Schuiven met verwarde mensen

‘Niet gek genoeg’

Crisisdiensten zijn niet altijd toegerust om mensen met psychische problemen op te vangen. Moet de politie dan inspringen? Maar hoe? Daar zijn ze immers niet voor opgeleid. ‘Steeds meer collega’s lopen fysiek en mentaal klappen op.’ Een onderzoek onder agenten.

‘Je gaat bij de politie om boeven te vangen, maar we zijn vooral patiënten aan het vangen.’ Michael Meijer kan het weten. Als agent die ook jarenlange ervaring heeft als persoonlijk begeleider in de ggz herkent hij psychische problemen als hij ze ziet. En als wijkagent op Amsterdam Centraal ziet hij ze vaak. Op deze frisse dag in juni maakt hij zijn vertrouwde ronde door het station. Vanwege zijn zorgportefeuille let hij niet alleen op crimineel gedrag, maar speurt hij ook naar tekenen van psychische verwarring. Dat is vooral haveloosheid. ‘Ik kijk naar kleding en bagage, naar de manier waarop mensen zitten, en hoelang en hoe vaak ze er zitten.’ Als iemand nieuw is – zoals vandaag een Oost-Europese jongen met een kapotte slaapzak om zich heen gewikkeld – registreert hij de identiteitsgegevens. Maar de meesten kent hij al; bij hen houdt hij een vinger aan de pols.

Vlak buiten het station ziet hij meneer H. staan, een man van Surinaamse afkomst met een verwilderde baard en een jas waar de vulling uitpuilt. Meneer H. heeft een stationsverbod gekregen. Met een treurige blik knikt hij in de richting van een stenen bankje achter het glas. ‘Dat bankje staat op mijn naam, kijk maar in de Kamer van Koophandel.’ Meijer peilt of meneer H. naar de opvang wil, maar die wil niets, behalve naar zijn bankje. ‘Dit gaat weer jaren duren, vrees ik’, zegt Meijer. ‘Hij is te rustig. Het moet eerst echt uit de klauwen lopen, met schreeuwen en veel overlast, dan zijn er weer mogelijkheden, dan kunnen we een psychiater laten beoordelen of er een stoornis is.’

Michael Meijer komt vrijwel dagelijks in aanraking met een groep waar veel agenten wanhopig van worden: mensen die mede door psychische problematiek steeds verder afglijden. ‘Personen met verward of onbegrepen gedrag’ zijn al jaren in het nieuws. In de afgelopen paar jaar is er door het ministerie van vws 76 miljoen beschikbaar gesteld voor lokale pilots. Toch blijven de politiemeldingen over overlast door deze groep stijgen. Dit jaar was de hoop van de politie gevestigd op de invoering van de Wet verplichte ggz, de nieuwe wet die gedwongen behandeling regelt voor mensen die door een psychische stoornis een gevaar vormen voor zichzelf of anderen. Agenten hadden het minder druk moeten krijgen door duidelijker afspraken over waar hun verantwoordelijkheid ophoudt.

De praktijk is anders, blijkt uit onderzoek dat platform voor onderzoeksjournalistiek Investico in de afgelopen maanden deed, waaronder een enquête onder leden van de Politiebond. Ook dit jaar zijn agenten weer meer tijd kwijt aan mensen in psychische verwarring, zeggen ze zelf. Uit onmacht sluiten ze deze mensen nog geregeld op in de cel en gebruiken ze geweld tegen hen. Meer samenwerking tussen gemeente, ggz en politie om crisissen te voorkomen lijkt de sleutel te zijn – maar die samenwerking staat onder druk.

Afgelopen juli kreeg Laura plots een bericht op Facebook van een onbekende vrouw: ‘Wij worden helemaal gek van hem. Hij staat elke avond te schreeuwen, hij slaat in zijn huis de boel kort en klein.’ Het ging over Laura’s 27-jarige zoon Tom. ‘Dat bericht bleek afkomstig van zijn buurvrouw’, vertelt Laura, die anoniem wil blijven om haar zoon te beschermen. ‘Ze moet me op Facebook hebben opgezocht. Ze wist waarschijnlijk ook niet meer wat ze met de situatie aan moest.’

