Meerderheden in het nauw?

Niet echt Nederlands is ook Nederlands

Een hoofdkenmerk van de rechtsstaat is dat minderheden rechten hebben om de hegemonie van de meerderheidscultuur enigszins te matigen. Waarom moet de meerderheid daar dan weer rechten aan ontlenen, zoals rechts verontwaardigd roept?

Minderheidsrechten worden vaak verward met grondrechten; godsdienstvrijheid geldt bijvoorbeeld voor alle burgers

De feestdagen komen eraan en supermarkt Lidl wilde dat met een fleurige folder onder de aandacht brengen. Maar in plaats van een run op de supermarkt vanwege waanzinnige aanbiedingen ontstak er een volkswoede op sociale media: Lidl had onze cultuur verraden! Waarom stond er ‘feestdagen’ in de folder in plaats van ‘kerstfeest’? Een ander pijnpunt was dat Sinterklaas ook opging in de neutrale noemer van ‘feestdagen’. Dit was na de verroetveging van Piet nóg een bewijs van de ondergang van het Avondland. Ook Lidl zou niet meer voor onze Nederlandse tradities staan.

Al twee decennia wordt in steeds schrillere bewoordingen gesteld dat ‘Nederland’ – zijn tradities, gewoonten en taal – onvoldoende zou worden beschermd. ‘Nederland’ zou worden aangetast of zelfs ‘verraden’. Het is makkelijk voorbeelden te noemen uit de politiek. Zo was de pvv de eerste partij die expliciet de ‘verdrukte meerderheid’ thematiseerde en een heus wetsvoorstel indiende om Zwarte Piet te behouden. ‘Onze cultuur mag niet van hogerhand worden aangetast’, stelde de partij. ‘De aanval op Zwarte Piet is veel meer dan een subtiele aanpassing van een traditie; het is een aanval op de Nederlandse identiteit.’

Ook Forum voor Democratie (FvD) sprong in de bres tegen de uitholling van de Nederlandse identiteit en cultuur: ‘De zelfhaat – oikofobie – van onze elites moet stoppen.’ Om deze reden zwengelde de partij een debat aan over een veronderstelde War on X-mas; de npo zou het woord ‘Kerst’ van de buis willen verbannen in naam van ‘diversiteit en inclusiviteit’. Na zoveel verbaal wapengekletter kon de vvd natuurlijk niet achterblijven en zij wierp zich op als hoeder van de resterende christelijke feestdagen. ‘Pasen en Pinksteren hóren bij Nederland’, vond de toenmalig fractievoorzitter Halbe Zijlstra.

Op het eerste gezicht lijkt dit soort discussies vooral de ondraaglijke lichtheid van het huidige nationalistische publieke debat in Nederland aan te tonen, voortkomend uit een ergerlijke dynamiek tussen Twitter, media en politiek. Maar er is meer aan de hand. Ten eerste worden langzaamaan vrijwel álle politieke onderwerpen besproken als (al dan niet) aanvallen op de Nederlandse cultuur; het is een opvallend besmettelijk frame. Klimaatwetgeving vormt inmiddels een bijzondere bedreiging voor ons nationale voedsel: de gehaktbal. De gebedsoproep die de Blauwe Moskee in Amsterdam één keer per week wil laten horen zou cultureel niet bij ons passen. Engelstalig onderwijs aan de universiteit of Europese samenwerking? Nederland in de uitverkoop! Nog even en iedere politieke kwestie in Nederland – economie, ecologie, onderwijs, EU, huisvesting, buitenlands beleid –wordt gereduceerd tot een conflict tussen de ‘echte Nederlanders’ versus moslims, antiracisten en de ‘culturele elite’, die samen Nederland zouden willen verzwakken en ondermijnen.

