Essay: Een Amerikaan in Europa

Niet hier en niet daar

Zes weken onderweg, en Heathrow nadert. Raar hoe reizen de tijd vervormt: ik ben voor eeuwig weg geweest en pas gisteren aangekomen. Een deel van het probleem is dat ik dit tochtje op de Amerikaanse manier heb gemaakt, als een fanatieke sprint in plaats van een ontspannen wandeling. Werk, werk, werk. Geen tijd om ook maar één museum te bezoeken, tenzij je de stad Rome als museum telt. Geen tijd om de uren te verdrijven in cafés. Ik had meer moeten lanterfanten, ziekteverlof moeten nemen, een claim indienen tegen The Guardian omdat ze me hebben blootgesteld aan Frankrijk, waar existentiële doodsangst besmettelijk is. Het is een wonder dat ik die broeikas van wetteloosheid heb overleefd. Maar nee, ik ben een stoere Amerikaan: mijn Angst blijft beperkt tot schuldgevoel over de grootte van de sport-bestelwagen van mijn vrouw.

En wat heb ik geleerd? Ik zal u een verhaal vertellen. Koffie op een ochtend in een café in Rome, met twee jonge mensen, de een student en de ander pas afgestudeerd. Allebei veteranen van de straatdemonstraties van vorig jaar, in Genua en in Rome. Zoals gewoonlijk begon ik met te vragen: «Wat is er zo erg aan Amerika?»

«Het is niet alleen Amerika, het is het hele Westen», zei Pietro, de pas afgestudeerde, en nu grafisch ontwerper. «We hebben een model geschapen waar de wereld niet aan kan meedoen. Als iedereen in de wereld toiletpapier gebruikte zoals wij dat doen, zouden er geen bomen meer zijn.»

Maria Vittoria’s probleem met Amerika was cultureel. «Ze hebben ons het voorbeeld gegeven van de sterke man, met nadruk op professioneel succes tegen elke prijs. De morele en spirituele invasie is sluw en ze is overal. McDonald’s, Amerikaanse films…»

«Ik hou van Amerikaanse films», onderbrak Pietro, met een schuldige glimlach. «Vooral de gewelddadige fantasy’s. Star Wars.» Nu hij het er toch over had, moest hij toegeven: «Ik vind mijn schoenen ook mooi», en hij toonde zijn versleten Nikes. «Het is waarschijnlijk kinderachtig, maar vanbinnen ben ik een kind.»

Zijn we dat niet allemaal? Inherent aan die kinderlijkheid is de behoefte om beschermd te worden, een behoefte aan orde — niet gewoon een gevoel van stabiliteit in het dagelijks leven, maar ook een groter idee van orde: iets om in te geloven. Het gesprek nam een zeer interessante wending toen ik vroeg waar zij in geloofden. «Ik geloof dat dit corporatieve systeem verkeerd is», zei Maria.

Maar wat komt ervoor in de plaats, vroeg ik: het socialisme? «Nee, nee, nee», zei Pietro. «Mijn ouders waren lid van de communistische kerk.»

En bij welke kerk hoorde hij? «Dat is dus het probleem. Je hebt nu twee kerken. Het kapitalisme en de islam. Het kapitalisme is onbehouwen en de islam is gestoord. De antiglobaliseringsbeweging is niet echt een kerk, nog niet. Er zijn verschillende kanten, dingen die ik geloof en dingen die ik niet geloof.»

Ongeveer honderd jaar geleden schreef de Amerikaanse socioloog Thorstein Veblen een boek over de naderende lompheid, The Theory of the Leisure Class (De theorie van de vrije-tijdsklasse). Misschien kan de huidige anomie het omgekeerde worden genoemd: The Leisure of the Theory Class. Europeanen, heb ik de indruk, zijn hun anker kwijt te midden van overvloed. Pietro heeft gelijk: ze hebben geen kerk. Hun ouders hadden het communisme en het katholicisme (oké, ook het protestantisme, al allitereert dat niet). Die zijn nu allebei nagenoeg verdwenen. Het is voor een Amerikaan verbijsterend hoe seculier Europa is geworden. Tijdens een gesprek met een vrouw hier in Engeland zei ik onnadenkend: «God zij dank.» De vrouw was geschokt. «Waarom zeg je dat? Geloof je daadwerkelijk in God?»

