Idealisten in regering-Bush weer in de schijnwerpers

Niet brullen nu

Na 11 september 2001 kregen ze alle aandacht van de president. De chaos in Irak legde ze het zwijgen op, maar de huidige ontwikkelingen in het Midden-Oosten brengen ze terug in de schijnwerpers: de idealisten in de regering-Bush.

WASHINGTON – «Het triomfalisme van die luitjes is niet te harden», zegt een medewerker van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken: «In het Pentagon zal het allemaal nog erger zijn.»

Afgelopen week kwam er immers ongewoon goed nieuws uit de regio. In Egypte heeft Moebarak de oppositie toegestaan mee te doen aan de presidentsverkiezingen. De pro-Syrische regering van Libanon trad af onder druk van spontane demonstraties in Beiroet. Er komen verkiezingen in Qatar en gemeenteraadsverkiezingen in Saoedi-Arabië.

Zelfs de hoofdredactie van The New York Times – tegen de invasie van Irak, stemadvies Kerry – geeft het schoorvoetend toe: «Je kunt niet ontkennen dat de thema’s die we uit Washington horen aan de huidige veranderingen in het Midden-Oosten hebben bijgedragen.» Bush zelf zei enkele dagen geleden in een speech: «De wereld begint te praten met één stem.»

Dat kan zijn, zegt de Amerikaanse beleids ambtenaar desgevraagd, maar bij hem op het departement zijn er nog altijd twee stemmen die door de gangen galmen.

Op het Pentagon en in de Nationale Veiligheidsraad zal dat niet anders zijn, als we David Rothkopf mogen geloven, een kenner van het Amerikaanse buitenlandbeleid. Hij schreef een boek over die twee stemmen dat in mei verschijnt: Running the World. Na interviews met 130 voormalige en huidige medewerkers van de Nationale Veiligheidsraad is hij tot de conclusie gekomen dat de strijd tussen idealisten en realisten, tussen «transformationalisten» en «pragmatisten», nog altijd springlevend is.

Vereenvoudigd weergegeven gaat het hier om een strijd tussen de beleidsmakers die onder Bush I hebben gediend, de zogenoemde 41’ers (Bush senior was de 41ste president van de republiek), versus de 43’ers, de beleidsmakers die zich onder Bush junior met kabaal – en succes – naar voren drongen. Het eerste kamp zag een leider in Brent Scowcroft, de nationale veiligheidsadviseur onder vader Bush. Het tweede kamp vindt leiderschap bij Rumsfeld, Wolfowitz en, gek genoeg, Dick Cheney en zijn staf. De vice-president diende ooit als een conservatieve, maar multilaterale realist onder vader Bush, maar is gedurende de Clinton-jaren «omgegaan», en geldt nu als een van de hardste «idealistische» unilateralisten.

Rothkopf spreekt van een «filosofisch debat». Maar duidelijk wordt ook dat dit debat in de wandelgangen nog wel eens leidde tot moddergevechten. Die werden in de eerste maanden na 11 september glorieus gewonnen door de idealisten, ofwel unilateralisten. Dat verhaal is bekend. Brent Scowcroft kon zijn verlies niet altijd even goed verdragen en verklaarde vorig jaar publiekelijk dat niet alleen de aanslagen, maar wellicht ook het karakter van de president een rol heeft gespeeld bij dat verlies. «Het is mogelijk dat de verandering na 9/11 kwam. De huidige president, die zeer gelovig is, dacht dat een dergelijke catastrofe in zijn periode als president op iets unieks wees, misschien zelfs op iets goddelijks. Dat het was voorbestemd dat de oorlog tegen het terrorisme zijn specifieke missie zou zijn. (…) Het probleem met absolute geloofsartikelen is dat je de val nauwelijks kunt vermijden dat het doel alle middelen gaat heiligen. Het kan gevaarlijk zijn te geloven dat alles wat iemand doet oké is zolang zijn motieven maar nobel zijn.»

Exit Scowcroft. Na deze en soortgelijke woorden mocht hij in de tweede ambtstermijn van Bush niet eens terugkeren als adviseur van de Foreign Intelligence Advisory Board van de president. Opvallend genoeg was hij wel de grote mentor van Condoleezza Rice, de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken met een vergaande invloed op de president. En juist van haar blijft onduidelijk tot welk kamp ze hoort. Ook Rothkopf komt daar niet uit. Overduidelijk is alleen haar loyaliteit aan de president, van wie ze overigens daadwerkelijk onder de indruk lijkt, zo benadrukt Rothkopf. Kwam Bush in debatten met Kerry niet veel verder dan «I know how the world works!», samen met Condi kan de man kennelijk uren over strategie praten. «Deze president», vertelde ze Rothkopf, «is strategischer dan iedere andere president met wie ik heb gewerkt. (…) We zijn er behoorlijk wat tijd aan kwijt in Camp David en op de ranch. Dan zitten we daar alsof we aan een puzzel werken, en opeens zal hij zeggen: ‹Weet je, ik zat net te denken… de China-situatie.› Dat weten niet veel mensen van deze president. En dat kun je ook niet weten als je niet met hem in de Oval Office hebt gezeten.»

De afgelopen maanden keerde het tij: realisme mocht weer. Geholpen door de dramatische cijfers, berichten en beelden uit Irak, ofwel door de onbarmhartige werkelijkheid, keerden de pragmatisten terug op de voorgrond van het buitenlandbeleid. Sinds haar aantreden op het State Department verving Rice enkele van de al te ongeduldige en opgewonden wereldveranderaars. Hun plaatsen werden ingenomen door adviseurs van meer traditionele snit, bij wie het realistenbloed van Henry Kissinger nog door de aderen stroomde. Een groot deel van de nieuwe garde had zelfs carrière gemaakt in transatlantische organisaties, aldus Rothkopf.

