Niet de bedoeling

Wat moet een schrijver met filosofie? Vraag dat aan een schrijver die ooit een vrijage had met de wijsbegeerte, en hij voert u naar een landje, ergens in de Amsterdamse Kinkerbuurt. Daar, tussen de matrassen en de verdwaalde stoeptegels, ligt de wijsheid.
Dit is de tekst van een lezing door de auteur, gehouden voor Studium Generale Utrecht in het programma Denkende schrijvers: Literatuur en filosofie.
EEN JAAR GELEDEN, op een zonnige herfstmorgen belde ze bij me aan. Een geleerde vriendin die ik al weer jaren niet had ontmoet. Ze was zoals altijd iets te dun gekleed en stond in elkaar gedoken voor de deur. Bij de glimlach die de begroeting uitmaakte, zag ik de sporen van haar leeftijd rond ogen en mond. Plooien die vertelden hoe lang het geleden was dat we kortere en langere periodes minnaars waren.

Ze was niet veel veranderd, op die plooien en wat grijze haren na. Nog even sober en onopvallend gekleed. Dezelfde grote benige handen, de lange, rechte neus en het tanige lijf. Ik hield haar koude gezicht in mijn handen en ervoer weer de dwang van haar ogen. Ze waren niet groot of van een stralende schoonheid, maar ze gloeiden van intense aandacht die een scherpe geest en nieuwsgierigheid verried, maar ook de aanwezigheid van iets duisters, een kracht. Mij hadden die ogen ooit voorgoed verleid. Ogen die mensen bang, woedend of achterdochtig maken. Voor veel anderen was haar blik het bewijs dat ze gek was.
Toch rook en voelde onze omhelzing niet naar vroeger. In de nabijheid van dit zonderlinge lichaam, dat snel en toch ook verstrooid door de kamer bewoog, waren herinneringen van weinig belang. Wanneer ik bij haar was, namen gedachten en verlangens als vanzelf de vorm aan van concrete mogelijkheden, de redelijke belofte van wat zou kunnen zijn, wat zou kunnen gebeuren.
‘Kan ik een trui van je lenen?’ vroeg ze.
'Ah, je hebt me nodig!’ treiterde ik.
Ze was gekomen om me iets te laten zien. Nee, ze wilde er niets over vertellen, ik moest het zelf ondergaan. We kleedden ons warm aan en zaten een half uur in de tram. We stapten uit in Oud-West. Bij de brug over de Van Lennepkade in de Eerste Constantijn Huygensstraat stond een hoog hek met prikkeldraad erbovenop. In de afscheiding, die zich uitstrekt vanaf de brugleuning tot aan de muur van het hoge en massieve gebouw van een lerarenopleiding, was een deur.
'Staat altijd open’, zei mijn geleerde vriendin en stak haar vinger op om te zorgen dat ik het goed onthield. Vlak achter het hek lagen wat stoeptegels, daarachter onkruid, modder, gras.
Rechts stond een rij bomen, tien, zo'n vijf tot acht meter hoog, precies langs de walkant van de Van Lennepkade. Uiterst links alweer een hoog hek. Nog wat westelijker, met de ramen van de kantine uitkijkend op het landje, stond het nieuwere witte gebouw van het Constantijn Huygens College, een middelbare school.
HET LANDJE WAS ongeveer zeventig meter diep en dertig meter breed en werd doormidden gedeeld door een modderig pad. Links ervan groeide gras en bijvoet, brandnetel. Rechts, met hun rug aan de kade, stonden gebouwtjes met een hek eromheen. Twee zelfgetimmerde garages met een betegeld stuk grond ervoor. Daarop stond een primitieve houten brug om aan de onderkant van auto’s te kunnen werken.
Op dezelfde lijn ernaast stond een huisje. Geen port-a- cabin of noodlokaal. Groter en hoger dan een huisje op een volkstuin, het was zo'n vijf meter diep en twintig meter breed. Er rustte een schuin dak op en voor de vier ramen hingen stalen rolluiken. Boven de deur aan de voorzijde prijkte een robuuste houten luifel. Om het gebouw heen lag een tuin, maar een paar meter diep, waar emmers, een tuinstoel en een roestige kapstok rondslingerden. Er stond een hek omheen waar vlieren en braamstruiken tegenop waren geklommen.
