Bouwen voor blinden

Niet helpen, dan verdwaal ik

Hoe ervaart een blinde de gebouwde omgeving? Het boek Architectuur door andere ogen geeft antwoord. Blinden zweren bij doorleefd hout, verweerde stenen en ruw beton.

‘In de stille zijstraten hebben de huizen hier en daar minituintjes op de stoep, een struik, een rozenperk, soms met keien of latjes afgebakend, en tussen de bakstenen in de muren woekert onkruid, dat me nu bij de oriëntatie helpt. In de Annastraat, naast het plein met de bankjes en de zandbak, weet ik dat ik 28 stappen na de tweede woekering van onkruid aan mijn rechterhand op straat kan gaan lopen omdat er geen auto’s meer geparkeerd staan, wel een enorme motorfiets aan het eind bij de doorgang tussen twee rijen flats naar mijn eigen straat. Mijn voorstelling van die motor dwingt me langzaam te lopen.’

Zo beschrijft Marie Kessels in haar onvolprezen roman Ruw de worsteling van Gemma, hoofdpersoon in haar boek, met haar plotselinge blindheid. Alles wat voordien logisch en geordend was, is na het ongeluk dat haar blind maakte ontregeld. Op de tast en luisterend moet ze zich een weg banen door de stad. En ’s avonds lukt dat beter dan overdag met het razende verkeer en de mensen die haar op de stoep in de weg zitten.

Ruw is samen met de roman Gantenbein van Max Frisch een van de indringendste boeken over een samenleving die voor de ziende mens letterlijk en figuurlijk overzichtelijk is, maar voor een blinde niet. Alleen al daarom is het een moedige en lofwaardige poging van twee stichtingen (Zilvergrijs en Bartimeus) om die wereld nu eens vanaf de andere kant te benaderen. Hoe zien architectuur en planologie er voor een blinde uit? Hoewel, zien is in dit verband het verkeerde woord. Niet zien dus, maar beleven. Zilvergrijs heeft als missie zintuiglijke architectuur te bevorderen, ‘inclusief ontwerpen’. Bartimeus is een expertiseorganisatie die de maatschappij door trainingen en onderzoek toegankelijker wil maken voor mensen met een beperking. En dan blijkt dat onze vertrouwde gebouwde omgeving voornamelijk is afgestemd op de ziende mens, terwijl de blinde het maar moet uitzoeken. Zoals Gemma in Ruw die struikelend langs de perkjes voor de gevel (liefdevol en goedbedoeld geplant) haar doel moet bereiken. De stad is een parcours vol hindernissen.

Hoe ervaart een blinde de gebouwde omgeving? Wanneer weet hij dat hij rechtsaf kan slaan en of de steeg wellicht doodloopt? Door te luisteren naar de geluiden die op de wanden echoën en door zijn stok die aangeeft waar de gevelwand ophoudt. Het gehoor is bij een blinde veel sterker ontwikkeld dan bij de ziende mens. Schrijver Willem Jan Otten observeerde ooit een blinde sigarenwinkelier bij hem in de buurt. ‘Hij vond het prettig om me te vertellen hoe hij tikkend met zijn stok en klikkend met zijn tong een voorstelling van het Marktplein maakte.’ Op een dag zag Otten hoe zijn buurtgenoot een geplastificeerd kartonnen bordje om zijn hals had hangen. Met de tekst: ‘Niet helpen, dan verdwaal ik.’

Geluid helpt bij de oriëntatie, geur en tastzin helpen ook. De cabaretier Vincent Bijlo, die vanaf zijn geboorte blind is en helaas ook bezig is doof te worden, noteert in het boek Architectuur door andere ogen: ‘Hoe dieper in de provincie, hoe zwaarder en zoeter het ruikt in de zaal. In de stad hoort het bij de cultuur dat je naar het theater gaat. In de provincie maken mensen er echt een uitje van. Ze doffen zich op en besprenkelen zich rijkelijk. De fijnste plek om te spelen was het oude Nieuwe de la Mar Theater. Die geur van verbrandend stof op de theaterlampen in combinatie met zware gordijnen.’ Bijlo doet iets wat geen van de geïnterviewden in het boek doet: hij gebruikt zijn tong. Hij likt de muren van de Beurs van Berlage en komt tot de conclusie dat ze naar haring en zout smaken. Zo’n handeling zou geen enkele ziende zich permitteren. Maar Berlage was dan ook de grootvader van Bijlo – en de Beurs heeft hij uitgekozen als zijn favoriete gebouw.

Architectuur door andere ogen is in eerste instantie een verslag van de ervaringen van blinden, hoe ze andere zintuigen gebruiken, hoe ze zich een weg banen door de wereld. Dat levert een paar droogkomische opmerkingen op, zoals van Bijlo, die zegt: ‘Als heel Zuid-Afrika blind was geweest, had apartheid niet bestaan.’ Of over de vieste geur die er bestaat, die van natte hond, zoals Janita van der Vinne vindt. Als zo’n blindengeleidehond bovendien blind dreigt te worden, moet-ie weg. Twee blinden kunnen elkaar niet helpen in het dagelijks verkeer.