Ten tweede is deze nativistische analyse niet voorbehouden aan Twitter-trollen en populistische politici. Ook in de rechtspraak en binnen de academie wordt het belang van de rechten van de meerderheidscultuur steeds vaker benadrukt. Het is bijvoorbeeld onderbelicht gebleven dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het Franse boerkaverbod in stand heeft gehouden, niet omdat dit verbod de seksegelijkheid of veiligheid zou dienen, maar omdat het niet-dragen van een boerka een culturele waarde van de Franse meerderheid zou zijn. En er verschijnen steeds meer wetenschappelijke boeken en artikelen over ‘culturele meerderheidsrechten’. De teneur daarvan is dat het huidige succes van illiberale en nativistische politiek in de westerse wereld een logische reactie is op de eenzijdige academische en politieke aandacht voor culturele diversiteit en minderheidsrechten. Waarom, zo vragen deze wetenschappers zich af, was er zo weinig aandacht voor de gevoeligheden en rechten van culturele meerderheden?

—————

Het fascinerende, en ook wel zorgwekkende, aan deze opkomende stroom van publicaties is dat de auteurs zich proberen te positioneren als het ‘redelijke midden’ tussen linkse en rechtse politiek – leidend tot opvallend welwillende interviews in dag- en weekbladen. Dit doen ze door uitgesproken nationalistische of racistische politici als Geert Wilders, Marine Le Pen en Filip Dewinter af te wijzen, terwijl ze hun academische analyse tegelijkertijd presenteren als een verklaring voor, en mogelijk antwoord op, hun opkomst. En dat terwijl deze analyses het gedachtegoed én de beleidsvoorstellen van deze politici grotendeels overnemen en zelfs van wetenschappelijke legitimiteit voorzien.

Zo organiseerde de socioloog Ruud Koopmans afgelopen april een conferentie over meerderheidsrechten en presenteerde aldaar ook een paper over hetzelfde onderwerp. De argumentatie van Koopmans gaat als volgt: nu inmiddels overtuigend is aangetoond dat minderheden bepaalde culturele rechten hebben – hij lauwert hiervoor vooral het werk van de filosoof Will Kymlicka – betekent dit logischerwijs dat culturele meerderheden ook recht hebben op hun tradities, cultuur en taal. In zijn paper behandelt hij de boerka en de verroetveging van Zwarte Piet, beide omschreven als problematische bedreigingen van de meerderheidscultuur. In zijn presentatie tijdens de conferentie noemde hij ook genderneutrale toiletten als voorbeeld.

Het is een opvallende argumentatie, niet in de laatste plaats omdat Koopmans zijn academische carrière tot nog toe wijdde aan het bestrijden van minderheidsrechten zoals geformuleerd door onder meer Kymlicka. Maar los daarvan is de manier waarop ‘minderheids’- en ‘meerderheids’-rechten op één lijn worden gesteld om meerdere redenen hoogst problematisch.

Deze kritiek geldt ook voor andere academische meerderheidsdenkers, zoals de ‘interculturalist’ Gérard Bouchard, die pleit voor ‘voorrang’ van de meerderheidscultuur (‘majority precedence’). Een ander voorbeeld is Oxford-filosoof David Miller, die stelt dat historische meerderheden het recht hebben om bepaalde religieuze symbolen (minaretten) uit de publieke ruimte te weren om de lokale identiteit te bewaren.

Een probleem met deze publicaties is dat de auteurs miskennen waarom minderheden in een democratische rechtsstaat bescherming verdienen. Wat zij abusievelijk ‘minderheidsrechten’ noemen, zijn vaak grondrechten die individuen toekomen, onder andere ter bescherming tegen de tirannie van de numerieke meerderheid. Als het bijvoorbeeld aankomt op gewetens- en godsdienstvrijheid, dan is het niet de juiste vraag of gebruiken overeenkomen met wat de meerderheid waardeert. Alle burgers zijn in de beoefening van dergelijke rechten vrij, zeker als hun keuzes niet botsen met andere grondrechten.

‘Nederland’ – zijn tradities, gewoonten en taal – zou worden aangetast of zelfs ‘verraden’

Neem het dragen van een hijab, keppeltje of Sikh-tulband: ongeacht hoe onprettig een meerderheid van de Nederlanders die kledij mogelijk ook vindt, zolang iemand haar wenst te dragen is dat een recht. Hetzelfde geldt voor religieus onderwijs zolang artikel 23 van de Nederlandse grondwet bijzonder onderwijs beschermt. Dit laat ook zien dat de argumentatie van het Europees Hof over het Franse absolute boerkaverbod – of je nu persoonlijk fan bent van dit kledingstuk of niet – een juridische misstap is, waarbij een grondrecht is ingeperkt op basis van de culturele meerderheidsopvatting.

