Niet doorvertellen

Slechts de namen van de grote drinkers leven voort, beweerde de vergeten dichter Riekus Waskowsky, en het lijkt te kloppen, vooral de afgelopen maanden. Kijk maar wie er recent als herontdekkingen via het tv-scherm de bestsellerlijsten in zijn gelanceerd: Charles Bukowski, Julio Cortázar, en zelfs Simon Carmiggelt eventjes…

Allemaal dode drinkers die plots weer eventjes hip zijn. Het mechanisme achter die succespieken is wel te begrijpen. In het grote boekenaanbod van hedendaagse fictie raken we snel verdwaald. Bovendien is het niet overdreven om te stellen dat zo’n tachtig procent ervan helemaal niet goed is, maar wel verschrikkelijk middelmatig. Als boekenkoper voel je je dus al gauw bekocht, zodat je beter kunt inzetten op iets wat de tijd getrotseerd heeft. Daar komt bij dat er altijd mensen staan te popelen om met hun literaire helden te wapperen, om zo hun doorslaggevend aandeel in de postume herwaardering te kunnen claimen.

Drinkers doen het daarbij goed. Allereerst omdat er leukere anekdotes over ze bestaan dan over tomatensapliefhebbers. En ze voeden het grote verlangen naar de romantiek van de gekwelde kunstenaar. In modernere vorm ziet die er precies zo uit als Kurt Cobain. Of Roberto Bolaño. Of David Foster Wallace.

Je zou onder literaire vrienden een weddenschap kunnen afsluiten: wie schreef de volgende herontdekking? Is het al weer tijd voor Hemingway? Of komt Fitzgerald eerst nog langs op revivaltocht? Rimbaud, Baudelaire? Nee, die hadden waarschijnlijk wat toegankelijker moeten schrijven. Slauerhoff? Boon? Pessoa natuurlijk, die zich dooddronk (na het noteren van zijn laatste dichtregel: ‘Geef mij nog wat wijn, want het leven is niets’).

Het is prachtig dat iemand die dode drinkers van tijd tot tijd in het zonnetje van de studiolampen zet. Sterker nog: het is oneindig veel beter wanneer goede boeken worden aangeprezen in plaats van, wat jammer genoeg nog best wel eens gebeurt, verschrikkelijk middelmatige. Er is dus geen enkele reden tot klagen.

En toch.

Laatst stelde ik me gedetailleerd voor dat ineens Joseph Brodsky’s Kade der ongeneeslijken in een tv-studio werd opgehemeld. Daar voelde ik een raar soort gêne bij. Alsof je een ex-vriendin ineens als uitklapposter in de Playboy aantreft, dat gevoel.

Zodra het boek van de massa is, is mijn exemplaar minder waard

Het boek is mij dierbaar en is alleen antiquarisch verkrijgbaar. Wil ik dat het ineens grote herdrukken krijgt? Wil ik dat het in cellofaan verpakt in de schappen van Albert Heijn komt te liggen? Nee, ik wil het zelf houden. En zodra het van de massa is, is mijn exemplaar minder waard. Het meisje met de pareloorbel is een verpletterend mooi doek, maar ik hoef het niet meer te zien.

Hetzelfde zou ik hebben met Nootebooms Mokusei!, met Baltasar Graciáns Handorakel, met Slauerhoffs Schuim en as en uiteraard ook met… nee, nu is het genoeg! Wegwezen uit mijn boekenkast allemaal. Blijf met je vieze vuile tengels van mijn spullen af! En als je straks weer buiten bent: vertel aan niemand wat je hier gezien hebt. Aan niemand, hoor je me?

Wellicht is dat dan weer míjn romantische scheve kijk op de zaak: dat ik in de waan leef dat de werkelijke meesterwerken op fluistertoon spreken, achter de rug van hun hand, in het geniep. Ssst, niet verder vertellen hoor…

Het heeft te maken met de aard van het geschreven woord. Dat richt zich per definitie tot een individuele lezer, zoals het televisiebeeld zich per definitie tot de anonieme massa richt. De lezer schrijft zelf mee aan het werk. Hij is degene die het in zijn hoofd uitvoert en opvoert, van de kleinste details tot het grote decor. Van dat boek van Brodsky luiden de derde en vierde zin: ‘Ik stond er te wachten tot de enige die ik in deze stad kende me kwam afhalen. Ze was veel te laat.’

Ik ben gewoonlijk geen liefhebber van sobere, kale zinnen (en gelukkig staan er ook veel langdradige in), maar wat een opening! Wat een toonzetting, wat een atmosfeer. Ik was meteen verkocht. Met Brodsky sta je alléén op dat treinstation in Venetië, te wachten op een andere ziel die ook alleen is, en die als enige in staat is jou van je alleen-zijn te genezen, en met een minimum aan nadruk meldt die wachtende reiziger dat het een vrouw is.

Zo zou ik over vrijwel elke zin in dat boek een hartstochtelijk verhaal kunnen afsteken, van het opgewonden naar adem happende soort dat men graag op televisie ziet. Toch doe ik het niet. Ja, nu en hier, eventjes, maar we zijn hier met vrienden onder elkaar, en bovendien had ik op Antiqbook gezien dat er toch nog maar één Nederlands exemplaar te koop is. Het is dat ene exemplaar dat jij nu zult bestellen. Maar hou het stil. Laat het in je oor fluisteren en vertel het niet door. Aan niemand.