Het pad doorkruiste het landje in de lengte-as. Het liep in een rechte lijn van de deur in het hek aan de Constantijn Huygensstraat door het brandnetelveld, langs het huisje, over een kaal en zanderig gedeelte naar de doodlopende straat, opzij van het Chirurgiegebouw van het voormalige Wilhelmina Gasthuis, nu het Amsterdams Ondernemerscentrum. Het einde van het landje werd gemarkeerd door een nieuw lichtgrijs transformatorhuis.
'Dit landje is vooral een sluiproute, het bespaart een omweg van bijna twee huizenblokken’, zei ze en wees op de fietssporen in de modder. Wat hier verder gebeurde, sprak voor zich. Omwonenden lieten er hun hond uit. Jongens uit de buurt leerden elkaar fikkie stoken in de halflege bekisting van een wasmachine. Bezorgers van reclamefolders dumpten er de pakketten die ze weigerden nog verder in de brievenbussen te proppen voor een lullige fooi in de stromende regen. Er zou wel gedeald en gevreeen worden. Er lagen ook: de onvermijdelijke bedervende matras, dat door de kronkel waarin het lag een levenloos lichaam leek, en het altijd in deze zones te vinden terzijde geworpen meisjesslipje, dofpaars met kleine glanzende strikjes. Het hing als een gevallen vlaggetje in een verkommerd struikje. Suggesties van nonchalance, plezier en geweld verdrongen zich.
Wat er in het huisje gebeurde, was onduidelijk. Leeg leek het niet, eerder bomvol. Geen verschoten stickers of affiches, geen naambordjes, geen achtergelaten gereedschappen. Van de gemeente was het niet en het leek te permanent om toe te behoren aan een bouwbedrijf. Voor reguliere bewoning oogde het te verwaarloosd.
Het pad dat door het landje voerde, lag diep. Na een regenbui was de grond zacht en modderig. Voetgangers hadden een oplossing bedacht om met droge voeten de overkant te halen. Een deel van het betegelde gedeelte was afgebroken, de stoeptegels waren in een lange rij door het modderigste gebied gelegd. Niet precies recht, maar in een flauwe s-bocht die deed denken aan een menselijke ruggegraat. De tegels waren er de wervels van.
In het midden stonden we stil. Ik keek mijn vriendin onbeholpen grijnzend aan. Ze bleef ernstig en zei: 'Het mooist is het hier in de winter en het voorjaar. De schemering en de zwarte aarde, de spiegeling van de plassen, de grillige vormen van de kale doornstruiken en de dreigende silhouetten van de keten, de lucht en de harde lage zon. Opeens ervaar je die dingen weer als landschappelijk. Je stapt uit het ritme van straattegels, stoepranden, stoplichten en wegmarkering. Je valt uit de greep van het herkenbare timbre en ritme van optrekkende en schakelende auto’s, de eindeloos herhaalde gezichten op de billboards en de stoet op en neer dansende knieen van fietsers. Voel je dat, dat je hier in een tussenruimte en een tussentijd verkeert?’
Ik knikte en zweeg. Ze legde haar hand op mijn arm.
'Blijf hier nog een tijdje, alleen. En kom nog eens terug. Schrijf me dan.’
Ik wilde nog protesteren, een vraag stellen en iets afspreken, maar ze kuste me vluchtig en rende weg, hinkelend over de verspreide stoeptegels. En zo stond ik daar te kleumen op een landje in Oud-West, dat mijn geleerde ex-minnares me als een raadsel had opgegeven. Ik slenterde wat rond en vroeg me af wat ze me nu wilde laten zien hier. Ik begreep wel dat je ergens uit stapte als je dit landje betrad, maar waarin stapte je nu binnen? Het was geen stukje natuur of platteland. Evenmin was het een bewust geensceneerde verademing, zoals die voelbaar wordt wanneer een wandelaar de eerste honderd meter in het stadspark heeft afgelegd en hij achter zich een denkbeeldige deur voelt dichtvallen.