Architectuur, of liever gezegd de ruimte, wordt ‘zichtbaar’ voor de blinde door de aanraking van vloer en muren, maar ook door de akoestiek (een galm) of door het ooggetuigenverslag van een metgezel. Het grappige is dat ruimtes die voor ziende mensen als lelijk overkomen, zoals Hoog Catharijne of een willekeurige parkeergarage, bij een blinde juist op waardering kunnen rekenen. Hij meet met andere waarden. Bijlo erkent dat hij een willekeurige parkeergarage mooier vindt dan de kathedraal in Cordoba, terwijl de fotograaf René de Wit moeite had met de veel geprezen Universiteitsbibliotheek op de Uithof in Utrecht. ‘Het gebouw heeft een bepaalde taaiheid, in materiaal maar ook in klank. Het kaatst, het heeft geen akoestiek. Er bestaan fantastische foto’s van deze bibliotheek, maar het paste mij minder.’

Jody van den Brink, psychotherapeute van beroep en vanaf haar geboorte blind, vindt de klank van een Engelse pub aantrekkelijk maar vermoedt dat het interieur er niet uitziet, ‘met een vloerkleed aan de muur’. In de Eindhovense Catharinakerk verkent ze de ruimte door met haar tong te klikken. Zo kan ze de hoogte taxeren. Van den Brink denkt dat ze er nooit is geweest. Met haar stok tikt ze tegen de muren en bereikt zo wat ze vermoedt dat het ‘centrum’ kan zijn. Ze beseft dat wat ze daar aantreft het altaar is en begint als vanzelfsprekend te zingen. Luisterend zingen, zo komt de ruimte bij haar binnen.

Wat architecten mooi vinden en dus graag toepassen, kan voor een blinde ongemakkelijk zijn. Een glazen pui, suggereerde de architect die Van den Brink inschakelde voor haar nieuwe praktijkruimte. ‘Ik schrok me dood. Wat was dat nu voor therapie als voorbijgangers over de schouders van de therapeut kunnen meekijken?’ Het werd, als compromis, ondoorzichtig glas. Niettemin is glas voor blinden onprettig. Het geluid, zegt Van den Brink, komt in grote ruimtes als een groot blok op je af. Blinden zweren bij doorleefd hout, waarvan je de nerven kunt volgen, verweerde stenen en ruw beton, kortom materialen waardoor ze controle krijgen over de fysieke plek. En controle betekent comfort.

Begrijpelijk is het dat trappen worden beschouwd als ondingen, omdat je moeilijk de hoogte van de treden kunt inschatten, met name als je een trap afdaalt. Het wordt helemaal ingewikkeld als een trap deels bestaat uit treden, deels uit een hellingbaan. De auteurs in het boek pleiten voor een betere afstemming van het interieur op mensen met een beperking: met rolstoelgebruikers wordt wel rekening gehouden, met blinden of slechtzienden nauwelijks. Met name de, gebrekkige, akoestiek is een mikpunt van kritiek, de galmende grand cafés met hun harde materialen schrikken af. Beter is het om zachte en harde materialen met elkaar te vermengen waardoor de blinde zich makkelijker kan oriënteren: een ontwerper stelt met vilt beklede lampen en vazen voor. Toch is variatie in akoestiek geen wet van Meden en Perzen. Er zijn plekken waar je beter de ander niet kunt verstaan, zoals in wachtruimtes en bij open balies.

De blinde heeft de neiging de ruimte voor zichzelf te definiëren. Wat de ziende mens zich niet altijd realiseert is dat hij matjes en kleden neerlegt, matjes om de overgang van het ene naar het andere vertrek te markeren, en kleden om een indruk te krijgen van de grootte van een kamer. Dat zijn ingrepen die in de eigen woning nog eenvoudig toe te passen zijn. Voor de (semi-)publieke ruimte gelden andere wetmatigheden, zoals lange gangen, de plaats van de liften en de garderobe en de overgangen van openbare naar afgesloten delen. Architecten zouden veel meer gespitst moeten zijn op de logica van een plattegrond in plaats van op de esthetiek. Hoe het eruit ziet is voor een blinde immers niet van belang.

Hilarisch en tegelijk confronterend is de inrichting van de openbare toiletten. De kunstenaar George Kabel klaagt dat een wc per gebouw verschilt. ‘Ik heb bij openbare toiletten de grootste moeite mijn handen te wassen. De ene kraan draait, de andere moet je duwen, een derde werkt op sensoren waar je je handen voor of onder moet houden. Datzelfde raadsel geldt voor het drogen van je handen. Je kunt moeilijk de hele wc op de tast onderzoeken voordat je de systematiek in de gaten hebt.’

De getuigenissen van de blinden in Architectuur door andere ogen onderstrepen de noodzaak van markeringen in de openbare ruimte, zoals leuningen die leiden naar trappen, reliëfstrips op perrons en bij stoplichten. Je realiseert je dat een aantal nieuwigheden voor blinden geen verbetering betekent. De geluidloze touch­screens mogen dan voor de ziende mens aantrekkelijk zijn, blinden missen hierbij een aanknopingspunt. Andere zintuigen vangen het gebrek aan licht en zicht op. Kabel denkt dat er in de openbare ruimte veel te winnen is, waar architecten zich meer bewust van zouden moeten zijn. ‘Als ik stilsta, wil ik wat te beleven hebben. Als ik bij een balie moet wachten, ga ik om me heen voelen. Helaas valt er vaak weinig te beleven. Een blad met mooie belijningen zou een uitkomst zijn.’

Gelukkig. Saaiheid is zowel voor de ziende als voor de blinde mens een gruwel. Daar moet een ontwerper toch een antwoord op hebben, zou je denken.


Architectuur door andere ogen, samenstelling Martijn Jordans, Bastiaan van de Kraats, Marij van den Wildenberg, uitgeverij De Kunst, 416 blz., € 42,50