Maar er is een derde kerk voor Europeanen, een behoorlijk machtige: de kerk van de nationale identiteit. Die is een geweldige bron van trots en veiligheid en problemen: een Fransman weet precies wat het betekent om Frans te zijn, het siësta gevoel heerst nog steeds in Spanje, en de behoefte van Britten — ook coole, jonge zaken-Britten in de City — aan een borrel en wat gepraat na het werk lijkt vast te liggen in het nationale DNA. Er is een onderstroom van bezorgdheid hierover onder de intellectuele elite: ongeremde etniciteit is een Europese ramp gebleken in de twintigste eeuw; het lijkt nu anachronistisch, economisch onzinnig en grof. Daarom is de politiek op het continent zo beestachtig geworden: demagogen kunnen erg goed het verleden verkopen. Ze profiteren van de bedreiging voor de nationale soevereiniteit van bovenaf — uit Brussel — en, het meest vergaand, van onderaf: vanuit de stroom immigranten, met name zij die geen Europese waarden aanhangen. Zoals een Française eens tegen me zei: «Wij geloven dat religie iets persoonlijks zou moeten zijn. Waarom moeten zij ermee de straat op, zoals ze zich kleden en zo?» Maar immigranten zijn nodig om de nationale econo mieën, en de stelsels van sociale voorzieningen, overeind te houden. En Brussel, dat een markt met vijfhonderd miljoen spelers kan creëren als het oosten van Europa erbij komt, is eveneens nodig als de Europeanen iets in de wereld willen betekenen. Toch heerst grote bezorgdheid over hoe Engeland, hoe Frankrijk — hoe Europa — zal worden gedefinieerd als we twintig jaar verder zijn.

Ik denk dat dat een primaire bron is van de diepere weerzin tegen Amerika — dat wil zeggen, die weerzin die niet is gerelateerd aan het vrijblijvend ideologische, opgewekt boerse gedrag van de huidige regering. Amerika heeft geen identiteitsprobleem. Het heeft een sterke nationale godsdienst: Amerikaansheid. Het heeft ook een nationale ideologie: vrijblijvendheid. Het wordt noch van bovenaf noch van onderaf bedreigd; het wordt op het moment bedreigd van buitenaf, door terroristen, maar dat heeft alleen geleid tot een versterking van de nationale gemeenschapszin (en van binnenuit, door een misselijk makende reeks business-schandalen — hoewel dat een minder ernstig probleem is dan sommige Europeanen zouden denken). De ware kracht van Amerikaansheid is dat het etniciteit overstijgt. We geloven dat de dingen die we gemeen hebben veel belangrijker zijn dan de dingen die ons scheiden. De regenboogkleurige stroom van immigranten, die begon in 1965 nadat een dichte-deur-beleid van veertig jaar ons dodelijk smakeloos dreigde te maken, heeft ons alleen maar Amerikaanser gemaakt. De Latino’s en Arabieren en Afrikanen en Zuid-Aziaten en Oost-Aziaten zijn niet alleen energieke ondernemers gebleken en boeiende burgers, ze hebben ook de scherpe randjes van de oude raciale zwart-wit tegenstelling gehaald.

De Amerikaanse identiteit kan worden samengevat in één zin: wij zijn het enige land ter wereld waar een meerderheid consequent heeft geloofd — met uitzondering van een paar jaar eind jaren zeventig van de vorige eeuw — dat volgend jaar beter zal zijn. Zulk optimisme moet op de rest van de wereld verwerpelijk overkomen, vooral als het samengaat met overdonderende militaire en commerciële macht. De essentiële Amerikaanse goedgelovigheid — we geloven in ons land, ons systeem, onze sensibiliteit, we neigen er zelfs naar in God te geloven — moet eveneens behoorlijk aanstootgevend lijken.

Ik wil het «Amerika»-probleem van Europa niet bagatelliseren. In de zes weken dat ik hier was, lijkt de woede te zijn toegenomen. Ik heb er voortdurend over gehoord, van verstandige en minder verstandige mensen. Elke week lijkt nieuwe uitwassen te brengen: recentelijk de Midden-Oosten-speech van George Bush — waarin hij het presidentschap-voor-het-leven van de corrupte terrorist Yasser Arafat garandeerde — en de enorme WorldCom-fraude, en het per ongeluk bombarderen van een Afghaanse bruiloft. Elke dag lijkt nieuwe bewijzen te brengen voor een steeds achtelozer en gedachtelozer uit geoefende hyper-macht — bewijzen die Amerika’s vrienden pijn doen, en de bekende reeks jeugdige, door vrije tijd verwarde linksige intellectuelen blij maken.