En toch werd ik in iets opgenomen, ik was ergens binnen. Maar waar? In een rest of tussenzone, een stukje verwaarloosd land, zouden de meeste mensen zeggen. De politie, de gemeentereiniging, openbare werken, de stadsverlichting, de plantsoenendienst, ze hadden hier geen enkele bemoeienis mee gehad. Geredeneerd vanuit het stedelijk beheer was het hier vies, rommelig en zoals het tegenwoordig heet, onveilig. Want zo gewend zijn we eraan dat alles geregeld en gepland is dat een landje dat vuilnis, onkruid, hondepoep, ongedierte en ongewenste en verboden activiteiten aantrekt, meteen een vijandige sfeer heeft.
IK BLEEF RONDHANGEN, omdat ik nieuwsgierig gemaakt was en de sfeer juist vriendelijk vond. Wat niet verflauwde was de gewaarwording van traagheid, bekend van het verlaten van de drukke straat en het binnenstappen van een hofje of een plantsoen. Een minuut hier duurde veel langer dan een minuut in de Kinkerstraat. Maar er kwam iets bij. Als we een kerk of een park of een hofje binnenlopen (ook snelheidsputten in de stad) herkennen we een patroon, er zit een herkenbare ordening in de ruimte. Op dit landje was daarvan weinig te ontdekken en daardoor leek het, zo klein en rommelig als het was, uitgestrekt en leeg.
Aan het hek naast de hoogbouw was een hoek die sterk deed denken aan een stedelijke achtertuin. Maar nog geen vijftien meter verderop, in de strook langs het water, pal naast de garages kreeg men de gewaarwording langs een vergeten kanaal te staan, aan de rand van een noordelijke provinciestad. Het waren particuliere associaties, die de onbestemdheid van het landje bezwoeren, maar toch werd me duidelijk dat deze ophoping van ongelijksoortige ruimtelijke ervaringen het eigene aan het landje was.
In de straten van de stad, op pleinen en zelfs in parken is er steeds een reeks schakels die de verschillende standpunten ordelijk in elkaar laat overgaan. Daar is de regelmaat van bestrating, gevels, vuilnisbakken, lantaarnpalen, banken. Op het landje was er geen verbindende orde, iedere ruimtelijke ervaring lag op een eilandje. Het landje was een onbedoelde hybride van onderbroken planning, anarchistisch geknutsel en woekering. Het was een overgeschoten fragment openbare ruimte. De stad buiten werking gesteld.
Langzaam werd me duidelijk waarom mijn geleerde vriendin me hierheen had gebracht. Onbestemd, overgeleverd aan een vertraging ten opzichte van de omringende stad was iedere steen, ieder bouwsel, ieder struikje aan zichzelf overgelaten. Bekeek je het landje als verhaal, dan leek het zich te ontworstelen aan de context van de stad en probeerde zijn eigen context te worden. De aanwezigheid van de kapotte wasmachine, de matras of het onduidelijke huisje was niet zozeer feitelijk, maar eerder virtueel. Wat een functie, een bedoeling, een gebruik had en wat niet, wat het verband tussen de verschillende onderdelen was, het was onbeslisbaar, het hing in de lucht.
Een maand later ging ik naar het landje terug en stak het over in een rechte lijn. Het duurde ongeveer anderhalve minuut. Vlak voor ik aan mijn passage begon, liep ik nog op straat, las de signalen, ontweek de bewegende lichamen, reageerde op de prikkels, paste me aan aan het tempo en het ritme van het verkeer. Ik maakte onderdeel uit van een lopend horloge. Maar lopend over het landje werd die orde onderbroken. Eerst kwam de vertraging over me. Toen keek ik om me heen. Er was van alles, gras, bouwsels, afval en ieder ding straalde in zijn weerbarstige bijzonderheid. Het landje was een afgebakend oppervlak met een waarneembare indeling. Maar zonder een herkenbaar patroon, zonder nut of bedoeling.
