Kees ’t Hart

Niet eerlijk

De afgelopen weken mochten we kennis maken met het leed dat kind-van-een-dominee heet. Het moest er blijkbaar maar eens uit: overal in het land reünies, overvolle zalen, bekentenissen («ik moest stukken uit de bijbel lezen») avondvullende discussies over de verschrikkingen en de heerlijkheden van het domineeskindleven («zondag moesten we stil zijn»). Freek de Jonge, zonder meer het grote Boegbeeld van deze vergeten groep, gekleed in wonderbaarlijke opstandingsoverhemden («ik kan er niet meer over zwijgen») iedere avond bij wie het maar wilde op de televisie. Mijn Ouders waren Dominee. Telefoons roodgloeiend, hulpverlening gratis aan huis. Ik ken trouwens ook een paar van die kinderen: vaak lopen ze enigszins mank, ze lachen op momenten dat niemand lacht, ze dragen ouderwetse kleding, hun rijgedrag is roekeloos, hun seksleven kent z’n ups en z’n downs en ze aarzelen soms wekenlang tussen het gebruik van margarine (Blue Band) of roomboter («smeerbaar») op hun brood. Wat gebruik jij Kees?

Toch zit er iets raars aan. Ik kom uit een gezin waarvan de vader beroepsmilitair was. Waarom ben ik nog niet gevraagd een avondvullend programma te organiseren: Kinderen van Beroepsmilitairen? Met een optreden in uniform bij Barend en Van Dorp en de hele rest? Domineeskinderen, dat stelde allemaal niks voor, die ontwikkelden een trauma van niks, dat hadden we vroeger allang door, dat vonden wij mietjes, die sloegen we met gemak op zondag in elkaar. Ik denk dat wij, kinderen van beroeps, moeiteloos drie avondvullende en uitverkochte programma’s in Carré kunnen verzorgen («alleen toegankelijk voor kinderen van beroeps»: bordje bij de ingang). Presentatie door schrijver Oscar van den Boogaard want diens vader was bij de commando’s. Beseffen mensen wel wat wij allemaal doorgemaakt hebben? Ik denk het niet. Iedere ochtend marcheren, zaterdag naar de schietbaan, vader aanspreken bij zijn rang («goedemorgen adjudant»).

Terwijl andere kinderen gewoon met dinky toys speelden of met meccano, of met verantwoorde poppen, moesten wij, mijn broer, mijn zus en ik, ons buigen over veldslagen uit het verleden, las vader iedere avond bij het eten voor uit Oranje-biografieën («opoffering stond voorop hè jongens») en moesten we op zondag met tinnen soldaatjes spelen. Stel me een vraag over generaal Patton en ik weet het. Ik ken alle rangen uit mijn hoofd. Als er een officier langskomt spring ik nog altijd in de houding. Het heeft me getekend voor het leven. Zelf was ik ook beroepsmilitair. Zeg het maar rustig: je kunt het nog steeds aan me zien. Maar ik kan er nooit met iemand over praten, dat is het verschil. Het is niet eerlijk.