Niet gek voor een anarchist

WIE EIND JAREN ZEVENTIG links was en toch wel eens wat las, kon zijn hart ophalen bij Van Genneps Modern Antiquariaat aan de Amsterdamse Nieuwezijds Voorburgwal. Voor afbraakprijzen lagen daar talloze revolutionaire boeken die door Willem Oskam, een zeer rondborstige havenarbeider die zijn sporen had verdiend in een van de vele maoïstische clubjes, vriendelijk mompelend in een rood tasje werden gestopt met daarop het barse gezicht van Marx. De tafels en kasten van het krappe winkeltje zakten bijkans door onder het gewicht van de inleidingen in de marxistische economie, dialectisch-materialistische beschouwingen over bourgeois-literatoren als Proust en Joyce, in Peking vervaardigde edities van de geschriften van Marx en Lenin, theoretische traktaten van Gramsci en Althusser, en feministische interpretaties van de wet van de tendentieel dalende winstvoet. Wie goed zocht, kon uiteindelijk zelfs een inleiding in het historisch-materialistisch bamzaaien vinden.

Te midden van deze gortdroge tekstuele woestijn bloeiden ook nog wat bloemen. Tussen het marxistische stuifzand en het Oost-Duitse betonvlechtersproza lagen regelmatig anarchistische geschriften, zoals de vermakelijke en uiterst leesbare memoires van Alexander Cohen en de werken van Kropotkin, Emma Goldman, Bakoenin en Anton Constandse. Ook lagen er, nooit lang na verschijnen, diverse boeken van Arthur Lehning. De linkse jongere die niets zag in de marxistische scholastiek, kon een heel arsenaal aan kennis en argumenten vinden in Lehnings Radendemocratie of staatscommunisme, zijn boek over Bakoenin, zijn essaybundels De draad van Ariadne en Ithaka, en in de feestbundel Voor Arthur Lehning. Wie Lehnings essay ‘Het socialisme van Marx: een als wetenschap vermomde utopie’ grondig bestudeerde, overleefde ieder debat met communistische medestudenten, van welke denominatie ook. Lehning bleek ook in andere opzichten een boeiende man. Hij was actief in de anarcho-syndicalistische Internationale en tijdens de Burgeroorlog was hij in Spanje geweest, waar hij de grote anarchistische volksheld Buenaventura Durruti had ontmoet. Hij had als redacteur van het tijdschrift i10 (1927-1929) een rol gespeeld in de internationale avant-garde beweging. Hij was bevriend geweest met kunstenaars en intellectuelen als Marsman, Slauerhoff, Mondriaan, Erich Wichmann, Ernst Bloch en Walter Benjamin. En hij was sedert de oprichting (1935) verbonden aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG), waarvoor hij onder meer de gigantische collectie anarchistica van Max Netlau verwierf. EEN INTERESSANTE MAN, die echter alleen in kleine kring kon rekenen op belangstelling en waardering. Maar met het afsterven van het marxisme en de opleving van de belangstelling voor de cultuur van de eerste helft van deze eeuw, begon Lehnings ster in de jaren tachtig te stijgen. In 1982 wijdde het Goethe-instituut een kleine tentoonstelling aan zijn activiteiten tijdens de Weimar-republiek. Twaalf jaar later subsidieerde het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds een grote tentoonstelling over i10 en Lehnings rol binnen de culturele avant-garde. In 1992 ontving hij de Gouden Ganzeveer en eind van dit jaar, kort voor zijn honderdste verjaardag, mag hij de literaire staatsprijs in ontvangst nemen. Niet gek voor een anarchist. Net als de Duitse schrijver Ernst Jünger, die bij zijn eeuwfeest in 1995 werd bejubeld door tal van linkse intellectuelen die hem decennia lang voor fascist hadden uitgemaakt, is Lehning nu erg in trek bij lieden die hem beter vijfentwintig jaar geleden hadden