Hier vielen vorm en leegte samen. Ik voelde de stad, de wereld niet werken maar gebeuren, eventjes.
WAAROM VERTEL IK dit verhaaltje? Omdat ik als student een verhouding met de filosofie heb gehad en niets liever deed dan dagboeken, verhalen, brieven, gedichten en overpeinzingen schrijven. Omdat ik inmiddels literaire boeken schrijf en bij het maken daarvan haar advies wel eens vraag. Ik ben haar niet vergeten en ze helpt me wel eens.
Het is eenrichtingsverkeer tussen ons. Haar heb ik bij mijn weten nooit geholpen. Ik ben alleen haar student geweest. Ik beoefende vijf jaar lang braaf het handwerk, maar heb nooit een filosofische bijdrage aan de filosofie geleverd. En voorzover literaire boeken belangwekkend kunnen zijn voor de filosofie, onderscheiden mijn boeken zich niet van andere. Alle literatuur kan even gemakkelijk aan een filosofische lectuur worden onderworpen, of ze nu gedichten van Paul Celan leest, een autobiografisch geschrift van Scott Fitzgerald aanhaalt, een scene uit een onbekende Tsjechische familieroman analyseert of een passage uit mijn roman Oase in haar verhandeling verwerkt.
Het was geen behoefte aan diepgang of ernst die me tot de filosofiestudie had gebracht. Eerder het tegenovergestelde. Ik zocht gereedschap om me een weg te banen uit de vanzelfsprekendheden, overtuigingen, oordelen en normen waarmee ik behept was. Ik wantrouwde mijn eigen diepzinnigheid en ernst. Dat klinkt nogal schizofreen, maar het was een heel nuchtere diagnose die ik stelde. Al de schema’s en onderscheidingen waarmee ik mezelf probeerde te begrijpen of over anderen en hun handelingen of produkten oordeelde, waren niet uit de lucht komen vallen. Die waren in de loop van achttien jaar aan me blijven kleven. Ik was daar zelfs grotendeels van in elkaar gezet, het waren de vormen waarin ik leefde. Maar ze benauwden me. Mijn instinct zei me dat ze nogal simplistisch & schijterig waren en een afgeleide van de sociale en religieuze cultuur van mijn herkomst. Ze konden onmogelijk kloppen. Ik zocht tactisch ongeloof.
Een ander was misschien gaan zuipen, drugs gebruiken, crimineel geworden of had zich overgegeven aan seksuele uitspattingen, of al die dingen tegelijk. Ik verwachtte daarvan een enorme hoop verwarring en ellende, waar ik niet tegen op gewassen was. Ik wist dat zoiets te romantisch en heldhaftig voor mij zou zijn. Mijn tactiek was minder spectaculair: ik woonde alleen in een vreemde stad en studeerde filosofie.
De urenlange wandelingen op straat, de gesprekken met junkies, concierges, popmuzikanten, studenten oude talen en wie dan ook, de films die ik bekeek, de bands die ik zag optreden, de uren van eenzaamheid, ik vatte alles op als een les, soms een raadselachtige les, die me materiaal leveren kon om een nieuwe levenshouding te timmeren. In mijn dagelijkse praktijk streefde ik ernaar dat materiaal met evenveel intensiteit te zoeken in mijn studie van de predikatenlogica als in mijn vorderingen in het flipperspel. Omdat ik alles met dat oogmerk deed, was er weinig verschil tussen het bestuderen en begrijpen van Kant en het beluisteren van de The Pink Flag van Wire of het zien van Permanent Vacation van Jim Jarmusch. Mij was duidelijk dat men op het Filosofisch Instituut Kant, of Leibniz of Wittgenstein niet op die manier las. Ik zweeg erover en hield er letterlijk een dubbele boekhouding op na.
