Commentaar: Herstelbetalingen

Niet grijs of wit, gewoon zwart

«Kil» noemde premier Wim Kok een jaar geleden de wijze waarop de overheid na de Tweede Wereldoorlog de overlevende joden behandelde. «Dat is op grond van wat we nu weten te betreuren. En een spijtbetuiging daarvoor is op haar plaats.» Kok liet zijn verklaring vervolgen met de zin: «Zonder overigens verkeerde bedoelingen bij de toen verantwoordelijken te veronderstellen of te suggereren.»

Excuses inclusief relativering volgden op de conclusies van de Contactgroep Tegoeden WO II, ofwel de Commissie-Van Kemenade. In het rapport Roof en rechtsherstel werd geadviseerd alsnog een schadevergoeding van 250 miljoen uit te keren.

Waarom zo’n bekrompen afzwakking van de excuses? En waarom noemde Van Kemenade het naoorlogse rechtsherstel in het algemeen rechtmatig en alleen in enkele gevallen «onbillijk of onrechtvaardig»? Met name enkele joodse organisaties hadden kritiek op de behoudende rapportage, maar die ontlokte aan Van Kemenade slechts de woorden: «Ik denk niet dat latere wetenschappelijke analyses iets wezenlijks zullen toevoegen.» En die uitspraak getuigde van een beduidend grotere interesse in het halen van het eigen gelijk dan in waarheidsvinding.

Dixit Niod-onderzoeker Gerard Aalders, die afgelopen week zijn boek Berooid presenteerde, over het naoorlogse rechtsherstel: «De regering gaf geen cent uit handen als het niet nodig was. Cruciaal voor de wederopbouw, afschuwelijk voor de joden. De Eerste en Tweede Kamer grepen nauwelijks in, omdat de groep joden klein was en electoraal niet interessant» (de Volkskrant).

En dixit Isaac Lipschits, de emeritus hoogleraar wiens verontwaardiging over wat na de oorlog gebeurde, culmineerde in het persoonlijke boek De kleine Sjoa, waarin droog de talloze feiten staan opgesomd die laten zien dat het grootste deel van de Nederlanders bestond uit «niet zo goedwillende mensen, laffe mensen, mensen met een geringe mate van medemenselijkheid» (de Volkskrant).

Net als premier Kok hebben anderen alle mogelijke relativeringen aangedragen om Nederlanders «grijs» te noemen in plaats van te stellen dat het grootste deel van hen zich gewoon als schoften heeft gedragen. De zogenaamd verzachtende omstandigheden van de verantwoordelijken die handelden «zonder verkeerde bedoelingen» werden door de naoorlogse minister van Financiën Lieftinck treffend verwoord: «Als ik toegeef aan de joden, komt iedereen straks langs en heb ik geen geld.»