kunnen lezen. Zo schreef Elsbeth Etty, die in die jaren het journalistieke handwerk leerde van stalinistische courantiers als Joop Wolff en Gijs Schreuders, in NRC Handelsblad een bigot stukje over 'oom Arthur’. Quasi interessant meldde ze dat ze ooit op het IISG de oude nummers van i10 had gelezen, en dat ze hoopte dat Lehning een deel van het geld van de P.C. Hooftprijs zou besteden aan een integrale reprint van dat prachtige blad. Als ze destijds haar neus ook eens buiten de redactieburelen van De Waarheid had gestoken, zou ze hebben gezien dat Lehnings avant-garde blaadje al in 1979 volledig was herdrukt. Onlangs werden de laatste restanten van deze editie verramsjt. Ook de typische krijtstreepconservatief Raymond van den Boogaard, die zelfs met een hete aardappel in zijn keel schrijft, zong in NRC Handelsblad de lof van Lehning. Overigens droeg hij in dat stuk vooral argumenten aan tegen de toekenning van de hoogste literaire prijs aan Lehning. Het oeuvre van de laureaat is volgens Van den Boogaard vrij klein, zelden geestig en wat Lehning schrijft over kunst en literatuur 'gaat het niveau van de tamme anekdote zelden te boven’. Wat het laatste betreft is Van den Boogaards kritiek bepaald niet nieuw. Al in 1955 schreef Gerretson in een brief aan Geyl naar aanleiding van Lehnings H. Marsman, de vriend van mijn jeugd: 'IJdelheids-étalage van onbelangrijke mensen, die zich belangrijk trachten te maken, door zich op te hangen aan de belangrijke figuren die ze toevallig hebben gekend.’ En inderdaad, Lehning wekt heel sterk de indruk een Trittbrettfahrer op andermans roem te zijn: wat hij te melden heeft over Marsman, Slauerhoff, Mondriaan en anderen is niet echt interessant. Een substantiële bijdrage aan de kennis over en het inzicht in het werk van al die kunstenaars en geleerden heeft hij niet geleverd. Dat Van den Boogaard het oeuvre van Lehning vrij klein noemt, komt vooral doordat hij Lehnings geschriften slechts ten dele kent. Wie bijvoorbeeld de reprint van het anarcho-syndicalistische tijdschrift Grondslagen, dat van 1932 tot 1935 verscheen, doorbladert ziet dat Lehning in die tijd vrij veel schreef. Toch heeft Van den Boogaard gelijk: Lehnings bibliografie telde in 1979 - daarna heeft hij niet bijster veel meer gepubliceerd - nog geen zeshonderd nummers, waarbij trouwens alle vertalingen en heruitgaven zijn inbegrepen. Kwantitatief is dat al niet bijzonder indrukwekkend, maar ook de reikwijdte van dit oeuvre is betrekkelijk gering. Anarchistische geloofsbrieven, wetenschappelijke artikelen (veelal met een bibliografisch karakter), bronnenpublicaties en herinneringen aan wie hij allemaal wel niet heeft gekend. LEHNING KRIJGT de P.C. Hooftprijs voor zijn verdiensten als essayist. Nu is hij een verdienstelijk historicus, heeft hij belangrijk werk gedaan op het terrein van de geschiedschrijving van het niet-marxistische socialisme en heeft hij een zeer interessant leven geleid, maar een echte essayist is hij beslist niet. Zijn opstellen zijn helder geschreven, getuigen van een behoorlijke eruditie en zijn hecht doortimmerd; ze zijn evenwel nooit echt verrassend en hebben zelden een originele invalshoek. Karel van het Reve, Hugo Brandt Corstius, Rudy Kousbroek, Kees Fens en Gerrit Komrij, eerdere winnaars van dezelfde literaire prijs, zijn misschien minder geleerd, maar ze schrijven wel prikkelende en uitdagende essays, die je aan het denken zetten ook al ben je het er niet altijd mee eens. Bovendien zijn ze meestal geestig, iets wat Lehning - Van den Boogaard merkt het terecht op - vrijwel nooit is. Nou ja, één keer heb ik onbedaarlijk om Lehning moeten lachen. In 1949 schreef hij een aanval op de toentertijd beroemde gereformeerde pedagoog Jan Waterink - tevens opvoedkundig adviseur van het koninklijk paar - nadat deze het apartheidsregime van Zuid-Afrika had verdedigd. Waterink had gezegd dat ook hij zijn vrouw niet graag met zo'n 'naturel’ in één coupé zou laten reizen. Hierop reageerde de onverbeterlijke womanizer Lehning welhaast dodelijk: 'Wij hebben niet het genoegen mevrouw Waterink te kennen maar we willen het graag aannemen.’ Dit is briljant, maar om iemand daarvoor nou de P.C. Hooftprijs te geven? Niet bekend IN DE STUK voor stuk lovende en waarderende artikelen die zijn verschenen na bekendmaking van de toekenning van de P.C. Hooftprijs, wordt onveranderlijk gewezen op Lehnings trouw aan de idealen van zijn jeugd. Nu is 'trouw’ iets heel moois, maar meer dan tachtig jaar hetzelfde geloven zou er ook op kunnen wijzen dat iemand niet echt openstaat voor nieuwe inzichten, dat iemand niet bereid is vergissingen toe te geven. Hoewel de meeste scribenten Lehnings anarchisme niet delen, schrijven ze met enige vertedering over zijn ideologie. Het anarchisme is lekker exotisch, en bovendien niet zo gecompromitteerd als het communisme of de sociaal-democratie. Maar heeft Lehnings anarchisme ons eigenlijk nog wel iets te zeggen? In 1976 hield Lehning de jaarlijkse Johan Huizinga-lezing. Zijn rede, met als titel Over vrijheid en gelijkheid, begon met de openingszin van Rousseau’s Contrat social uit 1762: 'De mens wordt vrij geboren, en overal bevindt hij zich in ketenen.’ Hoewel Lehning in deze lezing Rousseau op tal van punten kritiseert, distantieert hij zich nergens van deze volstrekt nietszeggende leuze. Joseph de Maistre had er al op gewezen dat je net zo goed kon beweren dat schapen van nature vleeseters zijn, maar dat ze overal alleen maar op grassprietjes knabbelen. Ook Alexander Herzen dreef de spot met Rousseau: 'Vissen worden geboren om te vliegen - en altijd zwemmen ze maar.’ Je hoeft niet in de zondeval te geloven om te beseffen dat de mens helemaal niet vrij geboren wordt. Behalve de sociale achtergrond, waar nog wat aan te doen is, stellen vooral de genen paal en perk aan de individuele vrijheid. Bovendien is vrijheid een uiterst problematisch begrip, en ook hierover heeft Lehning weinig zinnigs te zeggen omdat hij altijd maar weer teruggrijpt op de kretologie van Bakoenin. Deze roemruchte Russische anarchist had weliswaar een perfecte antenne voor onderdrukking en tirannie, en trok rücksichtslos ten strijde tegen elke vorm daarvan, maar een serieus politiek denker was hij niet. In zijn bewonderenswaardige essay 'Herzen en Bakoenin over de individuele vrijheid’ (in Russische denkers) laat Isaiah Berlin zien dat men bij Lehnings grote held niet moet zoeken naar een maatschappelijke theorie of politieke doctrine. Een groots maar wazig visioen, een radicaal temperament, dat vindt men bij Bakoenin, die ooit schreef dat wat hij het felst haatte 'een rustig leven’ was. Bakoenins vrijheidsbegrip was niet alleen zeer abstract en au fond vrij kinderachtig, ook wordt niet duidelijk wat de relatie is tussen vrijheid en andere belangrijke waarden, zoals gelijkheid, solidariteit, rechtvaardigheid et cetera. Over het moeizame begrip 'vrijheid’ heeft Berlin in zijn essays heel wat belangrijkere dingen gezegd dan Bakoenin, Lehning en alle andere anarchisten samen. Hoewel Berlin evenals Lehning een historicus met een vrij klein oeuvre is, is zijn bijdrage aan de ideeëngeschiedenis heel wat groter dan die van Lehning. NU GAAT HET bij de toekenning van een literaire prijs