Maar toen kwamen de berichten uit Libanon en enkele andere landen in het Midden-Oosten. De officieuze woordvoerder van de idealisten, Charles Krauthammer, kraaide van opwinding in zijn column in The Washington Post. Onder de titel The Road to Damascus koos hij de pragmatist Flynt Leverett (twee jaar geleden nog een hoge adviseur bij de Nationale Veiligheidsraad) als vijand. Deze «your usual Middle-Eastern expert», zoals Krauthammer hem noemt, had het gedurfd om onder de titel Don’t Rush on the Road to Damascus tot voorzichtigheid te manen. Krauthammer: «De Arabieren staan op het punt hun Berlijnse Muur te slopen, zoals ze dat zelf noemen, en onze ‹realisten› willen dat wij terugkeren naar onderhandelingen met dictators. Ze willen dat wij onze eigen principes verraden, dezelfde principes waar de Libanezen zich juist door laten inspireren.» Alleen de Syrische angststaat moet nog vallen, meent Krauthammer, alvorens een gigantisch gebied, van de Middellandse Zee tot de grens van Iran, geheel en al in de ban zal zijn van democratisering. Krauthammer: «Dit is geen tijd voor twijfel, voor wankelmoedigheid, compromis of angst! Als we twee jaar geleden naar hen hadden geluisterd (naar de realisten – pvo) zouden we nu nog steeds zitten te klooien met olie voor voedsel, no-fly zones en waarde loze embargo’s. Het zijn onze principes die ons naar dit glorieuze moment voerden, via Afghanistan en Irak. Zij moeten ons nu leiden – dóór Beiroet, náár Damascus.»

Maar de realisten laten zich niet zo gemakkelijk uit het veld slaan. William Cohen, Republikein en onder Clinton nog minister van Defensie, heeft het afgelopen weekeinde doorgebracht met Arabische opinieleiders en mogelijke Arabische politici van de toekomst. «Om te praten.» Hij zegt desgevraagd: «We moeten toegeven dat het hoopvol is wat er nu gebeurt. Maar ik geloof niet dat de huidige democratiseringsgolf het gevolg is van de verkiezingen in Irak. Dat land kan momenteel niet als voorbeeld dienen. Voor de Arabieren preken wij nog altijd democratie terwijl we dictators steunen. Het oude liedje.»

In de afgelopen maanden leidde Cohen een adviesgroep van het Center for Strategic and International Studies. Deze week kwam de groep met aanbevelingen voor het Amerikaanse beleid ten aanzien van het Midden-Oosten. Ter ondersteuning ervan had James J. Zogby (de Maurice de Hond van Amerika) de opvattingen van Arabieren gepeild over Amerikanen en hun buitenlandbeleid. «Ik wil de lol niet verzieken», aldus Zogby, «maar laten we eerlijk zijn: we hebben de afgelopen tijd te veel mission-accomplished-momenten gevierd. Uit mijn onderzoek blijkt dat er geen enkele reden tot optimisme is. Twee procent van de ondervraagden in het Midden-Oosten, niet meer, was positief over het Amerikaanse buitenlandbeleid.»

Dat betekent niet dat 98 procent volstrekt anti-Amerikaans denkt. Joyce Karam, de 26-jarige Libanese correspondente in Washington van de pan-Arabische krant Al-Hayat, zegt: «Zeker, je moet voor je eigen geestelijke gezondheid dezer dagen even niet de opiniepagina van The Wall Street Journal lezen of naar Fox-televisie kijken. Daar wordt alles wat goed is, of goed lijkt, op het conto van de president geschreven, zelfs het mooie weer in het weekeinde. Tegelijk vind ik dit geen tijd voor cynisme. Er is daadwerkelijk iets aan het veranderen. We weten nog niet precies wat, en wat het betekent, maar laten we er blij mee zijn en erkennen dat de veranderingen in de eerste plaats zijn te danken aan het Libanese volk. Dan wil ik de regering-Bush best prijzen dat ze gebroken heeft met al die vorige ‹realistische› Amerikaanse regeringen die geen enkel probleem leken te hebben met de Syrische aan wezigheid in mijn land.»

Ook Karam pleit voor stilte aan het Amerikaanse front. Net als Rend al-Rahim, de Iraakse ambassadeur in Amerika van november 2003 tot vorige week. Ook zij denkt dat kabaal uit Amerika momenteel de democratisering niet zal stimuleren, hoewel de Amerikaanse regering wel op het ingeslagen pad voort moet gaan. Karam: «Al voor de invasie van Irak waren er voorzichtige pogingen tot democratisering in de regio. In Marokko, Jemen, Qatar. Daar moet je de Arabieren nu krediet voor geven. Amerikaanse overheidsfunctionarissen moeten nu vooral de neiging onderdrukken zichzelf op de borst te slaan. Vanwege de impopulariteit van Amerika zou dat contraproductief werken.» Het is een opvallend geluid.

Rend al-Rahim onderhoudt warme relaties met de idealisten binnen de regering. Ze was een van de Irakezen die in Washington, toen nog als voorzitter en oprichter van de Iraq Foundation, hard heeft gelobbyd voor een oorlog tegen Saddam Hoessein. Ze beloofde de regering en het Congres dat de Amerikanen als bevrijders zouden worden onthaald. De meest recente ontwikkelingen ziet ze als lakmoesproef van het idealisme: «Je zult nu zien voor wie de democratisering echt belangrijk is. Zij die het aan het hart gaat, zullen zich koest houden. Maar zij die alleen geven om persoonlijke triomf en zelfrechtvaardiging, zullen zo hard brullen als ze kunnen.»