Niet de Nobelprijs

Je schrijft aan een boek. Je droomt van een literaire carrière. Aan de einder gloort de Nobelprijs. Maar dat carrièrevooruitzicht gaat vaker mis dan goed.

Uitgevers sturen je manuscript terug (geeft niets, gebeurde met Sartre ook), je boek blijft onbesproken (geeft niets, was met Toergenjev ook het geval), je krijgt slechte recensies (geeft niets, was met Reve ook), de uitgever wil je tweede boek niet uitgeven (geeft niets…), het duurt tien jaar voordat je weer met een boek komt – en zo gaat het maar door: je ziet auteurs doorbreken die slechter zijn dan jij, je wilt niet paranoïde zijn, maar je merkt dat er wel degelijk sprake is van vriendjespolitiek, je kunt het haast niet geloven, maar of je succes hebt of niet blijkt ook afhankelijk van toeval.

Uiteindelijk – wanneer niet één belangrijke televisietalkshow je heeft gevraagd, als de recensenten hun schouders ophalen, je 169 boeken hebt verkocht en de rest niet eens naar de ramsj gaat maar wordt vernietigd, en je niet eens gevraagd wordt voor de literaire avond van je wijk, terwijl je veel ‘beroemder’ bent dan de mensen die wel zijn gevraagd, dringt het tot je door dat je zeker van de Nobelprijs, maar misschien, misschien ook wel van die schrijverscarrière moet afzien.

Ik sprak zo’n auteur – en had medelijden. Ik probeerde uit te leggen dat het niet mocht gaan om die Nobelprijs. Nee, dat begreep de ex-schrijver ook wel. Maar hij wilde wel iets van erkenning. Hij zei: ‘Niets is zo treurig als een ambitie die je wil waarmaken, die je kunt waarmaken, maar die je niet waarmaakt vanwege externe factoren als toeval of mode.’

Ik was dat niet met hem eens, maar had de tijd niet om hem dat in extenso uit te leggen.

Een dag later sprak ik met een arts over genezen en gezondheid. Er waren die dag in de krant berichten verschenen dat kanker – net als hiv – over een aantal jaren een chronische, beheersbare ziekte zou kunnen worden. Daar stond een ander bericht tegenover, namelijk dat het ontwikkelen van sommige medicijnen zo duur is dat de farmaceutische industrie geen zin heeft om ze te fabriceren. Al snel bespraken de arts en ik thema’s als: mag de overheid je leefregels voorschrijven? Wanneer ben je zo ziek dat je niet meer kunt werken? Wie moet solidair zijn met wie? Tot de man van de arts, een psychiater, zich ermee ging bemoeien en zich hardop de retorische vraag stelde: ‘Als mensen minder ambitieus zouden zijn, zouden er dan ook niet een heleboel mensen opeens genezen zijn?’ We keken hem verwonderd aan, hij legde uit: veel van zijn patiënten werden tot ziekwordens toe ongelukkig omdat ze hun ambities niet konden waarmaken. (Ik dacht meteen aan mijn schrijver.) De een wilde leraar worden, maar dat kon niet omdat z’n moeder ernstig ziek was, de ander wilde nog een wereldreis maken, maar had een vrouw bevrucht, de derde wilde schilder worden, maar kreeg toen een reumatische aandoening. De psychiater zei: ‘Als die mensen een iets andere levensbeschouwing zouden hebben, zouden ze niet ziek worden.’

‘Als die mensen een iets andere levensbeschouwing zouden hebben, zouden ze niet ziek worden’

Ik vond dat een interessant idee – en ik geloofde ook dat het waar zou kunnen zijn.

Ik kende zelf een junk die opeens het geloof had ontdekt, en nu van de drugs af was en monnik in Frankrijk is geworden. Het middel kan erger zijn dan de kwaal – maar hij is van de drugs af!

Maar hoe bezorg je mensen een andere levensbeschouwing?

En stel dat je geneest van een levensbeschouwing die wars is van ambitie, die het cynisme bejubelt, de gezondheid verjubelt, en verder ook niet wil deugen (mijn levensbeschouwing min of meer) draag je dan bij aan de genezing van een zieke maatschappij?

Je kunt beter blijven schrijven, Erik!

Niet de Nobelprijs