Er zijn echte problemen, echte verschillen, tussen Europa en Amerika. Maar ik vermoed dat de scheuring niet zo scherp zou lijken als Bush geen president was. Vorige week, op een bijeenkomst van zijn geslonken aanhang in Memphis, zei Al Gore dat als hij de campagne van 2000 moest overdoen, hij zijn peloton adviseurs, opiniepeilers en marketeers zou negeren en «plankgas geven». Waarschijnlijk betekent dat dat hij niet zo schaamteloos oneerlijk zou zijn geweest. Het suggereert dat hij nu en dan het Amerikaanse volk iets zou hebben verteld dat het niet wilde horen. En als hij had gewonnen? Er zou ongetwijfeld minder van de kenmerkende bushiaanse ongevoeligheid jegens onze bondgenoten zijn geweest. Multilateralisme — of tenminste de schijn van multilateralisme — zou heersen. Petroleum niet. Kioto, of iets vergelijkbaars, zou worden getekend. Er zouden geen Amerikaanse heffingen op staal zijn; toezichthouders zouden daadwerkelijk proberen de excessen van het ondernemen te controleren, zij het niet vaak met succes. Officials van de Amerikaanse overheid zouden niet steeds de wereld de les lezen over het kwaad van abortus en de geneugten van wapenbezit. Ik gok dat Gore net zozeer als Bush de Afghanistan-campagne zou hebben doorgezet — wat betekent dat burgers, op gezette tijden, per ongeluk zouden zijn gebombardeerd. Dat is onderdeel van de prijs van oorlog. Ik denk ook dat er grote Amerikaanse weerzin zou zijn tegen aansluiting bij het internationale gerechtshof: we hebben zeer verschillende opvattingen over het juiste gebruik van geweld — dat kan weleens het grootste filosofische verschil tussen Europeanen en Amerikanen zijn. Maar die verschillen zouden draaglijker zijn in een algemene context van samenwerking. Europeanen zouden niet zo boos zijn als de Amerikaanse grondhouding partnerschap was, af en toe onderbroken door meningsverschillen, in plaats van minachting af en toe onderbroken door spasmen van neerbuigendheid.

Maar Bush is president, en kan dat de komende zes jaar weleens blijven. De Atlantische Oceaan lijkt op dit moment een stukje breder. En er zijn dezer dagen twijfels over de meest fundamentele politieke uitgangspunten: is er een alternatief voor de American way? Zijn we gedoemd tot de sponzige, technocratische, centristische politiek die zo veel mensen lijkt af te stoten? Staat er een volgende Europese kerk op het punt geboren te worden? Ik bemerk, na mijn zwerftocht van zes weken, een groeiend ongeduld onder de Theorie-Klasse, een verlangen naar een paar heldere en duidelijke beslissingen. Maar sommige vragen kunnen niet zomaar gebiedend beantwoord worden; oplossingen dienen zich aan — rommelig, onsamenhangend, per ongeluk gevonden door politici. Of ze dienen zich niet aan: de armen zullen bijvoorbeeld altijd onder ons zijn, zoals een jood van de Westoever eens heeft gezegd.

De laatste paar weken heb ik een nogal korzelige reisgezel gehad: Will Hutton. Niet Will zelf, die een aardige en intelligente vent is, maar ik was Wills nieuwe boek aan het lezen, The World We’re In, wat een heel ander verhaal is: het is alles wat de auteur niet is — simplistisch, gehaast en beledigend. Het presenteert een simpel alternatief: je hebt de American way en de Europese manier, en Engeland moet een van de twee kiezen. De Amerikaanse manier behelst vraatzuchtig kapitalisme en sociale ongevoeligheid, omgord door een radicaal intellectueel conservatisme dat alles wat voorafging heeft weggevaagd. De Europese manier is veel meer mellow — een tragere, stabielere corporatieve cultuur; een veel genereuzere welvaartsstaat; een hoop musea en vrije dagen; een politieke filosofie die het beste haalt uit de twee oude kerken, communisme en katholicisme. Hutton heeft een punt met dat vraatzuchtige kapitalisme, de neiging winst op korte termijn vóór groei op lange termijn te stellen. Hij heeft ook gelijk dat het sociale vangnet van Amerika gebrekkig is, vooral waar het gezondheidszorg betreft. Je kunt echter al deze punten erkennen en toch Huttons aanval als geheel afdoen als nonsens. Hij begrijpt gewoon niet hoe Amerika werkt, of waarom het zo levendig is als het is.

