Fotografie: Cas Oorthuys

Niet het vreemde maar het menselijke

De foto’s van Cas Oorthuys brengen je tussen de vissers in Congo of bij de Hoogovens in IJmuiden, in Florida bij de lancering van Apollo 11 of in het Nederland van verre einders en populieren. Alles benaderde hij met oog voor het menselijke.

Visvangst, De Biesbosch,Nederland, circa 1959. Pagina uit het boek Cas Oorthuys, Contacts. Samengesteld door Frits Gierstberg en Xavier Barral. Uitgegeven door Editions Xavier Barral, uitgeverij Kannibaal en het Nederlands Fotomuseum © Nederlands Fotomuseum

Gevoelens van schaarste en overvloed gaan op een vanzelfsprekende manier hand in hand bij het bekijken van Dit is Cas, een grote tentoonstelling met werk van Cas Oorthuys (1908-1975) in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam. Er is zo veel te zien, en er is ook zo duidelijk zo veel niet te zien.

Bij het betreden van de zaal stuit de bezoeker eerst op een wand die is beplakt met grote zwartwitbeelden waarin ‘arbeid’ het motief lijkt te vormen. Aan deze muur zijn enkele beeldschermen bevestigd waarop heldere kleurenfoto’s van spelende kinderen worden getoond. Samen vormen ze een gedeeltelijke reconstructie van Oorthuys’ bijdrage aan de wereldtentoonstelling in Montreal in 1967. Er spreekt een eerbied uit die tekenend is voor de wijze waarop het Nederlands Fotomuseum het werk van een van de bedrijvigste Nederlandse fotografen van de twintigste eeuw wil ontsluiten.

De tentoonstelling is slechts een onderdeel van een veel groter project rond de nalatenschap van Oorthuys – die in het beheer van het museum is. Oorthuys’ archief is opgeslagen in een reeks stellingkasten in een geklimatiseerde ruimte boven in het gebouw. Het gaat daarbij niet alleen om boeken, afdrukken en negatieven, maar vooral ook om 447 albums met zorgvuldig uitgeknipte en ingeplakte contactafdrukken – beelden die zijn gemaakt door het negatief direct op lichtgevoelig papier te leggen waardoor na het belichten een afdruk op schaal 1:1 ontstaat.

De albums werden door Oorthuys en zijn vrouw Lydia met schaar, lijm en ijzeren discipline vervaardigd en vormden een soort beeldbank die tegelijk als archief dienst deed, en commercieel hergebruik van eerder gemaakte foto’s vergemakkelijkte. Het Fotomuseum heeft eerder dit jaar alle albums gedigitaliseerd en een crowdsourceproject opgetuigd waardoor iedereen die zich daartoe geroepen voelt kan helpen bij het beschrijven en indexeren van de bijna 360.000 beelden. Het ooit levende archief wordt zo een historisch document, en dat lijkt op precies het juiste moment te gebeuren: op de tentoonstelling zelf lopen de laatste generaties die zich het Nederland dat Oorthuys fotografeerde nog levendig kunnen herinneren (en staand voor een winterlandschap ‘wat was het rustig, hè? Je kunt het je toch eigenlijk niet meer voorstellen’ mompelen) tussen mensen voor wie het idee van een in een donkere kamer vervaardigde contactafdruk op zichzelf al iets curieus zal zijn.

Dit is Cas lijkt niet te streven naar betekenisgeving, een interpretatie van Oorthuys en zijn werk vindt hooguit indirect plaats. Het museum is er vooral op uit een overzicht te bieden en de gigantische omvang van het totale oeuvre voelbaar te maken. Het resulteert in de vreemde maar niet onprettige ervaring dat je met iedere twee of drie passen de kloof tussen decennia, continenten en radicaal van elkaar verschillende levenswijzen overbrugt; iets dat gevoelsmatig wel past bij de wijze waarop ook de fotograaf op een haast maniakale manier niet alleen het land maar de hele wereld heeft doorkruist.

Deze ervaring, die de tentoonstelling in oppervlakkige zin biedt, biedt de catalogus – for lack of a better word – in sterk verhevigde mate. Een gigantische selectie uit de gedigitaliseerde contactvellen vormt samen met hier en daar een grotere afdruk een schitterend boek dat de kijker daadwerkelijk nader tot Oorthuys lijkt te brengen.