Vier jaar geleden kreeg Tom de diagnose schizofrenie, waarvoor hij in de afgelopen jaar drie keer werd opgenomen in een ggz-instelling. ‘Het lastige is dat hij, net als de meeste mensen met schizofrenie, geen inzicht heeft in z’n eigen ziektebeeld’, vertelt zijn moeder. ‘Hij wil best af en toe een therapiesessie doen, maar al snel vindt hij het niet meer nodig.’ Tijdens de lockdown besloot hij met zijn medicijnen te stoppen. ‘Dan wéét je dat het misgaat.’

Voor haar ogen zag Laura haar zoon achteruit gaan. Bijna dagelijks belde ze het ambulante ggz-team dat Tom begeleidde. ‘Ik vertelde dat hij z’n medicijnen niet nam; ik stuurde foto’s van mijn zoon: hij ging in korte tijd van ruim honderd kilo naar 65 omdat hij niet meer at. Jongens, dit gaat mis, doe iets!’ Maar het ambulante team kreeg geen contact meer met Tom. Hij liet hen niet binnen en weigerde hulp. Het ggz-team vroeg via de officier van justitie een zogenoemde zorgmachtiging aan: toestemming voor langdurige onvrijwillige behandeling voor mensen die zichzelf of anderen mogelijk ernstige schade berokkenen, maar waarbij nog geen acuut gevaar dreigt. Die procedure zou op papier in zes weken geregeld kunnen zijn. In de praktijk is dat dikwijls meerdere maanden, vanwege waarborgen van patiëntenrechten, maar ook vanwege achterstanden bij het OM en een stroperige bureaucratie, zoals we in een eerder onderzoek over de Wet verplichte ggz lieten zien.

Ondertussen werd Tom geplaagd door stemmen in zijn hoofd die hem opdrachten gaven. Geregeld moest de politie voor hem komen. ‘Hij viel mensen op straat lastig, werd een café uit gegooid omdat hij het personeel amoureuze voorstellen deed, de woningbouwvereniging plukte hem naakt van straat’, somt zijn moeder op. Zelf belde ze herhaaldelijk de crisisdienst, de ggz-afdeling voor psychische noodtoestanden. ‘Hij was een keer totaal in paniek omdat hij dacht dat zijn ogen eruit rotten, schreeuwend liep hij over straat. Maar de crisisdienst zei steeds opnieuw: “Zorgelijk, maar niet gevaarlijk genoeg.” Je denkt dat het erg is, maar het moet altijd nog erger.’

Meer dan eens kreeg Laura van de crisisdienst het advies dan maar de politie te bellen. Ze lacht schamper. ‘Dat heb ik natuurlijk niet gedaan. Ik weet zelf maar al te goed dat de politie er helemaal niks mee kan.’ Laura is namelijk niet alleen moeder, maar ook politieagent in Noord-Holland. ‘Mijn zoon is slechts een van de vele schrijnende voorbeelden’, weet ze.

Door heel Nederland zitten agenten met de handen in het haar vanwege ‘personen met verward gedrag’. Dit blijkt ook uit de enquête van Investico onder ruim duizend agenten. Driekwart van hen zegt zich regelmatig ‘machteloos’ te voelen en maar liefst 87 procent ziet steeds dezelfde mensen met psychische problemen overlast veroorzaken. Hoewel de meerderheid de omgang met psychisch verwarde personen ziet als onderdeel van het politiewerk voelen velen zich hierbij tekortschieten; 65 procent geeft aan zich niet voldoende toegerust te voelen om met psychisch verwarde personen om te gaan. Daar is volgens de agenten te weinig aandacht voor in de opleiding. Bovendien missen ze het stroomstootwapen (ook wel: taser) als optie tussen pepperspray en vuurwapen. ‘De huidige geweldsmiddelen en trainingen bieden niet voldoende houvast om het hoofd te bieden aan wat er nu speelt’, schrijft een teamchef uit Amsterdam. ‘Hierdoor lopen steeds meer collega’s fysiek en mentaal klappen op.’