Hutton volgt een lange traditie van linksige pessimisten die de ophanden zijnde ondergang van Amerika voorspellen. Hij ziet «een onheilspellende echo van de jaren 1920» in de beurs paniek van de jaren negentig en de recente fraudezaken. Erger nog, hij koppelt het economische lot van Amerika aan dat van de grote bedrijven, zoals Boeing, dat op dit moment zijn concurrentiestrijd tegen Airbus lijkt te verliezen. Maar de Amerikaanse economie draait niet om Boeing; die draait om de kleine bedrijfjes en nieuwe ideeën die voortdurend worden geboren en waarvan vele mislukken maar sommige succesvol zijn. Het gaat om de vrijheid van werkgevers om te werven, te ontslaan, te starten, te stoppen en de koers te wijzigen. Het gaat om de vrijheid van alle nieuwkomers om een eigen zaak te beginnen, met een minimum aan drukte of papierwerk. In de eerste tijd van zijn regering had Bill Clinton een prachtige statistiek die hij van een spiekbriefje voorlas tegenover de tegenstemmers die bezorgd waren over de «massale» golf ontslagen bij de Fortune 500-bedrijven: in de afgelopen twee jaar, zei hij dan, zijn er meer nieuwe bedrijven gestart door vrouwen dan er mensen zijn ontslagen door de Fortune 500.

Huttons analyse van Amerika is een stuk gedetailleerder dan zijn relaas over West-Europa. Het laatste lijkt op z’n hoogst een romantische fantasie. Hij neemt het beste van verscheidene grote, goed geleide bedrijven — Volkswagen, Nokia en Michelin — en extrapoleert hun gedrag naar alle Europese ondernemingen. Er is echter een probleem: die industriële giganten vertegenwoordigen een klein en slinkend deel van de geavanceerde westerse economieën. En Huttons geliefde Duitsland blijft achter in de meeste andere economische sectoren: de groei in diensten en technologie van het informatietijdperk was het afgelopen decennium in Amerika gemiddeld 8,9 procent per jaar tegen 4,9 procent in Duitsland.

Daarbij hebben de meeste Europese landen ingrijpende maatregelen om het starten van nieuwe bedrijven en het aannemen van nieuwe werknemers te ontmoedigen. Ik was een ochtend lang in het gezelschap van Traugott Klose van de Vrije Universiteit van Berlijn, waar twintig procent van de studenten twaalf semesters of meer op de campus blijven rondhangen voor ze afstuderen. Waarom? Omdat het voor een bedrijf veel makkelijker is om een student een tijdelijke baan te geven — slechts een derde van de sociale heffingen moet worden betaald en studenten hebben geen recht van protest na ontslag — dan een afgestudeerde in vaste dienst te nemen. Er gaan nu broodje-aap-verhalen over Duitse studenten — Grijze Panters worden ze genoemd — die direct na school met pensioen gaan. (In Nederland heeft de moeilijkheid om personeel te ontslaan ertoe geleid dat één op de zestien werknemers op permanent ziekteverlof is.) Er zijn nog meer problemen met Huttons stelling. Het eerste is de hond die niet blaft: Wills wereld lijkt Azië niet te omvatten. Hij noemt China niet één keer. Hij noemt de andere bloeiende Aziatische econo mieën alleen als slachtoffers van hervormingen door het IMF onder leiding van Amerika (hoewel de meeste zich goed lijken te hebben hersteld). De waarheid is dat Europa en de VS niet alleen tegen elkaar concurreren, maar ook tegen Azië — en als Hutton denkt dat de Amerikaanse welvaartsstaat gebrekkig is, zou hij die van China eens moeten bestuderen. Er is geen enkele ziekteverzekering voor de meeste arbeiders in niet-overheidsondernemingen. Er zijn vrijwel geen arbeidswetten. Amerika is het tegenovergestelde daarvan: een werknemersparadijs. Dat is de Wereld Waar We Werkelijk In Leven; misschien is het de hobbesiaanse toekomst waar we tegen strijden.