Daarnaast zijn échte minderheidsrechten – dus rechten die rekening houden met groepen, niet uitsluitend met individuen – een reactie op het feit dat staten een nationale identiteit aan hun burgers opleggen en aanleren. Zo hebben staten officiële talen, verplichte curricula op scholen met een nadruk op nationale geschiedenis, een publieke omroep die allerlei nationale festiviteiten onder de aandacht brengt, en bestaan er verplichte nationale feestdagen. Deze ‘disciplinerende’ praktijken schuren met de liberaal-democratische beloften van vrijheid en gelijkheid, maar zij kunnen worden gelegitimeerd omdat een democratische samenleving nu eenmaal bepaalde gemeenschapsgevoelens nodig heeft om te kunnen functioneren. Voorstanders van minderheidsrechten ontkennen het belang van gemeenschappelijkheid dan ook niet; zij accepteren dat de staat een zekere nationale identiteit oplegt.

Wel werpen zij de vraag op of van alle burgers geëist mag worden dat zij volledig assimileren in dezelfde (meerderheids)cultuur en of minderheden verplicht kan worden om hun eigen achtergronden volledig op te geven. Nationale minderheden zoals de Nederlandse Friezen krijgen daarom bepaalde (taal)rechten. Maar ook migrantengroepen hebben binnen deze logica bepaalde rechten, zoals dat hun migratiegeschiedenis en culturele achtgronden onderdeel worden van de nationale geschiedenis en identiteit. Bij migrantengroepen gaat het wel om een vrij beperkte tegemoetkoming. Zo moeten zij zich uiteraard aan de wet en grondrechten houden, wordt van hen verwacht dat zij de nationale taal (ook) spreken, hebben zij in de regel verplicht vrij met de nationale feestdagen van de meerderheidscultuur, enzovoort. De ambitie is dat zij zich (gaan) identificeren als staatsburger én met de nationale identiteit, waarin ze ook zichzelf terugzien. Voorstanders van minderheidsrechten vinden dit alles geen probleem zolang de staat ondubbelzinnig uitstraalt dat alle burgers, hoe divers ook, gelijkwaardig zijn.

Dit laat zien dat minderheidsrechten een compensatie-middel zijn ter voorkoming dat de nationale identiteit te sterk wordt gedomineerd door de meerderheidscultuur of zelfs stigmatiserend is voor minderheden – bijvoorbeeld als zij in de culturele nationale canon worden neergezet als ‘niet echt Nederlands’. Het is daarom raadselachtig dat voorstanders van meerderheidsrechten de argumentatie vóór minderheidsrechten inzetten ter fundering van meerderheidsrechten. Als (nogmaals, beperkte) minderheidsrechten bestaan om de hegemonie van de meerderheidscultuur enigszins te matigen, hoe zou de meerderheidscultuur daar dan weer rechten aan kunnen ontlenen?

—————

Dezelfde verwarring over de verhouding tussen minder- en meerderheden zien we terug op andere terreinen, bijvoorbeeld in de oproep tot het houden van een Straight Pride omdat er ook een Gay Pride is. Zo’n Straight Pride is inmiddels georganiseerd in Boston, ter ondersteuning van de ‘oppressed majority’. Maar hoezo? De mobilisatie rondom de Gay Pride was (en is) een gevolg van het gegeven dat de wereld elke dag een Straight Pride is: de meerderheids-heterocultuur wordt permanent beleefd én gevierd.

Juist omdat meerderheden al gauw domineren omdat ze numeriek in de meerderheid zijn, is het omwille van gelijkheid extra belangrijk om te bevragen of rechten van minderheden wel voldoende worden gerespecteerd. Kunnen zij bijvoorbeeld aspecten van meerderheidspraktijken ter discussie stellen? Voorstanders van meerderheidsrechten willen hier niets van weten: de meerderheidscultuur staat niet ter discussie omdat het de cultuur van de meerderheid is. Tegenstanders van Zwarte Piet of van activisten die pleiten voor genderneutrale toiletten worden bij voorbaat in de ban gedaan, want ‘de meerderheid’ zou er anders over denken.

