans Teeuwen en de meiden van Halal in Bimbo’s en boerka’s. Interessant. Het is geen cabaret. Hoewel… Je kunt zien hoe Hans dacht na de moord op Theo van Gogh.

  3. Agressie. Uit: Met een breierdeck.

  4. De bijbel. Uit: Hard en zielig.

  5. Per en Linquist. Uit: Dat dan weer wel.

  6. Hans Teeuwen belt ’s nachts undercover naar Radio 1. (Op de terugweg van een optreden luisteren Hans en de New Cool Collective naar Radio 1, naar een inbelprogramma. Hans besluit ook te bellen. Het is een paar uur voor de voetbalwedstrijd Nederland-Uruguay. Schitterende improvisatie.)

  7. Het sprookjesbos. Uit: Spiksplinter.

  8. LUX Hans Teeuwen zingt! (Met Jesse van Ruller op gitaar zingt hij I concentrate on you. Eigenlijk wil Hans zanger zijn.)

  9. Hans Teeuwen op bezoek bij tante Els. (Hans wilde op een gegeven moment filmpjes voor zijn website maken. Hij nam op wat in hem opkwam. Hier met zijn echte tante Els, de zuster van zijn moeder. Geweldige actrice.)

  10. Hans Teeuwen in Londen 13: Hans Teeuwen and (Little) God. Persoonlijke favoriet.


Beeld: Karoly Effenberger/HH