Driekwart van de agenten die op straat werkzaam zijn, heeft één of meer situaties meegemaakt waarin ze de controle verloren. Ze werden aangevallen door iemand met verward gedrag en zagen zich genoodzaakt diegene te fixeren of zelfs neer te schieten. Of het lukte niet om te voorkomen dat iemand zichzelf ernstige schade toebracht. De afspraak is tegenwoordig om mensen in psychische verwarring niet meer in de cel te zetten. Toch zegt bijna zestig procent van de agenten dat dit jaar toch te hebben gedaan – in afwachting van de crisisdienst of om iemand van de straat te halen. Dat ‘de zorg’ niet altijd in actie komt, leidt tot frustratie; 69 procent meent dat de beoordelaar van de ggz-crisisdienst vaak niet ziet hoe ernstig de situatie is.

Laura herkent dit al te goed: ‘We hebben een vaste club verwarde mensen voor wie we een aantal keer per week moeten komen. We treffen dan iemand met wie het helemaal niet goed gaat, we nemen hem mee om te laten beoordelen door de crisisdienst en een paar uur later staat die persoon weer op straat: “niet gek genoeg”.’ Vroeg of laat wordt de politie opnieuw gebeld. ‘Dan gaan we er gewoon weer heen.’

Na tweeënhalve maand kwam het bij Laura’s zoon tot een zogenoemde crisismaatregel, een spoed-dwangopname, van toepassing bij acuut gevaar. ‘Hij zag een onbekende vrouw haar kind in de auto zetten en wilde zelf ook instappen. Vrouw in paniek, omstanders in paniek. De politie nam hem mee naar het bureau, en stopte hem in de cel in afwachting van de crisisdienst die hem moest beoordelen. In de cel heeft hij ook nog een klap uitgedeeld. Dat gaf de doorslag. Hij kreeg een prik, werd in de ambulance geladen, en is naar de kliniek gebracht. Daar heeft hij veertien dagen in de isoleercel gezeten omdat hij zo agressief was dat er geen land mee te bezeilen was. Waarom kon hij dan niet eerder worden opgenomen?’

Waarom laat de ggz mensen zo snel weer los? Iemand die niets strafbaars heeft gedaan, kun je niet zomaar beroven van het recht op vrijheid. En: ‘Dwangopnames zijn heel schadelijk’

Laura had gehoopt dat de nieuwe wet verandering zou brengen. In plaats van ‘ernstig gevaar’ zoals beschreven in de oude wet moet de patiënt nu als gevolg van de psychische stoornis een ‘ernstig nadeel’ vormen voor zichzelf of anderen. ‘Ik hechtte erg aan dat woordje “nadeel”. Ik hoopte dat het de ggz de ruimte gaf om eerder in te grijpen, zodat je minder escalaties met de politie erbij hebt. Als mijn zoon schreeuwend over straat gaat, is dat niet gevaarlijk, maar wel heel nadelig. Stel je voor, een paar weken later komt hij weer terug naar huis in dezelfde wijk waar hij zo gek heeft lopen doen. Daar zien ze hem dan nog steeds als een gek. De schaamte is dan zo groot. Is dat niet genoeg nadeel?’

Het is de prangende vraag van zowel agenten als familieleden: waarom laat de ggz mensen zo snel weer los? Deels vanwege fundamentele mensenrechten, is het antwoord. Iemand die niets strafbaars heeft gedaan, kun je niet zomaar beroven van het recht op vrijheid. ‘Dwangopnames zijn soms nodig, maar ze zijn ook heel schadelijk’, verduidelijkt Jeroen Zoeteman, directeur van de Spoedeisende Psychiatrie in Amsterdam. ‘Geregeld komen er ex-patiënten vragen of ze hier nog eens op de afdeling mogen kijken, omdat de beelden van hun crisisopname maar blijven spoken in hun nachtmerries. Dan besef je hoe traumatisch het kan zijn.’ De ggz oordeelt dan ook geregeld dat het gevaar niet ernstig genoeg, niet acuut genoeg, of niet behandelbaar is.

