‘niet denken wanneer men ziet’

Job Koelewijn behoort tot een generatie van kunstenaars die haar allerpersoonlijkste ervaringen aan de muren van de musea hangt. Maar Koelewijn doet meer. Hij toont die ervaringen niet alleen, hij wekt ze ook op.
Tot en met 14 juli in Galerie Fons Welters, Bloemstraat 140, Amsterdam. Openingstijden: di/za 13.00-18.00 uur, en eerste zo. v/d maand (7 juli).
TOEN IK VOOR HET EERST een werk van Job Koelewijn zag vond ik er niks aan. Het was een foto van een man in een park met een kubus van spiegelglas over zijn hoofd. De titel van het werk was ‘Muts’. De bomen werden weerspiegeld in de kubus, en dat vond ik een beetje goedkoop effectbejag.

Maar een paar maanden later liep ik langs een bouwterrein en daar lag een soortgelijke kubus in een plas water. De reflectie van de blauwe lucht in het spiegelglas werd nog versterkt door de plas water, en ik dacht bij mezelf: misschien moet ik even kijken of het hoofd van Job Koelewijn er ook onder ligt. Op dat moment besefte ik dat het wel een goed kunstwerk geweest moest zijn, anders had het zich nooit zo op eigen kracht een pad door mijn geheugen kunnen banen. Ik moest dus mijn oordeel herzien.
In 1992 studeerde Job Koelewijn af aan de Rietveld Academie met een opmerkelijk project: hij liet het Rietveldpaviljoen, een glazen gebouwtje dat zich op het terrein van de academie bevindt, schoonmaken door zijn moeder en tantes, gekleed in hun Spakenburgse klederdracht, als een eerbetoon aan Gerrit Rietveld, de verpersoonlijking van Hollandse soberheid. Tegelijkertijd was het voor Koelewijn ook een poging om zichzelf te reinigen van de belasting die vijf jaar academie kan vormen.
Dat element van overbelast-zijn door een overvloed aan beelden keerde terug in een aantal werken dat zou volgen. Van aantekenboeken en scripties uit zijn studietijd maakte hij een papieren maatkostuum, dat hij ook echt gedragen heeft. Van de rest vouwde hij papieren hoedjes die hij op zijn vroegere lagere school in Spakenburg uitdeelde aan de kinderen, zodat het schoolplein veranderde in een zee van hoedjes met Jobs Koelewijns plannen en ideeen erop; zo gaf hij ze terug aan de wereld, in plaats van ze weg te stoppen of aan de vuilnisman mee te geven.
IN 1995 SMEERDE Job Koelewijn tijdens een tentoonstelling in De Appel in Amsterdam de glazen toegangsdeuren in met een dikke laag Dampo. Alle bezoekers inhaleerden zijn kunstwerk. Een installatie datzelfde jaar in de prachtige hoge ruimte van de Vleeshal in Middelburg, bestond uit een in strakke patronen gelegde vloer van volkorenspaghetti, waar de toeschouwers overheen konden lopen, in de richting van twee hoge, openstaande vensters, waar het licht stralendmooi door naar binnen viel, terwijl ze de spaghetti onder hun schoenzolen vermorzelden.
Voor een tentoonstelling in een klooster in Venetie, ter gelegenheid van de Biennale vorige zomer, legde Koelewijn door de kloostergalerijen een veertig meter lange buis, die hij bekleedde met een mengsel van bouillonblokjes en wat muntbladeren, met de achterliggende gedachte dat er niets krachtiger is dan bouillon. In een interview met Sandra Parry (Metropolis M, 1995) merkte hij op dat ‘hij het liefst een buizenstelsel door de hele wereld zou leggen, met her en der kraantjes, zodat iedereen nieuwe energie kan aftappen’. Het is de oprechtheid van die wens die dat kunstwerk zijn kracht en ontroering verleent.
Een vraag die zich bij conceptuele kunst eigenlijk altijd opwerpt is of het voorstel voor een werk het werk zelf zou kunnen vervangen. Zo zijn er nogal wat mensen van mening dat Marcel Duchamp ook had kunnen volstaan met het idee om een pissoir in een museum tentoon te stellen, zonder dat plan nog daadwerkelijk uit te voeren, omdat iedereen zich immers wel kan voorstellen hoe een pissoir in een museum eruitziet (al gaat dat wel helemaal voorbij aan de vraag hoe een museum eruitziet met een pissoir erin).
Iets soortgelijks speelt, paradoxaal genoeg, bij het werk van Job Koelewijn. Paradoxaal omdat je toch zou denken dat bij kunst die gebruik maakt van een zintuigelijke ervaring als geur, die vraag zich niet voordoet. Maar het wonderlijke is dat Koelewijns ingrepen in de werkelijkheid ook bijzonder levendig kunnen zijn voor mensen die ze niet daadwerkelijk hebben bijgewoond. Misschien komt het doordat hij zijn materialen zo chirurgisch zorgvuldig kiest, en door de bedrieglijke eenvoud ervan. Iedereen weet hoe bouillon geurt, of hoe fris een schoongemaakt huis kan zijn, bijna of je zelf een lavement hebt ondergaan.