Hiermee worden ook de mogelijkheid en het belang van democratische en inclusieve veranderingen van de meerderheidscultuur ontkend. Mogen burgers racistische kenmerken van de meerderheidscultuur en nationale identiteit nooit wijzigen? Had de homobeweging niet het recht om te pleiten voor het homohuwelijk toen een meerderheid in de Tweede Kamer daar nog tegen was? Is de meerderheidscultuur voor altijd ‘bevroren’?

Binnen deze politieke en academische pogingen om de meerderheidscultuur te ‘beschermen’, wordt ook hardhandig bepaald wie wel of niet bij ‘de meerderheid’ hoort. Migranten en hun kinderen worden bijvoorbeeld steevast weggezet als cultureel ‘anders’. Zij zouden ervoor zorgen dat de cultuur van ‘de meerderheid’ steeds meer onder druk staat. Thierry Baudet: ‘Massale immigratie leidt ertoe dat kinderen die nu op de basisschool zitten, nog zullen meemaken dat ze een minderheid worden in hun eigen land.’ Deze ‘omvolkingsangst’ – oorspronkelijk een complottheorie uit de krochten van het internet – is de afgelopen jaren een centrale stelling geworden van populistisch rechts. Zij impliceert veelal dat de ‘echte’ Nederlandse bevolking, de relevante ‘meerderheid’, wit is en wit moet blijven.

Deze vormen van ‘wit zelfbewustzijn’, zoals Stephan Sanders het recentelijk in dit blad omschreef, leiden dus niet alleen tot een aanval op minderheidsrechten, maar ook tot een racialisering van de meerderheid. Dit wordt het meest pregnant verwoord door de politicoloog Eric Kaufmann in zijn boek White Shift: Populism, Immigration and the Future of White Majorities. Hierin maakt hij zich sterk voor het recht van meerderheden om hun cultuur te verdedigen als een witte cultuur. Ook hij redeneert op basis van de bovengenoemde kromme analogie: als minderheden zich mobiliseren op basis van ras en etniciteit, denk aan Black Lives Matter, waarom zou de meerderheid dan niet het recht hebben om zich te manifesteren in raciale termen? Hij miskent hiermee dat zwarte burgers zich, reactief, als zwarte burgers manifesteren omdat zij als zwarte burgers gediscrimineerd worden. Als gevolg trekt Kaufmann de verkeerde conclusie dat de relevante discussie is hoe de meerderheid wit kan blijven – in plaats van zich af te vragen hoe zwarte burgers zich niet meer gedwongen voelen om als zwarte burgers te protesteren.

In de wereld van Kaufmann staan witte nativisten tegenover niet-witte nieuwkomers – de enorme groei in gemengde huwelijken wordt door hem dan ook met weerzin aanschouwd. Door de meerderheid, die in zijn ogen bescherming verdient, een kleur te geven (wit!) en te bevriezen is iedere vorm van vermenging meteen een bedreiging. Maar waarom gaat het Kaufmann om het voortbestaan van de witte meerderheid en niet om een bredere liberaal-democratische mainstream, waar burgers van heel uiteenlopende achtergronden deel van kunnen uitmaken?

Tegenstanders van Zwarte Piet worden in de ban gedaan want ‘de meerderheid’ denkt er anders over
—————

De belangrijkste vraag is daarmee: bestaat er feitelijk zo’n mainstream? Hoe divers is Nederland? En wat betekent die diversiteit voor ‘de meerderheid’ en de democratie? Zijn we inmiddels ‘te divers’, zoals de Britse publicist David Goodhart vreest?

In termen van achtergronden is Nederland ontegenzeggelijk diverser geworden in de afgelopen decennia: méér mensen uit méér verschillende landen zijn in Nederland komen wonen. De gemeente Amsterdam hing vorig jaar posters op met de blijde boodschap dat Amsterdam wel 140 nationaliteiten kent. Het idee dat we een ‘superdivers’ land zijn geworden wordt dus zowel als schrikbeeld uitgedragen door populistisch rechts als verwelkomd door progressieve bestuurders. Maar snijdt de claim dat de voormalige bevolking in Nederlandse steden een culturele minderheid is geworden hout?