Dwangzorg is bedoeld als laatste ‘redmiddel’, als al het andere al geprobeerd is en niet heeft gewerkt. De nieuwe wetgeving heeft daaraan niets veranderd. Integendeel: de bedoeling van de wet was juist om de patiëntenrechten beter te beschermen en dwang vaker af te wenden. Nederland moest af van de ongelukkige eer om binnen Europa een van de landen te zijn met de meeste gedwongen opnames. In de toelichtingstekst van de wet staat dan ook dat ‘ernstig nadeel’ niet is bedoeld om de mogelijkheden voor dwang te verruimen. Dat blijkt gemakkelijker op papier dan in de realiteit: zowel onze gesprekken met ggz-professionals als cijfers van de Raad voor de Rechtspraak suggereren dat dit jaar nog geen sprake is van beduidend minder dwang dan in voorgaande jaren. De gerechtelijke procedures rond gedwongen zorg blijven schommelen tussen de tweeduizend en drieduizend per maand.

‘Elk jaar hebben we wel één of twee complexe gevallen waar geen einde aan lijkt te komen’, vertelt Marloes Waaijenberg, adviseur bij de gemeente Renkum, waar haar functie speciaal in het leven is geroepen om zorg en veiligheid dichter bij elkaar te brengen. ‘Zo hadden we een man voor wie soms wel vier politiemeldingen per dag binnenkwamen. Hij gooide dingen uit het raam, hij bedreigde buren. De politie bracht hem naar de ggz, maar daar zeiden ze dat een opname geen zin had als hij niet eerst afkickte. Bij verslavingszorg zeiden ze dat ze de verslaving niet konden behandelen vanwege de psychose. Helaas hoorden wij als gemeente pas na twee maanden over alle politiemeldingen. De gemeente heeft toen druk gezet om toch een opname voor elkaar te krijgen. Niet omdat we mensen die “lastig” zijn per se willen opsluiten, maar omdat het voor hemzelf ook het beste was. Inmiddels hadden bovendien drie buren tijdelijk ander onderdak gezocht, zo bang waren ze.’

Uiteindelijk is er met alle betrokkenen een ‘mooi plan’ voor deze meneer opgesteld, zegt Waaijenberg. ‘Eerst de ggz-crisisafdeling met extra beveiliging, daarna de dubbeldiagnosekliniek, waar ze gespecialiseerd zijn in de combinatie verslaving en psychiatrie. Over drie weken wordt hij waarschijnlijk ontslagen. Wij hebben in de tussentijd een andere woning voor hem gevonden, in een rustiger buurt waar hij minder overprikkeld wordt. In de huurvoorwaarden van het tijdelijke wooncontract staat dat hij zijn zorgbegeleiding moet accepteren, omdat hij anders zijn huis kan kwijtraken. Ook blijft de komende zes maanden een zorgmachtiging gelden, zodat dwangzorg is toegestaan wanneer het opnieuw misloopt.’ De aanloop verdient geen schoonheidsprijs, erkent Waaijenberg, maar de afloop is een voorbeeld van hoe de gemeente door samenwerking tussen partners als ggz, politie en woningbouw probeert oplossingen te vinden.

Zulke samenwerking is cruciaal voor de groep waar de politie mee te maken krijgt. Doorgaans spelen bij hen meerdere problemen tegelijk: combinaties van psychische problemen, dakloosheid, verslaving, criminaliteit en een verstandelijke beperking. ‘Multiproblematiek’, in hulpverlenersjargon, die de ggz niet in haar eentje kan oplossen. De nieuwe Wet verplichte ggz schrijft daarom voor dat alle betrokken partijen – OM, burgemeesters, ggz, ggd en politie – eens in de drie maanden overleggen om niet alleen de dwangzorg te bespreken, maar ook het voorkomen daarvan.