’s Avonds las ik literatuur, boeken over kunst en biografieen. Maar ook filosofie. Soms dezelfde teksten die ik overdag in de werkgroep had leren begrijpen. Wanneer het donker was, las ik ze opnieuw, niet om de filosofie beter te begrijpen, maar om de levenshouding die in die filosofie werkzaam was, op te sporen. Niks bijzonders, dat deed ik ook met films of als ik nadacht over mijn nachtelijke ontmoetingen in de stad. In die schaduwlectuur van Kant, Leibniz, Hegel, Wittgenstein, Hume, Popper en Spinoza was filosofie geen ijle en abstracte exercitie die de grondslagen van de wetenschappelijke kennis onderzocht. Ik las de teksten zoals de filosofen mij waarschuwden ze toch vooral niet te lezen, namelijk zomaar, in mijn hoedanigheid als niet-filosoof.
Ik beschouwde de filosofische teksten als de opvoeringen van schitterende uitvindingen om een werkende vorm te geven aan de chaos van vragen, verschijnselen en krachten die een denkend mens dagelijks in hun greep houden. Of het ook werkelijk zo was, en hoe al die theorieen zich tot elkaar verhielden of in elkaar vertaald moesten worden, dat kon me ’s avonds niet schelen. Ik zocht begrippen die in hun gebruik een gewaarwording van vrijheid, plezier, kracht en helderheid opwekten. Ik speurde naar gereedschap en wapentuig in mijn guerrilla tegen de banaliteit en tragiek van het leven.
Dat zomaar-lezen van filosofie, parallel aan het flipperen, romans lezen, kunst bekijken en over straat lopen, was een gruwel in de ogen van de academici. Het leidde tot vreselijke misverstanden, beweerden ze. En je zou het nooit ver schoppen in de filosofie. Ik geloofde toen al in de creatieve vermogens van misverstanden en het dreigement dat ik het aan de universiteit niet ver zou schoppen, klonk mij eerder in de oren als een aansporing.
LAS IK NU GEWOON filosofie alsof het literatuur was? Nee, want ik begreep heel goed dat filosofie geen literatuur was. Filosofie schetste een logisch, in zichzelf besloten portret van de wereld en wat er gebeurde (of een dimensie daarvan) en verzon begrippen die ze daarin aan het werk zette. Het doel was om waarheden te kunnen zeggen, direct, zo exact en volledig mogelijk, zonder rekening te houden met alles dat literatuur literatuur maakte: esthetische compositie, taalmuziek, psychologische personages, milieus of situaties. Mij was wel duidelijk dat de filosofen zich hoofdzakelijk richtten op de wetenschap, de politiek, het recht en elkaar, en dat moesten ze vooral blijven doen, wat mij betreft, maar mij ging het om een andere kracht van filosofische teksten.
Wat mij kon verbijsteren en ontroeren, was nu juist die onomwonden, in esthetisch opzicht vaak zo barbaarse poging van de filosofie om te zeggen hoe het zit. De wereld volgens zichzelf, gezegd in haar eigen termen, dat was de even geestdriftige als paradoxale inzet van de filosofie. Men riep een beeld op van de wereld, de geschiedenis, de tijd, de mens, zijn kennis of zijn taal en liet door de werking van zelfbedachte begrippen zien hoe die werkten. En die begrippen mochten een filosofische functie hebben, ze hadden, als schitterende uitvindingen (naast het elektrisch licht, de stoommachine en de telefoon) ook niet- filosofische effecten. Soms figureerden ze onder andere benamingen, werden meestal halfbegrepen of verminkt, maar toch doken overal filosofische begrippen op, bijvoorbeeld in het religieuze leven van mensen, in hun politieke overtuigingen, in het maken en beleven van kunst, in hun depressies of paranoide tirades en in de twistgesprekken tussen minnaars. De filosofie was ook een reusachtige gereedschapskist vol modellen om aan de meest uiteenlopende ervaringen een vorm te geven. Vormen om de wereld in te beleven.