Verreweg de meeste van de ruim vijfhonderd pagina’s zijn gevuld met een twaalftal kleine vierkante beelden afkomstig van een en hetzelfde rolletje. Maar van pagina naar pagina wordt zonder pardon heen en weer gesprongen in tijd en ruimte – de beelden lijken hooguit impliciet thematisch te zijn geordend. Het is een boek dat zich er vooral voor leent op een willekeurige plaats te worden opengeslagen om vervolgens naar links dan wel rechts te bladeren. Je kunt binnenvallen tussen de vissers in Belgisch Congo of bij Hoogovens in IJmuiden. Tussen vrouwen in klederdracht in Cadzand of Scheveningen. Tijdens de lancering van de Apollo 11-missie in Cape Canaveral in Florida of bij Oorthuys’ kinderen die voorzichtig een egel vasthouden, ergens op de Veluwe. In de woeste binnenlanden van Griekenland of bij een schokdemperfabriek in Oud-Beijerland.

Het is het Nederland dat we nu idealiseren als we worden geconfronteerd met het verwarrende, complexe heden

Portretten, landschappen en stillevens wisselen elkaar af, net als commerciële opdrachten en op de bonnefooi geschoten beelden. Familiekiekjes staan zij aan zij met beelden die symbool zouden kunnen staan voor de hele wederopbouw. Je stuit op landbouw in Nederlands-Indië (waar Oorthuys vlak na de oorlog naartoe trok en foto’s maakte die in het boek Een staat in wording een pleidooi voor onafhankelijkheid vormden), op watervallen in Rhodesië en op een vroegchristelijke kapel op een schiereiland in Ierland. Al bladerend trekken binnen een paar minuten Praag, Leningrad, Moskou, Parijs, New York, Athene, Caïro en Madrid aan je voorbij. Een contactvel met elf vrijwel identieke globes lijkt symbool te staan voor het hele boek: het is alsof Oorthuys de hele wereld en alles erin heeft willen fotograferen.

Ergens aan het begin van het boek staat een groot portret van Arthur Seyss-Inquart, genomen tijdens zijn proces in Neurenberg in 1946. Het is een beeld dat, zoals curator Frits Gierstberg het in een voorwoord verwoordt, ‘in Nederland symbool kon staan voor de gerechtigheid waar zo lang naar was uitgekeken’. De gewezen Reichskommissar zit in de beklaagdenbank en heeft zijn armen over elkaar geslagen. Hij kijkt schijnbaar onbewogen voor zich uit. Alleen de dikke ader die op zijn rechterslaap omhoog kruipt – eerst kronkelig en dan in een rechte lijn, als de pennenstreek van iemand die halverwege het schrijven buiten bewustzijn is geraakt – verraadt hoe hoog de inzet is. Naast Seyss-Inquart staat een jonge bewaker. Aan zijn witte helm en handschoenen te zien waarschijnlijk Amerikaanse militaire politie. Hij kijkt vanuit zijn ooghoek of de fotograaf niet te dicht op zijn onderwerp dreigt te kruipen.

De ondoorgrondelijkheid van de geportretteerde, de nabijheid van het kwaad, sluit aan bij de onbevattelijkheid van wat er op de pagina’s die aan deze bladzijde voorafgaan te zien is. Een handvol contactvellen biedt een indrukwekkend overzicht van Oorthuys’ oorlogsjaren. Hij fotografeerde niet alleen de verwoesting en de bevrijding, maar ook slachtoffers van bombardementen, het lijden tijdens de hongerwinter en allerhande verzetsactiviteiten. Hier is hij getuige van illegale radio-uitzendingen, daar ziet hij hoe illegale kranten worden gedrukt. Hij fotografeert mannen die met gevaar voor eigen leven een Nederlandse vlag leggen op de plek waar eerder een executie heeft plaatsgevonden en legt het dagelijks leven van onderduikers vast. Ergens aan de Nes fotografeert hij een ouder stel dat in iets dat op een kruipruimte lijkt zo goed en zo kwaad als het gaat door leeft. De man leest al pijp rokend een boek van Karl May.