Tegelijkertijd hebben de nieuwe regels de samenwerking ook onder spanning gezet. Vóór 1 januari viel iedereen die een acuut gevaar vormt voor zichzelf of anderen nog onder dezelfde wet, en kwam bij de crisisafdeling van de ggz terecht. Tegenwoordig zijn de patiënten opgedeeld in categorieën: voor de psychiatrische stoornissen is er de Wet verplichte ggz, mensen met een verstandelijke beperking of psychogeriatrische problemen vallen onder de Wet zorg en dwang. Gevolg: ggz-crisisafdelingen nemen mensen met dementie of een laag IQ niet meer op, want die vallen onder de ‘verkeerde’ wet.

De opsplitsing vinden de meeste zorgexperts volkomen kunstmatig. ‘Als dokter kan ik zelden met honderd procent zekerheid zeggen of de verstandelijke beperking of de psychiatrie voorliggend is’, zegt Michiel Vermaak, die behalve arts voor verstandelijk gehandicapten ook straatdokter is in Rotterdam. ‘Aan de uiteinden van het spectrum is het duidelijk, maar het is een continuüm, met een heel grote groep, van dertig of veertig procent, die kunnen dwalen tussen beide.’

Arts Channa de Winter zit er met haar werkgebied middenin: zij werkt bij Trajectum met patiënten die zowel kampen met psychiatrische problemen als met lichte verstandelijke beperkingen. ‘Er was altijd al een tekort aan crisisplekken voor verstandelijk gehandicapten, maar door de splitsing van de wet is dit op scherp gezet’, zegt De Winter. ‘Bij een crisis zit nu iedereen elkaar aan te kijken: wie gaat deze persoon opnemen? Als de patiënt in crisis een laag IQ heeft, verwijst de ggz naar de verstandelijk-gehandicaptensector: hij valt niet onder onze wet, deze is voor jullie. “Maar wij hebben geen crisisopvang, dus hij moet toch naar jullie”, zeggen wij dan.’

Dat naar elkaar wijzen maakt De Winter maandelijks mee. ‘We hebben het tot nu toe steeds met veel kunst- en vliegwerk weten op te lossen, door iemand op een reguliere afdeling te plaatsen. Maar dat kan eigenlijk niet, want dan neemt die persoon de plek in van een ander die weliswaar geen crisis heeft, maar wel al lang op de wachtlijst stond.’ Waarop die mensen voor wie geen plek is weer verder kunnen afzakken, zoals andere experts op het kruisvlak van zorg en veiligheid bevestigen. Carolien Weda, die in Friesland ‘procesregisseur’ is voor mensen met multiproblematiek: ‘We blijven er tegenaan lopen dat er niet genoeg bedden zijn. Geregeld belandt zo iemand uiteindelijk in het strafrecht – wat we nu juist willen voorkomen.’

Meneer H. mist nog steeds zijn bankje. Vandaag zit hij in de schaduw op een muurtje bij de veerpont achter het station, in zijn dikke kapotte winterjas. Het is eind juni, zijn blik is iets minder treurig en de dag minder kil. Deze keer lopen we niet mee met de politie, maar met sociaal-psychiatrisch verpleegkundige Hendrik Boon, die vanuit ggz-instelling Arkin aan ‘bemoeizorg’ doet. Hij gaat langs bij inloophuizen en opvanglocaties, op zoek naar mensen met psychische problemen die hij vrijwillig naar hulp kan toeleiden. Dwang zet hij pas in als het echt niet anders kan. Boon is iemand die pleit voor het behoud van aparte, afwijkende mensen, de ‘paradijsvogels’. Maar over meneer H. denkt hij hetzelfde als agent Meijer: ‘Ik zou willen dat-ie eens een ruit kapotmaakt of iets dergelijks, want nu houd ik hem al een jaar in de gaten en ik zie alleen maar dat hij verder verwaarloost.’