uiteraard niet in de eerste plaats om de juistheid of waarde van de ideeën die de laureaat te berde brengt. De literaire kwaliteiten dienen voorop te staan. Hoewel Lehning helder en leesbaar schrijft, gaat het toch wat ver om hem een groot stilist te noemen, want dan zou iedere journalist die zijn vak redelijk verstaat in aanmerking komen voor de P.C. Hooftprijs. Het is echter niet ongebruikelijk, men denke aan Frits van Oostroms boek over Jacob van Maerlant, dat historici die in staat zijn hun bevindingen op een aangenaam leesbare wijze te verwoorden een literaire prijs ontvangen. Het gaat dan vooral om historici die grootse boeken hebben geschreven die toegankelijk zijn voor een veel breder publiek dan de eigen vakgenoten. Gemeten naar deze maatstaf zou Loe de Jong zeker in aanmerking komen voor een belangrijke literaire prijs. Waarom dan niet de P.C. Hooftprijs voor Arthur Lehning? Zoals gezegd bestaat Lehnings oeuvre vooral uit artikelen en bronnenpublicaties. Een grote monografie over bijvoorbeeld het anarchisme heeft hij nooit geschreven. Wel is er het interessante Bakoenin, een biografie in tijdsdocumenten (1977), een verzameling teksten van en over de grote Russische anarchist. Het procédé van dit boek had Lehning overigens afgekeken van Hans Magnus Enzensberger. Bij de Nederlandse vertaling van diens Der kurze Sommer der Anarchie; Buenaventura Durrutis Leben und Tod (1972) schreef Lehning een curieus nawoord. Daarin verweet hij Enzensberger vrijblijvendheid en naïviteit, omdat deze te weinig commentaar leverde bij de verschillende documenten. Enzensberger schreef evenwel verschillende verbindende hoofdstukken, iets waar Lehning in zijn boek over Bakoenin niet aan toekwam. Nou ja, Lehnings essays mogen dan wat betreft aantal, onderwerpskeuze en inhoud wat aan de magere kant zijn, zijn bewonderaars wijzen altijd met recht op zijn wetenschappelijke hoofdwerk, de Archives Bakounine. Wat er echter vrijwel nooit bij verteld wordt, is dat dit 'verzameld werk’ van Bakoenin, dat door Lehning van een zeer uitvoerige annotatie en inleiding is voorzien, bij lange na niet compleet is. Sterker nog, de zes verschenen delen bevatten minder dan de helft van Bakoenins oeuvre. Op de wijze waarop Lehning deze Bakoenin-editie heeft aangepakt was het project voor het IISG niet meer te betalen. Vandaar dat dit jaar een cd-rom van het volledige werk verschijnt, helaas zonder annotatie. Waarom is het project in zijn oorspronkelijke opzet mislukt? Je zou zeggen dat Lehning voldoende tijd heeft gehad. Bovendien heeft hij het werk ook niet bepaald in zijn eentje hoeven doen. Dat had hij trouwens ook niet gekund: hij beheerst de Russische taal niet, en dat is voor de uitgever van Bakoenins verzameld werk op z'n minst merkwaardig. Ook al heeft Bakoenin veel in het Frans en Duits geschreven, vreemd blijft het, want ieder Russisch document is nu door een ander vertaald. In het begin van deze eeuw was het niet ongewoon dat de Nederlandse uitgaven van Tolstoi en Dostojevski uit het Duits werden vertaald, maar tegenwoordig wordt zoiets niet meer geaccepteerd. Het is alsof een Amerikaan over Marx schrijft zonder Duits te lezen. Goed beschouwd is het niet kunnen lezen van de taal van zijn held wel heel typerend voor Lehning: zijn anarchisme was altijd al dat van een buitenstaander. Hij was weliswaar in de jaren twintig en de vroege jaren dertig actief in het Nederlandsch Syndicalistisch Vakverbond en de anarcho-syndicalistische Internationale Arbeiders-Associatie, maar als welgestelde intellectueel die een groot deel van zijn tijd doorbracht met het aan cafétafeltjes