Deze gedachte is in de academie vooral verwoord door de socioloog Steven Vertovec, die de term superdiversiteit muntte, en hier te lande gepopulariseerd door Maurice Crul, hoogleraar sociologie aan de VU. Deze zienswijze is, onbedoeld, wind in de zeilen van meerderheidsdenkers die stellen dat de meerderheidscultuur gevaarlijk ten onder gaat. Maar in welk opzicht zijn we ‘superdivers’? Het klopt dat er meer diversiteit is in kleding, in muzieksmaken, in restaurants, in talen, in geloven en in huidskleuren. Alle Nederlandse burgers worden daarom dagelijks geconfronteerd met burgers die op etnische, gelovige en culturele vlakken anders zijn dan zijzelf. En al deze vormen van diversiteit vermengen zich ook weer en nemen samen nieuwe vormen aan. Maar betekent dit dat er geen bredere liberale mainstream meer is?

De vraag is of van burgers mag worden geëist dat zij volledig assimileren in dezelfde meerderheidscultuur

Vertovecs claim dat de steden in westerse landen superdivers zijn geworden baseert hij vooral op de toegenomen diversiteit onder migranten: waren dat vroeger vooral laagopgeleide alleenstaande mannen tussen de twintig en dertig jaar die geconcentreerd woonden in bepaalde wijken van enkele steden, nu is het palet van burgers met migratieachtergronden veel diverser. Maar waar Vertovec zich blindstaart op het toegenomen verschil onder migranten in termen van opleiding, etniciteit, nationaliteit, leeftijd, gender en woonplaats ziet hij, opmerkelijk genoeg, over het hoofd dat burgers met een migratieachtergrond in de relevante statistieken vooral meer zijn gaan ‘lijken’ op de bevolking zonder migratieachtergrond. Ze vormen gezinnen, worden ouder, hebben uiteenlopende politieke opvattingen, variëren in seksualiteit en gender, zijn steeds hoger opgeleid, wonen door het hele land, en verwerven staatsburgerschap.

Met andere woorden: Nederlandse burgers mogen dan diverser zijn geworden in etniciteit en achtergrond, maar ze delen samen, en zelfs steeds meer, nog altijd een internationaal gezien uitzonderlijk homogeen-progressieve mainstream. En dit geldt ook voor opvattingen en waarden die pvv, vvd, cda en FvD zeggen te willen beschermen op terreinen als godsdienst, gender, seksualiteit en taal.

Om met het laatste te beginnen: het duurt meestal zo’n twee generaties voordat de taal van het land van aankomst na migratie thuis (ook) wordt gesproken, met name door de jongeren. Ook hebben deze jongeren liberalere opvattingen over de gelijkheid van mannen en vrouwen. Burgers met een migratieachtergrond trekken naar het maatschappelijk gemiddelde toe: niet alleen in relatie tot progressieve opinies (acceptatie van het homohuwelijk) maar ook in gedrag (lager kinderaantal, hogere huwleeftijd et cetera).

Wel blijven bepaalde groepen, zoals Turkse en Marokkaanse Nederlanders, opvallend religieus, zeker in vergelijking met de internationaal unieke seculariteit van de meeste Nederlanders. Dat dit tot gefronste wenkbrauwen kan leiden is begrijpelijk, in die zin dat veel Nederlanders waarschijnlijk blij waren dat religie net wat meer naar de achtergrond was gedrukt. Toch is religiositeit onder minderheden in de samenleving (Nederland kent nu vijf procent moslims) niet per se problematisch zolang er een brede liberale mainstream gedeeld wordt. En die vormt zich constant: zelfs degenen die islamitische orthodoxie belichamen – neem niqaabdraagsters – verdedigen zich vaak in liberale termen: ‘Ik kies er zelf voor…’

Natuurlijk zou het mooi zijn als nog liberalere opvattingen over gelijkheid nog sneller en meer terrein zouden winnen onder Nederlanders, dus zeker ook onder minderheden, maar dat is hier het punt niet. Het gaat er hier om dat er geen sprake is van een toenemende splitsing in opinies en gedrag, maar van (in bepaalde gevallen wel langzame) convergentie. Sterker nog, de steun voor liberaal-democratische waarden is in Nederland nog nooit zo breed geweest – ook al omdat partijen als vvd, cda en CU de afgelopen tien jaar veel liberaler zijn geworden.