Waarschijnlijk moet conceptuele kunst, installatiekunst, ook wel die (niet-visuele) kracht hebben om rechtstreeks tot de verbeelding te kunnen spreken, omdat de overlevering, de documentatie ervan, vaak het enige is wat ervan overblijft. Het werk zelf verdwijnt. Koelewijns pastavloer bestaat niet meer, de bouillonbuizen zijn vast ergens gedumpt, en ga zo maar door. Dus als zijn werk niet zo'n uitstraling zou hebben, zou het helemaal verdwijnen. Eigenlijk balanceert zijn werk al voortdurend op de grens van die verdwijning, en is hij daarbij afhankelijk van de inzet van een klein groepje toeschouwers, of een wat grotere groep mensen die over zijn werk leest en de moeite neemt daarover na te denken. Ik vind dat wel een moedige houding voor een beeldend kunstenaar.
Koelewijn komt uit een generatie van kunstenaars die momenteel enthousiast hutten bouwt in musea, liedjes nazingt die hun moeder gezongen zou hebben tijdens haar zwangerschap, frivool onscherpe kleurenkopietjes op museumwanden prikt, of koddig dansend op een videotape in de weer is met eigen vetrolletjes. Kortom, een overvloed aan onaffe, persoonlijke ervaringen toont. Maar het tonen van een persoonlijke ervaring is iets anders dan er een opwekken, en dat is nu net waar Koelewijn als een van de weinigen wel in slaagt. Hoewel ook hij op zoek is naar het verbeelden van een persoonlijke ervaring en die voortdurend als ijkpunt neemt, bewaart hij in zijn werk voldoende afstand daartoe om de toeschouwer een beetje lucht, een beetje leven te gunnen, in plaats van hem te overspoelen met wat in sommige gevallen bijna ongewenste intimiteiten lijken te zijn.
DE KOMENDE WEKEN toont Koelewijn zijn nieuwste installatie. Meteen als je binnenkomt in de galerie, een grote kale ruimte met de mooiste toegangsdeur van Amsterdam (vooral de brievenbus is geweldig), zie je een spandoek hangen met de tekst 'No history makes you old’, waarin ook twee doucheputjes verwerkt zijn, terwijl een tape het geluid van stromend water laat horen. In de achterwand heeft Koelewijn een imposant gat gehakt ter grootte van een voetbaldoel, dat uitzicht biedt op het doorsnee-groen van de werkelijkheid in de Jordaan. Een wand van de 'witte doos’ die een expositieruimte toch is, heeft Koelewijn weggehaald, omgeklapt alsof het de rand van zijn muts is, die voor zijn ogen geschoven was.
Midden in de galerie ligt een spierwitte voetbal, die hij van pepermuntjes heeft gemaakt. Verder bestaat het werk nog uit een plastic inhalatietuitje dat ergens op gezichtshoogte aan een draad bungelt en met Dampo is gevuld, waarin een uitgeknipt citaat uit het werk van Dante is verwerkt (daarvoor moet je erin kijken, en niet alleen snuiven).
Het is alsof je, om de last van de geschiedenis die je steeds maar overspoelt af te kunnen werpen, eerst eens extra diep moet ademhalen, met behulp van de Dampo en de poezie van Dante, om daarna de kunstvoetbal met een flinke trap de werkelijkheid in te kunnen juinen. Eerst dacht ik dat ik het werk misschien zuiverder, mooier ook, gevonden zou hebben als het alleen uit de voetbal en het (niet-bestaande) doel had bestaan. Ik vond dat de elementen die Koelewijn er nog bijgevoegd heeft het een beetje tot een rebus maken. Maar de tweede keer dat ik het werk zag, vond ik alles precies goed zoals het was. Misschien moet je wel gewoon alleen maar naar het werk kijken, zonder meteen te willen oordelen. Zoals Alberto Caeiro, het alter ego van Fernando Pessoa, tegen Job Koelewijn, en mij, zou zeggen: 'Essentieel is kunnen zien,/ Kunnen zien zonder te denken,/ Kunnen zien wanneer men ziet/, En niet denken wanneer men ziet/ Noch zien wanneer men denkt.’
En ik zeg het Pessoa maar na, want ik zou het niet beter kunnen uitdrukken. De rest van het gedicht is ook mooi, maar je moet toch kiezen. De andere gedichten van Pessoa zijn trouwens ook heel mooi. Die vent kon er wat van, net als Job Koelewijn, die eigenlijk een dichter met energie is. Daadwerkelijke, onversneden energie. Te zien in Amsterdam tot en met 13 juli!