De foto’s die Oorthuys tijdens zijn reizen maakte kwamen dikwijls terecht in immens populaire fotopockets. Kleine monografieën over verre oorden die in een groeiende behoefte voorzagen in een tijd waarin toerisme weliswaar aan populariteit won, maar nog lang niet voor iedereen was weggelegd. De wereld die Oorthuys daarmee ontsloot is de wereld waarvan we nu nog goed beseffen hoezeer we hem missen. Ook al hebben we hem zelf misschien niet meegemaakt: hij ligt nog ruim binnen het bereik van onze collectieve nostalgie. Het Venetië dat hij vastlegde is precies het Venetië waarvan we nu pas goed en wel beseffen dat het voorgoed buiten ons bereik ligt. Het Nederland dat we op zijn foto’s aantreffen is precies dat Nederland van hard werken, koude winters en op straat spelende kinderen, van trage, brede rivieren, verre einders en rijen populieren, dat we nu graag idealiseren wanneer we worden geconfronteerd met het verwarrende, complexe heden.

Zijn foto’s bieden de mogelijkheid weg te dromen, maar het is niet echt romantiseren wat Oorthuys doet. Het is meer dat ze lijken toe te geven aan een bepaalde hoop, dat wat eruit spreekt is een geloof in maakbaarheid en de eindeloosheid van de menselijke mogelijkheden. Algemene uitspraken doen op basis van zoveel foto’s is ergens ondoenlijk, maar het kost geen moeite in veel van zijn werk een zeker humanisme te ontwaren. Een heel westers humanisme, natuurlijk, maar toch lijkt hij op de een of andere manier bestand tegen de verlokkingen van het exotisme. Het zou de aard van zijn nieuwsgierigheid kunnen zijn die hem er immuun voor maakt. Of hij nu in Rotterdam fotografeert of in Griekenland, in Caïro of in Congo: hij treedt al zijn onderwerpen op dezelfde manier tegemoet. Hun waardigheid staat overal op dezelfde manier centraal. Zijn nieuwsgierigheid lijkt telkens scherp te zijn afgesteld op niet het vreemde maar het menselijke. Oorthuys’ losse foto’s zijn vaak plaatjes, maar hun optelsom is, zo lijkt het, een wereldbeeld dat zich heeft willen toetsen aan niets minder dan de wereld zelf.

Bladerend langs de contactafdrukken dringt nog een andere gedachte zich op. Vaak openbaart de kwaliteit van een fotograaf zich in het ene beeld, maar als dat ene beeld een lucky shot blijkt tussen duizenden andere doet dat toch iets af aan hoe je over de maker denkt. Oorthuys’ contactbladen bewijzen hoe constant de kwaliteit van zijn werk was. Maar er gebeurt nog iets gekkers. Wie kijkt naar de foto’s die Oorthuys van de hongerwinter maakte, kan door het ene uitvergrote beeld worden gegrepen. Maar wie naar het vel met alle andere opnamen van diezelfde treurige kamer kijkt wordt bekropen door een veel heftigere sensatie. De ruimte wordt tot leven gewekt.

Het doet onwillekeurig denken aan They Shall Not Grow Old, de Eerste-Wereldoorlogdocumentaire die Peter Jackson onlangs maakte op basis van historisch beeldmateriaal. Hij poetste de oude films op en kleurde ze in, maar belangrijker dan dat was hoe hij computers nieuwe frames liet genereren. De houterige bewegingen van een eeuw geleden worden plots vloeiend, en de mensen die op het punt staan wel of niet te sterven in een loopgraaf komen hartverscheurend nabij. Diezelfde sensatie bieden Oorthuys’ contactvellen. De tijd die is verstreken lijkt even te verdwijnen. De foto’s zijn elkaars context en momentopnamen worden plots hele ochtenden, middagen of avonden. Een foto van een lachende Picasso is een portret, zes beelden vormen een kleine tijdmachine. De oneindig vaak gefotografeerde kunstenaar wordt een man van vlees en bloed en de fotograaf is plots aanwezig. Er is iemand die wacht… en afdrukt; wacht… en afdrukt; wacht… en afdrukt.


Dit is Cas is t/m 13 januari 2019 te zien in het Nederlands Fotomuseum