—————

Waarom ervaren veel Nederlanders én migranten dan toch dat de samenleving zo divers is geworden? Paradoxaal genoeg komt dit voor een groot deel juist door deze processen van convergentie. Dit wordt ook weleens de ‘integratie-paradox’ genoemd: er is wrijving omdat het goed gaat. Vermeende ‘echte’ Nederlanders komen nu overal ‘niet-culturele’ Nederlanders tegen: niet alleen op de lagere school maar juist ook in het hoger onderwijs; niet alleen meer in de ‘oude wijken’ maar ook in de voormalige groeikernen (Almere groeit vooral door de instroom van migranten en burgers met migratieachtergronden). Juist doordat steeds meer nieuwkomers zich invoegen, komt de ingebeelde ‘wij’ hen steeds tegen: in de kranten, op de televisie, in het hoger onderwijs, in middenklassenbuurten, op sportverenigingen. Dit ‘vernederlandsen’ van burgers laat zien hoe ook minderheden deel gaan uitmaken van de mainstream.

Juist doordat nieuwkomers zich invoegen komen ‘wij’ hen steeds tegen: op tv, in het hoger onderwijs

De Amerikaanse socioloog Alejandro Portes heeft dit proces treffend beschreven: op het oog wordt onze samenleving veel diverser door migratie – nieuwe geuren, geluiden, smaken – maar op fundamenteel niveau veranderen westerse samenlevingen weinig: de mainstream instituties (onderwijs, rechtspraak, leger, politiek, zorg) zijn zo sterk, zo alom aanwezig, dat alle burgers inclusief minderheden zich er uiteindelijk sterk naar voegen. Zo ontvangen alle kinderen op school een ‘Nederlands’ curriculum, waarbij de inspectie controleert of er liberale opvattingen over gender en seksualiteit worden uitgedragen. Dit laat wel zien hoe noodzakelijk het is om voldoende in deze vormende instituties en gelijke kansen te investeren.

Natuurlijk kan migratie leiden tot conflicten en tot mogelijk nieuwe antwoorden op rechtsstatelijke kwesties. Mag een rechter bijvoorbeeld een hijab dragen? Is bijzonder onderwijs nog steeds een goed idee? Verregaande ruimtelijke en onderwijssegregatie kan, in combinatie met toegenomen economische ongelijkheid, op specifieke plekken tot vervreemding leiden. Maar de feiten laten zien: afgelopen decennia is op fundamenteel niveau het functioneren van de Nederlandse instituties nauwelijks gewijzigd, en waar het is gewijzigd, is het veelal verbeterd.

Een laatste argument zou kunnen zijn dat simpelweg het zien van een hijab in het straatbeeld, of het aanbieden van maaltijden met halal-vlees in een bedrijfskantine, al een problematische ondermijning van de meerderheidscultuur betreft – wat natuurlijk niet zo is. Andere burgers zijn niet verplicht om die praktijken over te nemen, zij hoeven deze alleen te accepteren, of in ieder geval te tolereren.

Wel merkt ook Portes op dat de kleine groep migranten (en hun kinderen) die zich niet invoegen in de mainstream geneigd zijn zich tegen hun nieuwe samenleving af te zetten, af te glijden, te criminaliseren en soms ook te radicaliseren. Dit krijgt terecht veel aandacht: deze minderheid van minderheden zorgt voor veel overlast en leed – waar burgers met een migratieachtergrond statistisch overigens het meest last van hebben. Het is echter onterecht als dit disproportioneel méér politieke en media-aandacht krijgt dan criminaliteit en radicalisering die voorkomt bij andere groepen in de samenleving, zoals momenteel bij identitair extreem-rechts.

Maar ons kernpunt is: de juiste reactie op deze problematiek is niet het inperken van grondrechten of het voeren van illiberaal beleid. De liberale mainstream van de Nederlandse samenleving slaagt er immers goed in om steeds breder te worden, om steeds nieuwe groepen in zich op te nemen.