Hoe dan ook, waarom in hemelsnaam moet Engeland de ene weg of de andere kiezen — het Europese model of het Amerikaanse? Waarom niet het beste van beide? Waarom niet de vrijheid van de Amerikaanse arbeidsmarkt combineren met een agressief herintredingsprogramma voor mensen die zijn ontslagen? Maar Hutton en veel anderen staan te trappelen om te vechten. Er zijn op dit moment concurrerende intellectuele straatbendes aan beide kanten van de Atlantische Oceaan, alletwee krankzinnig bloeddorstig. Tegenover alle borrelpraat in Europa over arrogante super-de-luxe-machten geleid door idiote cowboys staat eenzelfde hoeveelheid geblaat in Amerika over antisemitische, Arabofiele, cryptotrotskistische Eurodoetjes. De karikaturen zijn vergif; ze hebben gevolgen. Ze worden te makkelijk verteerd, te makkelijk opgenomen in de publieke bloedbaan; ze geven de luien en dommen een kick. We gaven de afgelopen eeuw in handen van de vurige idealisten: zij gaven ons de Sovjet-Unie, nazi-Duitsland en het spoorwegenprivatiseringsplan van Engeland. Het is tijd voor een nieuw paradigma. En ik heb een bescheiden voorstel:

Laat Hutton vijftig Eurodoetjes leiden; laat Norman Podhoretz, het antieke neoconservatieve schaaldier, vijftig Amerigoten aanvoeren. Laten we vervolgens beide bataljons transporteren naar een onbewoond eiland en ze vragen te gaan strijden — niet alleen standaard overlevingsspelletjes zoals wormen eten, maar ook meer erudiete uitdagingen zoals hiëroglyfen lezen en subsidieaanvragen schrijven. Laat ze ook boksen en worstelen en debatteren — misschien kan er een nieuwe sport worden uitgevonden: debate-boksen. We kunnen dat allemaal op televisie uitzenden, hoewel ik niet zeker ben dat er veel kijkers zouden zijn. Maar dan nog, misschien moeten we voorkomen dat we intellectuelen tot beroemdheden maken. Misschien moeten we ze op dat onbewoonde eiland laten en verder gaan met het serieuze probleem van kiezen wat het beste is aan weerszijden van de Atlantische Oceaan, en een mooi maatschappijtje maken voor onszelf.

Ik heb nog een paar andere bescheiden voorstellen. Het eerste is een basisprincipe: samen is beter dan alleen — diversiteit overtreft homogeniteit. De diversiteit van Amerika is zijn grootste troef; als de huidige president zichzelf intellectueel een klein beetje zou kunnen uitbreiden, zou hij kunnen zien dat het diversiteitsprincipe ook transnationaal van toepassing is. Aan uw kant van de Atlantische Oceaan lijkt het voor de hand te liggen dat de EU de enige mogelijkheid is voor Europa om iets te betekenen, en de beste kans om de giftig etnocentrische ziel van het continent te reinigen. Dat leidt tot de echte wereld van de politiek: het is een morele onontkoombaarheid dat de EU zich uitbreidt en de voormalig communistische landen in het oosten zo snel mogelijk omvat. Het is waarschijnlijk ook de hoogste tijd dat Groot-Brittannië de euro invoert. Het wordt echt leuk als de dollar en de euro fuseren, aangezien ze inmiddels zo goed als gelijkwaardig zijn, en de euro vergezeld gaat — zo lijkt het — van fiscale regels die de begroting-brekende regering-Bush zo hard nodig heeft.

Ten slotte, om wat zeer gewenste religieuze pracht en praal terug te brengen in ons openbare leven, heb ik een paar ceremoniële suggesties. Silvio Berlusconi moet aan het hoofd worden gesteld van alle sociale aangelegenheden — alle toekomstige festiviteiten, dat wil zeggen: feesten, geen politiek — aan beide zijden van de Atlantische Oceaan. En Clinton zou moeten worden ingehuurd om alle belangrijke lofredes te houden: als we een dichter des vaderlands hebben, waarom dan geen rouwklager der vaderlands? Maar nu stap ik in het vliegtuig en ga terug naar huis — om te zoeken naar een leuk café waar ze espresso en taart serveren, waar ik kan zitten en me ontspannen, en mijn tape met de allergruwelijkste accordeonmuziek van de wereld kan opzetten, en de duiven rond zien trippelen en de meisjes langsfietsen, en al mijn Amerikaanse vrienden laten zien dat ik nu werkelijk continentaal ben geworden.

© The Guardian

Vertaling: Rob van Erkelens