Mijn onfilosofische lectuur leverde schriften vol aantekeningen op. Wat daarin stond, was geen filosofie en nog geen literatuur. Hetzelfde gold voor mijn aantekeningen over televisie, sport en muziek, mijn bespiegelingen over de straat of het flipperspel, mijn beschouwingen over kunst of het gedrag van mijn vrienden en mezelf. Denk nu niet dat wat ik plunderde uit de schatkamers van de filosofie een behoefte aan onwankelbare metafysische zekerheden of een leermeester bevredigde. Want daar verlangde ik niet naar. Integendeel. Ik waardeerde nu juist de enorme verscheidenheid in de filosofie. Verschillende mensen in verschillende tijden en omstandigheden, met heel uiteenlopende vijanden en oogmerken, hadden filosofie bedreven en begrippen verzonnen. Ik wilde genieten en nemen wat ik ervan gebruiken kon. Als mijn filosofische minnares me iets geleerd had, dan was dat het plezier van het tactische ongeloof.
Op de tweede plaats beschouwde ik de filosofie niet als alwetende koningin van het menselijk denken. Ik vond dat overal denken plaatsvond. Er was muzikaal denken bij musici en componisten, politiek denken bij politici en journalisten, er was wetenschappelijk denken bij natuurkundigen en biologen, religieus denken bij theologen, priesters en gelovigen. Choreografisch denken bij dansmeesters en dansers, schizofreen denken bij krankzinnigen en waarschijnlijk ook een voetbaldenken bij spelers en trainers. Al die soorten van denken werkten anders, en geen van die denkvormen was bij voorbaat minderwaardig of onbruikbaar om iets van de wereld en het leven te snappen en op zijn minst een voorlopig antwoord te vinden op de vraag die zo goed als onontkoombaar is: hoe te leven. Want dat was natuurlijk mijn probleem, en nog steeds trouwens, ik wist niet goed hoe ik dat moest doen, leven.
Die vraag leek mij geen exclusief literaire, politieke of filosofische vraag, maar een vraag voor iedereen. Eentje zonder juist antwoord. Leven doe je toch en dus was de vraag strikt genomen geen probleem. Tenzij je er een probleem van maakte. Helaas hebben wij mensen daarin geen vrije keus. Zeer weinigen zijn gezegend met een leven waarin die vraag niet voorkomt. En er is niet veel voor nodig, leert de ervaring. Hoewel er geen juist antwoord op de vraag is, kunnen we de vraag, die meestal gepaard gaat met paniek, verwarring en zwaarmoedigheid, bezweren. Dat gebeurt door middel van oplossingen - denk aan religieuze dogma’s, psychotherapeutische ideeen, metafysische leerstelligheden, politieke en ethische ideologieen, occulte denksystemen of kunstaanbidding.
Met die oplossingen zit de wereld vol, zitten onze hoofden vol, daar puilt onze herinnering en ons emotionele palet van uit. Wat mij benauwde, ja, waar ik kwaad en wanhopig van kon worden, was dat het er steeds op neer kwam dat een deel van het leven, van wat er te ervaren viel, werd stopgezet. Ieder van die Meningen was een voorstelling van zaken die uitsloot dat er nog werkelijk iets gebeurde. Hoe heerszuchtiger zo'n Mening zich vestigde in het leven van een individu of een groep, hoe meer het er op neerkwam dat er alleen nog kon worden herkend en herhaald. Wat niet tot bekende ingredienten en betekenissen kon worden teruggebracht, was verboden, waardeloos of werd domweg genegeerd. Het leven als het recyclen van dode betekenissen, vermomd als eeuwige waarheid, sensationeel nieuws of kunst vol herkenbare emotie.
Dat leek mij letterlijk de dood in de pot, de dood in het hoofd, je leven vroegtijdig beeindigen. Sterker, ik zag er niet zomaar een misvatting in, maar een macht. Het waren de Mening, de Bedoeling en de Zin, die ons gevangen hielden, die steeds weer het geweld en het onrecht goed praatten of er medeplichtig aan waren en zich als de vijand gedroegen van alles wat het leven de moeite waard maakte: plezier, vrijheid, nieuwsgierigheid, creativiteit, liefde en vriendschap en schoonheid. Haha, het zijn lachwekkend grote woorden, ik lach graag met u mee, maar ik noem ze lekker toch. Hierom: ze hebben gemeen dat ze ieder afzonderlijk een gebeuren aanduiden dat zo subtiel, complex en chaotisch is dat alle Meningen, Bedoelingen en Zingevingen er als belachelijke schoolmeesters achteraan moeten hollen om ze weer te temmen. Om er weer communicatie van te maken.
