Niet door de lens kijken!

In de zomer zie ik films die nog moeten worden gemaakt en in veel gevallen nooit zullen worden gemaakt. Ik lees scenario’s, treatments, synopsissen, en hoe je verder filmplannen op papier kunt noemen. Ik lees ze voor het Rotterdamse Hubert Bals Fonds, dat een bescheiden potje beheert waarmee filmmakers uit minder rijke delen van de wereld financieel kunnen worden gesteund. Het minder rijke deel is altijd nog het overgrote deel van de wereld en de pot is snel leeg.

Er bestaan heel weinig van dit soort fondsen en daardoor is het aantal aanvragen imposant. In de meeste gevallen is het geen vakantielectuur. Er bestaat bij schrijvers van filmscenario’s een grote angst om niet begrepen te worden. Ze lijken niet altijd te beseffen dat er ooit iemand over hun schouder zal meelezen en dat niet alles altijd opnieuw uitgelegd hoeft te worden. Of opnieuw gezegd hoeft te worden.
In het merendeel van de papieren die moeten leiden tot een film draait het primair om de dialogen. Soms krijg je het gevoel dat je eerder een manuscript voor een radiohoorspel leest dan de beschrijving van een film in wording. En als het geen radio is, dan is het wel televisie. Een scenario kan de vorm aannemen van een soort invuloefening. Het verhaal of de dramatische lijn vormen een kader dat door een handvol personages in vakken is opgedeeld. De vakken krijgen de bij hun karakter passende dialogen en vullen met elkaar het kader. Klaar.
Gechargeerd? Laatdunkend? Misschien niet als je bedenkt dat de meeste films op andere films willen lijken. Ze willen die invuloefening zijn omdat ze willen bieden wat er wordt verwacht. En soms zijn die invuloefeningen heel zorvuldig en ambachtelijk gemaakt, en ook zijn ze wel eens onderhoudend, maar verrassen doen ze nooit, omdat ze dat ook niet willen. Ik denk dat een film altijd uit moet zijn op een verrassing, op een manier om de toekomstige toeschouwer te verbazen.
De aardigste filmplannen uit wat ik toch nog maar de derde wereld noem, zijn de plannen die je kennis willen laten maken met een specifieke plek. Niet zelden zijn ze gebaseerd op autobiografische ervaringen. Er bestaat al een aantal films met als titel de naam van een volkswijk in een derde-wereldstad zoals Halfaouen en Bab El-Oued, en dat aantal zal gezien het aantal scenario’s met dit uitgangspunt zeker nog groeien. Misschien groeit het wel uit tot een klein genre. Het genre in wording biedt de mogelijkheid om de wereld in een notedop te schetsen en daarbij symbolisch en concreet en authentiek tegelijkertijd te zijn. De ruimtelijke bepaling maakt het mogelijk het verhaal op te delen in kleinere schetsen en de wijk als hoofdpersoon geeft de mogelijkheid om de aandacht te verdelen over diverse personages. De specifieke couleur locale kan er voor zorgen dat de films niet inwisselbaar worden en de autobiografische inbreng van de maker zou dat moeten versterken. Misschien groeit het nog niet-bestaande genre wel uit tot een alternatieve filmische atlas of tot een audiovisuele bibliotheek die een tegenhanger kan vormen voor de valse video’s die reisbureaus produceren over de nieuwe vakantiebestemmingen in de derde wereld.
Het meest bemoedigend zijn de filmplannen van filmmakers die in niets op iets anders willen lijken. Derde-wereldcineasten die dromen van films die zo eigenzinnig en ongebreideld zijn dat ook het rijke Westen ze zich niet wil veroorloven. Films die ook hier worden beschouwd als overbodige luxe kunnen blijkbaar overal op de wereld worden bedacht. Mani Kaul - niet de eerste de beste Indiase filmmaker - droomt van een film die moet worden gemaakt met een cameraman die niet door de lens mag kijken. Een radicale poging om beelden te verkrijgen die niet eerder zijn gezien. Die niet lijken op wat we denken te moeten zien.
Of de film van Kaul er ooit komt valt zeer te betwijfelen, maar zulke plannen prikkelen tot verder lezen. Verder kijken naar films die je nooit zult zien.