Niet door mijn schuld

De ramp in Pakistan - daar wilde ik over schrijven.
Een paar jaar geleden meende ik dat ik een heel goed televisie-idee had: Het Goede Doel. We zouden wekelijks een inzamelingsactie houden voor iets wat voor onszelf belangrijk was. Dus: de ene week een inzameling voor Wifi voor heel Nederland! De week daarop: een actie voor bibliografisch onderzoek naar het werk van Kees Fens en uitgave van zijn Volledig Werk. De week daarop: een actie voor de restauratie van een pas ontdekt schilderij van Kees van Dongen, of de restauratie van een bijzondere cello.
Tja, daar zaten we bij de omroepdirecteur.
Of we hem soms in de maling namen, vroeg hij. Ik was stomverbaasd en schudde mijn hoofd. Dit had niks met goede doelen te maken, meende hij.
‘Nou, als we allemaal Wifi hebben… dat zou ik wel handig vinden’, zei ik.'Het is allemaal egoïsme. Goede doelen zijn anti-egoïstisch’, was zijn stelling. 'Goede doelen zijn voor mensen die zielig zijn. Gehandicapte kinderen, of dakloze mensen, mensen met ziektes. Niet wat jullie willen. Dat is cultuur.’
Ik had geen zin in een ideologische discussie, maar toch vertelde ik hem het verhaal van mijn vriend E. die meewerkt aan het aidsonderzoek in Amerika. Die zei me: 'Er is voor het aidsonderzoek eigenlijk te veel geld. Dat komt doordat we domweg niet goed weten welke wetenschappelijke vragen we moeten stellen. Als je niet weet wat je moet onderzoeken, kun je daar moeilijk geld aan uitgeven. Daarbij komt ook nog dat sommige onderzoeken lang duren voordat je resultaat hebt geboekt. Pas als je die resultaten kent, kun je vervolgonderzoek doen.’
'Dus jij zou geen geld meer willen inzamelen voor aids of kanker’, zei de directeur.
Ik schudde mijn hoofd.
'Walgelijk.’
We konden vertrekken.
In Pakistan voltrekt zich momenteel een ramp. En dat vind ik heel erg. Maar toch krijgen ze geen cent van mij. Misschien als ik een collectant tegenkom dat ik een euro doneer om van die collectant af te zijn, maar ik verdom het om extra geld te geven. Hoe zielig ook.
'Ja. Maar dan sterven er miljoenen.’
'Ja. Maar niet door mijn schuld.’
'Wel door jouw schuld.’
Die discussie voer ik niet meer. Het is mijn schuld niet. Als 98 procent van de bevolking in Pakistan aan Allah gelooft, en ik vervolgens de schuld krijg dat daar mensen sterven ten gevolge van een natuurramp, dan wordt 'schuld’ wel een volstrekt willekeurig en waardeloos begrip.
Soms hoor ik van kroost dat mij dierbaar is dat die ook wel eens de wens hebben om een schooltje in Zambia te bouwen. Goddank heb ik ze dat uit het hoofd gepraat. Toen ik op mijn journalistieke wijze doorvroeg naar het waarom hoorde ik dingen als 'kansen die wij wel krijgen, en zij niet’.
Dat irriteerde mij zwaar. Misschien heb ik hard gewerkt om kansen te krijgen? Ik noem maar wat. Misschien mijn ouders ook? Misschien hun ouders ook? Daarom vind ik het zo schandelijk dat mijn erven zoveel belasting moeten betalen als ik ze iets zou nalaten. Het verdroot mijn vader zeer. 'Ik werk voor je moeder en voor jullie’, zei hij tegen de kinderen: 'Niet voor Nederland dat mij uit Indië heeft gejaagd.’
Ik dwaal af.
Al die gulle gevers aan de rampen kunnen straks zien hoe kindsoldaten wapens hebben gekocht van het zo ruim gedoneerde geld.