TIJD OM TERUG te keren naar het landje in Oud-West. Of zo men wil, naar de vraag hoe nu die filosofische ex- minnares mij wel eens helpt bij het schrijven. Dat is na het voorgaande gemakkelijk uit te leggen. Zoals mijn filosofie- studie een onfilosofische lectuur van Berkeley mogelijk maakte, zo bestaat er een onliterair effect van de literatuur. Ik doel op het zeldzame moment dat je een gedicht of een roman leest en dat je je aangeraakt waant. Dat de leeservaring zich bemoeit met je onontkoombare en nooit afgesloten getob met de vraag hoe te leven. Of het knap en mooi en grappig geschreven was, of dat je zo lekker kon meeglijden op de herkenbare gevoelens en meningen, dat is opeens niet meer van belang. De aanraking verandert iets aan dat getob met die vraag, bijvoorbeeld het voegt er iets aan toe, zet iets op z'n kop, maakt iets ongeloofwaardig, doet iets van kleur verschieten. Je twijfelt, je bent van streek, je houdt opeens rekening met andere dingen. Dat gebeurt ook wel eens na het gesprek met een stervende vriend, of als je verliefd bent, of alleen bent in het bos of tijdens de nasleep van een beroving.
Wat je dan ervaart, valt niet meer samen met literair kunstgenot of een rijm tussen je meningen en normale emoties en de gestileerde meningen en emoties in het boek. Je bent ontsnapt aan de zichzelf spiegelende Schone Letteren, bol van de Mening, Bedoeling en Zin. Maar ook aan de Communicatieliteratuur, die met de erkende en bekende kunstgrepen de sjabloon-emoties en culturele cliches uitserveert. Je hebt de gewaarwording iets onbestemds maar belangrijks mee te maken. Dank zij literaire middelen bevind je je in een meestal kleine en kort bestaande, onliteraire tussenzone. Daarin scheurt de wereld even open en bloedt, stroomt.
Dat is wat er op het landje in Oud-West gebeurt. Vroeger speelde ik op zulke landjes, nu gebruik ik het om te laten zien dat ik ervan droom dat mijn boeken zich op dat landje afspelen. Ik wil met mijn verhalen en overpeinzingen het gevoel geven aangeraakt te worden. Niet door denkbeeldige personen of door mij, maar door het eigen ongrijpbare leven in een onbekende gedaante. Ook in mijn boeken speelt zich de noodzakelijke maar moeilijke en vaak lachwekkende strijd af om te ontsnappen aan Mening, Bedoeling en Zin. Meestal gaat het over mensen die daarvoor even schitterende als gemankeerde wonderoplossingen verzinnen en met tactisch ongeloof en plezier een antwoord zoeken op de vraag hoe te leven. Hopelijk levert dat verhalen op die amuseren, verbazen, irriteren, ontroeren en zelf doen denken.
Zo is mijn verhouding tot de filosofie. Ze herinnert me eraan hoe politiek mijn geschreven strijd tegen Mening, Bedoeling en Zin is en helpt me trouw te zijn aan het onliteraire effect van literatuur. Soms brengt ze me naar zo'n landje, terwijl ik werk aan een boek.
Ze vroeg me om hier een boodschap over te brengen. Natuurlijk doe ik dat voor haar. Maar eerlijk gezegd met beschaamd gevoel. Want al is het een mooie wens die ze wil overbrengen, ik krijg hem niet gemakkelijk uit mijn pen. Ik kan hooguit een poging doen iets dergelijks te laten gebeuren. Maar zij kan het zeggen en dit is haar wens: ze hoopt dat men na lezing van mijn boeken, dat wil zeggen nadat men gelachen, zich geergerd, genoten en gepiekerd heeft, al is het maar voor even, zich vrij, vrolijk, sterk, nieuwsgierig, ongelovig en helder voelt en klaar om verliefd te worden.