Niet de oplossing maar het peinzen

THOMAS VERBOGT
VERDWENEN TIJD
Nieuw Amsterdam, 223 blz., € 17,50

Je kunt alleen de romans schrijven die je schrijft. Je hebt schrijvers die zich doodgewoon niets aantrekken van oproepen om meer expliciet engagement, politiek bewustzijn of hoe men het noemt in hun werk te stoppen. En die rustig doorwerken aan een eigenzinnig oeuvre. Het heeft iets raadselachtigs: willen ze het niet of kunnen ze het niet? Thomas Verbogt is zo’n schrijver die sinds zijn debuut met de verhalenbundel De feestavond (1981) nu al meer dan twintig romans en verhalenbundels heeft geschreven waarin hij het niet zoekt in de directe verontwaardiging over onrecht, of in zwartgallig nihilisme over de mensheid. Bij hem geen stoere uitspraken over de wereld, maar voorzichtige vaak in zichzelf gekeerde figuren die ineens voor een keuze komen te staan. Hij heeft zich vast en zeker wel eens voorgenomen nu eindelijk ook eens uit te pakken met een boze roman over onrecht, wie neemt zich dat niet voor, maar achter de schrijftafel kwam het er toch niet van. Te veel valse pathetiek, te veel gelijkhebberij, te veel van van alles. Het heeft iets te maken met zijn literatuuropvatting. Hij werkt binnen een Angelsaksische traditie van ‘showing’ en ‘not telling’, gaat al te opzichtige literaire taal uit de weg en zet zijn figuren neer binnen een geloofwaardige setting, die hij een schijn van realisme meegeeft. Hij analyseert in zijn werk niet de maatschappelijke mechanismen waarvan we deel uitmaken, maar demonstreert de effecten ervan. Hoe werken de verhoudingen uit op iemands bestaan en ideeën?
Verbogts personages werken vrijwel altijd in de cultuurindustrie: ze zijn kunstenaar, docent aan een kunstacademie, schrijver, toneelmaker, of, zoals in zijn nieuwste roman, tv-persoonlijkheid. Niet alleen omdat de schrijver deze wereld goed kent, ook omdat dit in zijn ogen een schijnwereld is waarin ambities gebouwd zijn op illusies en waarbinnen men de werkelijke verhoudingen nauwelijks kan doorgronden. Deze principiële onwetendheid van de personages vormt de kern van Verbogts literaire onderzoek, keer op keer koerst hij daarop af. Hij schrijft over hun leegte en illusies. Zijn romans en verhalen fileren deze kleinburgerlijke wereld tot op het bot, maar hij zegt het er niet bij, dat is zijn literaire eer te na. Bovendien wil hij de bewoners van deze wereld niet afvallen. Hij probeert zijn kritische schrijfhouding altijd aan het oog te onttrekken door een lichte, nauwelijks merkbaar satirische toon. Nee, geen expliciet politiek spierballengerol bij Verbogt, geen goedkoop machowerk, maar wie beter kijkt ziet keer op keer zijn vastberaden voornemen deze wereld, waar hij zelf deel van uitmaakt, aan een kritische blik te onderwerpen.
Hij zet zijn personages altijd neer binnen een grenssituatie, ze staan op een tweesprong in hun leven: moeten ze volharden of niet in hun zelfbedrog, kiezen of niet kiezen, de eigen illusies wel of niet doorprikken? Verbogt heeft vooral een voorkeur voor de melancholie, die zijn werk wel eens ondersneeuwt, omdat je daarmee zo ongeveer alles kunt wegrelativeren. Het idee dat alles vergeefs is, dat niets blijft en het leven geen zin heeft, geeft zijn werk dan iets vrijblijvends. Hij zoekt het in de voorzichtige zedenschets, maar daaronder schuilt wel degelijk harde (zelf)kritiek. Je kunt die melancholie overigens in de titels van zijn boeken zien doorschemeren. Onvolledig landschap (1989), Wat overblijft (1991), Het laatste uur van de middag (1991), Zo gaan die dingen (2004) en nu ook weer in zijn nieuwste roman, Verdwenen tijd.
In deze roman tref je weer de klassieke verbogtse ingrediënten aan: een tv-persoonlijkheid wordt geconfronteerd met zijn geheugen en herinneringen. Ineens verliest hij vertrouwen in zijn tamelijk onbenullige bezigheden als gast in praatprogramma’s, figuren uit het verleden duiken op, zijn wereld raakt aan het wankelen. En weer dringt de leegte zich aan dit personage op, het gevoel te willen verdwijnen, liefst voorgoed. ‘Daarom ben ik ook erg graag alleen, ik heb het gevoel dat ik dan een beetje kan verdwijnen, ik weet niet precies in wat, niet in gedachten, denk ik, maar ik stel me iets voor, bijvoorbeeld dat ik in een bos ben waar verder geen andere mensen zijn, of alleen in een boot op zee of op een brede rivier, een boot die op en onder water kan varen, en daar ben ik dan, en er gebeurt van alles met me zonder dat ik daar iets voor hoef te doen, ja, ik verdwijn in wat me overkomt.’ Typische Verbogt-wendingen. Steeds dat gevoel dat de dingen buiten jezelf om gebeuren en dat je er geen greep op hebt.
De roman staat vol met dergelijke uitwaaierende bespiegelingen van de hoofdfiguur. Daarbij zoomt de schrijver alleen in op diens binnenwereld, hoe hij eruitziet is van geen belang. Ook over het uiterlijk van de andere figuren krijgen we vrijwel niets te weten. Verbogt geeft lezers gelegenheid hun eigen beelden en raadsels op te roepen. Maar hij weet heel goed dat je een lezer niet bij de les houdt met alleen dit soort overpeinzingen over de leegte van het bestaan. Er moet een verhaal zijn en Verbogt vindt het niet erg als dat verhaal allerlei clichés rondom een jeugd en een liefde inzet. En dus creëerde hij een geschiedenis over een traumatische gebeurtenis in het leven van de hoofdfiguur die zich onafwendbaar aan hem opdringt. Ik heb bij hem altijd het idee dat het hem niet om het verhaal is begonnen. Het gaat erom wat hij in lezers oproept over hun eigen verhalen en herinneringen en zo hoort dat bij goede literatuur. Als je een Verbogt leest blijft er altijd iets te vragen over. Het gaat hem niet om de oplossing of de inlossing, het gaat hem om het gepeins erover, tijdens het lezen en vooral daarna. Juist de onnadrukkelijkheid van zijn vertelwijze, de bescheiden toonzetting ervan en zijn ingehouden stem, maken zijn werk indrukwekkend.