—————

Betekent dit dat migratie en ‘integratie’ nooit gepaard gaan met gevoelens van verlies? Zeker wel. Bij (extreem) hoge aantallen kan migratie ontregelend werken; niemand ontkent het belang van immigratiebeleid en Europese samenwerking op dit terrein. Op de langere termijn snijdt het mes aan twee kanten. Aan de ene kant doet de ingroei in de mainstream de ‘eerste generatie’ migranten vaak zeer: zij zien dat hun kinderen uitstekend Nederlands spreken, maar hun moedertaal minder goed beheersen, liberale opvattingen opdoen, trouwen met een ‘witte’ Nederlander, of minder strikt of helemaal niet meer religieus zijn. Hoewel generatieconflicten binnen alle geledingen van de samenleving voorkomen, is dit gevoel van tragiek iets wat veel migranten treft: dat hun kinderen zo anders zijn dan zijzelf. Natuurlijk zijn de meeste ouders vooral blij dat hun kinderen goed onderwijs kunnen volgen, zich kunnen ontplooien, en zijn ze trots op hun vloeiende Nederlands, maar het is soms ook slikken hoe ‘Nederlands’ ze zijn geworden.

En aan de zijde van de ontvangende samenleving kunnen eveneens gevoelens van verlies spelen. Nederland is de afgelopen vijftig jaar simpelweg sterk veranderd. Nederlandse burgers uit allerlei windstreken hebben opvattingen over nationale onderwerpen en spreken zich, vaak terecht, uit over ongelijke behandeling. Een deel van de verliesgevoelens komt doordat ‘witte’ Nederlanders hun positie van vanzelfsprekende hegemonie en privilege verliezen: voor hen voelt de nieuwe gelijkheid aan als verlies van macht.

De multiculturalistische socioloog Tariq Modood stelde afgelopen oktober in De Balie in Amsterdam dat democratie alle aanwezige identiteiten in de samenleving simpelweg kan optellen, oftewel dat de nationale identiteit alleen maar ‘dikker’ en veelzijdiger wordt door diversiteit en niemand ooit iets hoeft te verliezen. Dit is een te rozige voorstelling van zaken en wekt, daarom, verkeerde verwachtingen bij culturele meerderheden: nieuwe bevolkingssamenstellingen leiden onherroepelijk tot discussies over de bestaande nationale identiteit. Het debat over Zwarte Piet is hier een goed voorbeeld van: hoezeer een meerderheid ook aan de huidskleur van dit fictieve personage hecht(te), er wordt aan hen gevraagd om op dit punt ‘in te schikken’.

Maar dit is niet het hele verhaal. Veranderingen komen uiteindelijk niet zozeer tot stand doordat minderheden verandering afdwingen, maar doordat de mainstream – soms in reactie op activisme van minderheden – op een bepaald thema inclusiever of progressiever wordt. Het homohuwelijk wordt nu door bijna alle politieke partijen bejubeld als ‘typisch Nederlands’. En zo lijkt Zwarte Piet ook af te stevenen op algehele verroetveging. Dat is democratische emancipatie.

Hoe moeten we in het licht van bovenstaande nu de enorme positieve aandacht voor culturele meerderheidsrechten in de politiek, journalistiek, rechtspraak en op de academie duiden? We kunnen niet anders dan concluderen dat het de voorstanders niet gaat om het beschermen van een inclusieve, liberale mainstream, maar om het blijvend bevoorrechten van de gevestigde, veelal witte, culturele meerderheid. Dit blijkt ook uit de beleidssuggesties van de genoemde politieke en academische stemmen. Die betreffen al te vaak een inperking van grondwettelijke rechten, zoals onderwijsvrijheid (het niet subsidiëren of zelfs sluiten van islamitische scholen, maar niet van christelijke), geloofsvrijheid (het uitbannen van islamitische symbolen uit het straatbeeld en uit instituties, niet van symbolen van andere religies), demonstratierecht en gelijkwaardig burgerschap (minderheden mogen niet protesteren tegen Zwarte Piet, of tegen de term ‘Gouden Eeuw’) et cetera.

Er is alles voor te zeggen dat Nederland zijn liberaal-democratische en uniek progressieve mainstream moet onderhouden en beschermen. Maar als het gedachtegoed van meerderheidsdenkers nog verder wortel schiet, zal dat dit ideaal juist schaden.


Jan Willem Duyvendak is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Tamar de Waal is rechtsfilosoof en werkt als universitair docent aan de Amsterdam Law School (UvA)