Meneer H. glimlacht flauwtjes als Hendrik Boon op hem af komt. Hij laat een maaltijdbon zien van de opvang die hij in zijn paspoort in zijn binnenzak bewaart. Daar is hij wel langs gegaan, zegt hij, maar hij wilde er niet blijven. ‘Omdat de luchtcirculatie niet goed was. Al had ik die wel kunnen repareren, ik was vroeger timmerman.’ De man op het paspoort heeft geen baard, het smalle hoofd is vrijwel niet herkenbaar als het zijne. Of hij nog wat nodig heeft op dit moment, vraagt Boon. Meneer H. twijfelt even, maar zegt van niet. Voor Boon zit er niets anders op dan hem een goede dag te wensen.

Bemoeizorg is een kwestie van een lange adem. Maar zulke vormen van preventie zijn wel de manier om gedwongen opnames te voorkomen, vindt onder anderen straatdokter Michiel Vermaak: ‘Je kunt het voor mensen met multiproblematiek nooit honderd procent oplossen, maar je kunt wel degelijk heel veel doen. Dan stel ik iemand voor: “We kunnen een huis voor je regelen, als jij je medicatie slikt.” Die zegt dan: “Echt niet!” En ik weer: “Oké, ik kan je nergens toe dwingen, maar als ik je over een jaar nog steeds hier op straat zie, zullen we dan afspreken dat we daar weer naar kijken?” Ik heb het vier keer meegemaakt dat iemand terugkomt en zegt: “Misschien moet ik toch naar je luisteren.” Als maatschappij moeten we ook beseffen dat het een proces is, dat mensen het recht hebben om meerdere keren met hun kop tegen de muur te stoten.’

Dit soort zorg staat echter onder druk; door verlies van sociale verbanden in de wijken en de kunstmatige splitsing in categorieën patiënten, maar ook door financiële schotten. De bemoeizorg die mensen als Hendrik Boon leveren, komt uit het gemeentebudget, via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Dat werkt zolang een gemeente het belang van deze vorm van preventie inziet, maar betekent ook dat deze zorg afhankelijk is van waar je woont en met elke gemeentelijke verkiezing kan veranderen. En als de zorgverlener vanuit de bemoeizorg iemand – vrijwillig of gedwongen – overdraagt aan een ggz-behandelteam moet die zorg ineens via de zorgverzekeraar worden betaald. Boon: ‘Bij complexe gevallen stuit dat regelmatig op afhouden, omdat de instelling bang is dat het niet wordt vergoed.’

De Rotterdamse psychiater en hoogleraar Niels Mulder, die aan de bel trok over de voortdurende toename van dwangopnames, pleit voor een financiering van de zorg met minder schotten en meer consistentie. ‘Er zit nu een vacuüm tussen vrijwillige zorg en gedwongen zorg. Pas als het héél slecht gaat met iemand, vergoedt de zorgverzekeraar. Niemand neemt consistent de verantwoordelijkheid voor bemoeizorg. Alle “aanjaagteams verwarde personen” ten spijt is dit nog altijd niet goed geregeld.’ Omdat de preventiekant zo ‘houtje-touwtje’ is, benadrukt de hoogleraar, raken mensen eerder ernstig in de problemen, waardoor dwangzorg alleen maar toeneemt. ‘Gemeenten moeten beseffen dat deze mensen er altijd zijn geweest en er altijd zullen blijven. Pilots zijn tijdelijk, je moet deze zorg structureel borgen. Het is hoog tijd dat de ministeries van Volksgezondheid en Justitie hun verantwoordelijkheid nemen.’

Hoe het nu gaat met meneer H., vragen we in september aan Hendrik Boon. Hij ziet ‘voorzichtige progressie’: ‘Hij verblijft nog op het station, maar laatst is hij voor het eerst samen met mij naar een inloophuis geweest voor wat warmte en eten. Er lijkt wat vertrouwen te ontstaan. Wel is hij onverminderd verward.’


De echte namen van meneer H., Laura en Tom zijn bekend bij de redactie. Michael Meijer werkt inmiddels als interventiespecialist in Flevoland. Meer uitleg over en resultaten van de politie-enquête zijn te vinden op platform-investico.nl. Dit artikel is mede mogelijk gemaakt door het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten fondsbjp.nl