H.J.A. Hofland

Niet gaan

Bijna viereneenhalf jaar nadat president George W. Bush de oorlog tegen het internationaal terrorisme afkondigde, heeft Hamas de Palestijnse verkiezingen gewonnen, weet Hezbollah zich in Libanon on bedreigd, vergroot in Egypte de Moslim Broederschap zijn macht, duurt in Irak de oorlog nu drie jaar zonder dat er hoop op een geloofwaardige orde is, hervat de nieuwe Iraanse president zijn programma voor kernenergie en moeten de Nederlanders in Afghanistan meehelpen om de in 2001 verslagen Taliban opnieuw te verslaan. Zou er iets niet kloppen in de strategie van de opperbevelhebber?

In de voorbereidingen tot de beslissing over de uitzending van Nederlandse troepen naar Afghanistan is de druk van Washington, de Navo en de Verenigde Naties op Den Haag toegenomen en worden in het debat in toenemende mate de verkeerde vragen gesteld. In Srebrenica, zegt men, is gebleken dat de Nederlanders laf waren, niet voldoende pit of guts

hadden om op een gevaarlijke missie te worden ge stuurd. En als we in dit geval geen soldaten sturen, zal dat internationaal zijn weerslag hebben. Dan laten we de Navo in de steek, verzaken we

onze Atlantische verplichtingen en worden de Afghanen de kinderen van de rekening. Kort gezegd: gaan we niet, dan zijn we laf, verraderlijk en onverschillig.

Eind vorig jaar heeft het kabinet in de illusie geleefd dat het besluit tot uitzending in een snelle procedure door de Tweede Kamer zou worden bekrachtigd. Toen groeide de twijfel, daarmee de verwarring en ten slotte de nieuwsgierigheid naar het gebied waar de Nederlanders hun zegenrijk werk zouden doen, en naar de omstandigheden waaronder dit zou gebeuren.

Dat is de omgekeerde volgorde. De ministers Bot en Kamp hadden ermee moeten beginnen om een uitvoerig beeld van het toekomstige terrein van actie te schetsen. Pas dankzij de verheviging van het debat kunnen de Kamer en het publiek zich een duidelijker voorstelling maken. En die is nog niet volledig, want een geheim rapport van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst is, pas na aandringen, alleen aan fractieleiders en specialisten in de Kamer ter inzage gegeven. De burger, wiens mondigheid in deze tijd meer dan ooit wordt geroemd, moet zijn inlichtingen via de media bij elkaar sprokkelen. Het is op zichzelf een schandaal dat dit zo veel gedoe en rompslomp heeft gekost. Een paar dagen voor het beslissende kamerdebat begint eindelijk de waarheid te dagen.

Wat levert dit sprokkelen op? Dat het gebied waar «wij» rust en orde moeten brengen, tot de onherbergzaamste bewoonde streken ter wereld hoort. Dat daar drie fracties met elkaar op voet van oorlog staan. Dat hulpverleners die er met doodsverachting aan het werk zijn voor alle zekerheid een baard hebben laten groeien en een tulband dragen. Dat, zoals oorlogsverslaggever Arnold Karskens verzekerde, een gevangene grote kans loopt dat hem de oren worden afgesneden. Nog heilig vergeleken bij wat destijds sovjetgevangenen overkwam. Ze werden half gestroopt en dan werd de huid van hun boven lichaam over hun hoofd getrokken. Dat er in dit gebied, ongeveer driekwart van Nederland, vrijwel geen begaanbare wegen zijn. Dat 99 van de honderd Uruzganezen geen idee hebben dat er een Nederland bestaat, laat staan wat de Nederlanders er komen doen. Dat minister Bot de Afghaanse president Karzai gevraagd heeft de gouverneur van Uruzgan te vervangen. En dat in noodgevallen hulp van de bond genoten die honderden kilometers verder bivakkeren op afroep beschikbaar is.

Waaraan moet een militaire operatie voldoen? Vóór alles moet er een goede strategie zijn, die het vooruitzicht wekt dat er althans een kans van slagen is. Over de grote strategie wordt beslist in Washington. Tegen de dringende raad van alle deskundigen in zijn de leiders van de Amerikaanse politiek – Bush, Cheney, Rumsfeld, eerst nog Wolfowitz tot hij met zijn waandenkbeelden door de mand viel, en een stuk of wat mindere goden – erin geslaagd binnen vier jaar de politiek en de militaire strategie van de oorlog tegen het terrorisme tot een uitzicht loze verwarring te brengen. In alle landen die als security risk worden beschouwd, leden of aspirant-leden van de As van het Kwaad, is het anti-Amerikanisme nog nooit zo virulent geweest. De bewijzen daarvan zien we iedere dag in de media.

Het resultaat van vier jaar oorlog tegen het terrorisme is – hoe treurig dat ook klinkt – dat niet alleen de Amerikanen maar het Westen in zijn geheel voornamelijk verlies heeft geleden. In Irak, Iran, Egypte, nu in Palestina en waarschijnlijk ook in Afghanistan. Gaat daar onder het uiteindelijke opperbevel van Washington een Nederlands contingent naartoe, dan wordt dat, hoezeer ten onrechte ook, onherroepelijk geïdentificeerd met de Amerikanen. Ze denken daar dat we allemaal onderdanen van president Bush zijn.

Van een beroepssoldaat mag doodsverachting worden verwacht. Daartegenover staat dat de soldaat van zijn politici, zijn regeringsleider, zijn commandant en zijn opperbevelhebber het maximale verantwoordelijkheidsbesef mag verlangen en de beste strategie.

Dat Nederlandse soldaten in Uruzgan staaltjes van leeuwenmoed zullen vertonen, is niet uitgesloten. Maar de commander in chief heeft bewezen dat hij voor zijn werk niet geschikt is.

Daarom: niet naar Uruzgan.