Opheffer

Niet fluiten, niet zingen

De mens moet doen wat God wil, maar God doet vaak wat de mens wil, dacht ik toen ik op de televisie over «beschaving» hoorde spreken. «Beschaving» — dit soort grote begrippen stelt in het algemeen weinig voor. Beschaving is typisch zoiets waarover niets te redeneren valt. Het moet er zijn. Maar wat dat «het» dan is? De armen voeden, de zieken helpen, de jeugd leren, de ouderen laten rusten. Meer niet, denk ik. Beschaving is vooral de ander niet storen. Vrijheid niet belemmeren.

Als ik hoor dat Balkenende, De Geus en Zalm zich «onbeschaafd» gedragen, dan ergert mij, meer dan het gelijk, het meest de spreker die zich van een term als «onbeschaafd» bedient. Zo… en weet u dan wat «beschaafd» is? Iedereen bedoelt het vaak goed.

De grote schoften van de twintigste eeuw bedoelden het ook allemaal goed. Allemaal hebben ze wel eens het woord «beschaving» in hun mond genomen. De een ging zieke negerkindertjes helpen, de ander ging joden uitroeien.

Ik heb — tot mijn grote ongenoegen — letterlijk «lessen in gedrag» gehad van mijn intellectuele, Indische vader bij wie «beschaving» hoog in het vaandel stond. Ik leerde beleefd te zijn. Waarom? Omdat mijn houding, mijn vragen en mijn conversatie zo moesten zijn dat ze de ander niet stoorden. Dus ik leerde met twee woorden te spreken, de conversatie licht te houden, met mes en vork te eten. «Hou je gezicht in de plooi», zei mijn vader. Bij doodsberichten was mijn vader onaangedaan, leek het. Maar hij vond het onbeschaafd om zijn gevoelens te tonen. Heftig lachen was dus ook verboden. Ik moest worden als hij. Ik leerde eten met boeken onder mijn armen. Ik leerde ook het rijmpje: «Jongens die aan tafel fluiten/ krijgen meisjes zonder duiten/ jongens die aan tafel zingen/ krijgen meisjes zonder dingen.» Dit was een pikant versje, bedoelt om ons te onderwijzen dat je aan tafel niet floot en niet zong.

Laatst at er een jonge vrouw bij mij. Ik had gekookt. Mes en vork lagen op de juiste plek naast het bord. Tijdens het eten liep ze naar mijn keukenla om daar een tweede vork te pakken en vervolgens mijn heerlijke maaltijd met twee vorken te eten. Dat vond ze makkelijker. Deze vrouw was onlangs cum laude geslaagd. Ze is veel intelligenter dan ik. Ze boerde. Na een verhaal van mij begon ze te huilen. Ze zei dat ze depressief was. Ze begon een lied van Brel te zingen, waar door de tranen weer kwamen. Even later vertelde ze dat ze geil was. Na het toetje vertelde ze dat ze lesbisch was, daarna dat ze wel eens door een neger genomen wilde worden. Ze vertelde het verhaal van een bekende hoogleraar die onder haar bureau was gekropen teneinde haar vagina te likken. Ze had het toegestaan maar kon niet nalaten tegen de aanstaande Nobelprijswinnaar te zeggen: «Neem je volgende keer je vrouw mee, schat?» Ik was niet geschokt, moest erg om haar lachen, maar ik dacht wel aan onze beschaving. Eigenlijk was deze vrouw best beschaafd. Maar wat was dat dan? Ik weet het niet. Vermoedelijk de cultuur die ze uitstraalde. Ze kon wat. Ze kon zich haar onbeschaafdheid permitteren.

Ikzelf ben grof — het gaat bij mij vaak over neuken, poep en pies, en ik vloek zo erg dat de melk in de omtrek zuur wordt — en toch ben ik erg voor beschaafd gedrag. Kortom: ik wil de ander met rust laten. Niet storen; stoor mij dan ook niet.

Vaak denk ik dat de hypocrisie een nuttig beschavend vehikel is. Liegen, om de ander niet te storen. Een leugen om bestwil. Een leugen om de hardheid te verzachten. Om pijn draaglijk te maken. Wat is daar mis mee?

Elke vorm van beschaving begint en eindigt met een leugen. Daarom weet ik niet goed hoe ik erover moet denken, of wat ik erover moet zeggen. Ik zal het woord «beschaving» niet gauw in mijn mond nemen.