converseren met kunstenaars en intellectuelen, bleef hij altijd een zekere afstand bewaren tot de arbeiders voor wie hij zich inzette. In de ook toen al bestaande scheiding tussen fundis en realos behoorde Lehning, zoals je zo vaak ziet bij intellectuelen in socialistische organisaties, tot de eerste categorie. Duidelijk bleek dat tijdens de Spaanse Burgeroorlog, toen Lehning kritiek leverde op de deelname van Spaanse anarchisten aan de regering. De leiders van de enige toonbare anarcho-syndicalistische vakbond ter wereld, de CNT, gaven voorrang aan het winnen van de oorlog boven het volledig doorvoeren van de socialistische revolutie. Het argument van Lehning dat de strijd op beide fronten, gecombineerd met de strijd tegen het stalinisme, één en ondeelbaar was, zal ideologisch gezien misschien correct zijn geweest. Maar ja, Lehning, die al spoedig terugkeerde naar Amsterdam om zich aan zijn wetenschappelijke werk te wijden, kon het vanachter zijn bureau, te midden van de stapels boeken en documenten, natuurlijk allemaal veel beter overzien dan de Spaanse kameraden die zich niet alleen de troepen van Franco maar ook nog de communisten van het lijf moesten zien te houden. LEHNING WAS ruim een half jaar jonger dan Anton Constandse, die andere anarchistische intellectueel die twintig jaar geleden de tachtigjarige leeftijd bereikte en eveneens kon terugkijken op een bewogen leven. Ondanks hetzelfde geboortejaar en dezelfde levensbeschouwing verschillen deze mannen van elkaar als dag en nacht. Om te beginnen moest Constandse altijd hard werken voor de kost en hield hij zich veel meer dan Lehning bezig met directe actie en propaganda. Lehning was, zoals gezegd, een typische Kaffeehaus-intellectueel die vooral met soortgenoten omging. Constandse daarentegen bedreef voor de oorlog vol overgave het anarchistische en atheïstische missiewerk, bijvoorbeeld door onder de grondwerkers van de Zuiderzeewerken lezingen over Kropotkin en Spinoza te houden. Over Lehnings i10 - dat in de ogen van hedendaagse lofredenaars geldt als diens magnum opus - schreef Constandse in 1927 dat het vermoedelijk bedoeld was 'voor de zending onder de witte negers van de bourgeoisie, die dit alles heel interessant zullen vinden onder het knippen van hun couponnetjes en de artikelen zullen opzuigen in hun luxueuze appartementen’. Gedurende de laatste twintig jaar van zijn leven was Constandse onvermoeibaar als het ging om zijn steun te betuigen aan provo’s, krakers, anti-militaristen of andere jongeren die zich lieten inspireren door de libertaire erfenis. Vlak voor zijn dood, in 1985, voltooide hij een pamflet tegen het bezoek van de paus aan Nederland. Na de oorlog heeft Lehning de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen nog wel gevolgd, maar van een forse afstand. Tegenover bewonderende interviewers mocht hij graag zijn goed in het gehoor liggende voorspellingen doen, maar echte analysen van wat er daadwerkelijk gebeurde vloeiden niet meer uit zijn pen. Trouw aan de idealen van zijn jeugd floot hij tachtig jaar hetzelfde liedje, en beperkte hij zich tot wetenschappelijke artikelen en het ophalen van herinneringen aan die deksels interessante kunstenaars en intellectuelen uit het interbellum. Om misverstanden te voorkomen, Lehning is een interessante man, met interessante kennissen, en hij heeft ook een handvol interessante artikelen geschreven. Maar Lehning, wiens bijdrage aan cultuur en wetenschap toch eigenlijk vrij beperkt is geweest, is tevens een nogal overschat man. De toekenning van de P.C. Hooftprijs voor essayistiek is hiervan het zoveelste bewijs.