Hoe het liberalisme zich verslikte in zijn eigen ambities

Niet iedereen wil op ons lijken

Ivan Krastev en Stephen Holmes benaderen het antiliberale populisme in Centraal-Europa, Rusland én de VS op een sprankelende en originele wijze.

Sochi, Rusland, 1995. Oleg en Nikolai, hooligans uit Moskou op vakantie, spelen met een decor van een strandfotograaf © Leo Erken / laif / HH

In een gigantische gepantserde limousine rijdt Barack Obama door de straten van Lima. Het is twee maanden voor zijn vertrek uit het Witte Huis. Dat moment, waarop hij het stokje overdraagt aan Donald Trump, zal de laatste nagel zijn aan de doodskist van de hoopvolle verwachtingen die het eind van de twintigste eeuw definieerden. Het geloof dat de ondergang van het communisme een tijdperk zou inluiden van almaar uitdijend liberalisme, is definitief geknakt. ‘Wat als we het mis hadden?’ vraagt Obama aan zijn adviseur tegenover hem, terwijl ze langs rijen zwaaiende Peruanen rijden. Hij vraagt niet ‘Welke fouten hebben we gemaakt?’ of ‘Wiens schuld is het?’ De vraag die de laatste maanden van zijn presidentschap het meest aan hem knaagde, was hoe het kon dat we ons zo vergist hadden. Wat is er over het hoofd gezien?

Wie dat daadwerkelijk wil begrijpen, moet veel romans lezen. De Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev en Amerikaanse rechtsgeleerde Stephen Holmes stellen dat nergens letterlijk in Falend licht, maar het lijkt de subtekst van hun met literaire verwijzingen overladen betoog, waarin ze uiteenzetten hoe het kon dat het liberalisme zich zo verslikte in zijn eigen triomfantelijke ambities. Als uitgangspunt nemen ze een theorie van de Franse literatuurwetenschapper René Girard. Die onderzocht de psychologische prijs van een sociaal fenomeen van zwaar onderschat belang: de diep menselijke neiging tot imitatie. Na een duik in een selectie van literaire teksten concludeerde hij dat imitatie vrijwel altijd uitmondt in rancune.

Dat is precies wat er volgens Krastev en Holmes de afgelopen dertig jaar op internationale schaal is gebeurd. Na het verdwijnen van de concurrentiestrijd met het communisme werd de liberale democratie voor postcommunistische landen de enige logische eindbestemming. Zo kon je de wereld na 1989 opdelen in voorbeeldlanden en hun imitators. Het is die giftige dynamiek tussen imitator en geïmiteerde die het huidige antiliberale populisme in Centraal-Europa, Rusland én de VS verklaart. Wie louter speurt naar economische oorzaken, ideologische aantrekkingskracht of diepe historische autoritaire groeven waar landen in terugschieten, zal de puzzel nooit helemaal passend krijgen. Wat we over het hoofd zagen, was de kracht van vernedering, de psychologie van wrok, schaamte en ressentiment. Hadden we maar meer Dostojevski gelezen.

Als eerste worden de Centraal-Europeanen op de sofa gelegd. Die hadden in 1989 oprecht de wens ‘normaal’ te worden, eindelijk, zoals hun westerse buren. Maar de val van het IJzeren Gordijn was een vreemde revolutie. Voor het eerst waren het niet de verliezers, maar de winnaars die massaal naar het buitenland verhuisden. De toekomst lag opeens niet vooruit in de tijd maar geografisch om de hoek, in Duitsland bijvoorbeeld. Krastev en Holmes staan uitgebreid stil bij de verregaande psychologische gevolgen van de massale uitstroom uit Centraal-Europa: het gevoel een loser te zijn als je achterblijft, het onbegrip tussen de generaties, de eenzaamheid in de steeds dunner bevolkte regio’s.

Parallel aan de angst demografisch te verzwakken of zelfs te verdwijnen, broeide intussen een diep gevoel van vernedering. Het begon de Centraal-Europeanen te dagen dat hun westerse buren hen nooit helemaal als gelijkwaardige gesprekspartners zouden zien. In welke bochten ze zich ook wrongen, ze zouden altijd een inferieure kopie van het origineel blijven.

Door de financiële crisis van 2008 werd de roep om te stoppen met die heilloze nabootsing versterkt, omdat duidelijk werd dat de westerse elites die hen zo vaak de les lazen zelf eigenlijk ook geen idee hadden gehad waar ze mee bezig waren. Het voorbeeldmodel wankelde. De populisten beloofden hun gekrenkte kiezers een omkering van rollen: voortaan zouden zij zelf het stralende voorbeeld zijn, de hoeder van het echte, christelijke, traditionele Europa.

Met de tweede casus, Rusland, is iets heel anders aan de hand. Daar geen hoopvolle jubelstemming na 1989: het uitgestrekte rijk brokkelde af, de levensverwachting kelderde, chaos en criminaliteit grepen om zich heen. Om relatief ongemoeid de wonden te kunnen likken, imiteerde Rusland daarom in de jaren negentig en het begin van deze eeuw halfslachtig de westerse democratische instituties. Niet uit bezielde overtuiging: Rusland heeft, anders dan Centraal-Europa, nooit in zijn eigen imitatiespel geloofd.

Rusland heeft, anders dan Centraal-Europa, nooit in zijn eigen imitatiespel geloofd

Uit op wraak en eerherstel voert Rusland daarom sinds 2012 een agressief buitenlandbeleid, volgens Krastev en Holmes een sarcastisch na-apen van het Westen bedoeld om onze hypocrisie te ontmaskeren. Imitatie als wapen. Zo weefde Vladimir Poetin door zijn toespraak waarin hij de annexatie van de Krim aankondigde, allerlei argumenten die de regering-Clinton had gebruikt ter rechtvaardiging van de interventie in Kosovo. Boodschap: ook wij kunnen ons geweld vermommen als idealisme. Ruslands hybride oorlogsvoering volgt volgens de auteurs eenzelfde logica: steunen jullie liberale ngo’s bij ons, dan financieren wij destabiliserende radicaal-rechtse en -linkse bewegingen bij jullie. Anything you can do I can do better.

Eenmaal aangekomen bij de VS lijkt het imitatiethema tegen zijn grenzen aan te lopen. Krastev en Holmes zien Donald Trump als bewijs dat ook de Amerikanen de imitatiehiërarchie inmiddels goed beu zijn. Trump wil helemaal geen president zijn van een shining city on a hill, maar van een normaal egoïstisch land als alle anderen, zonder morele pretenties die je alleen maar in de weg zitten. Hij wil niet voordoen, hij wil winnen. Een rake observatie, maar andere, inmiddels platgewalste verklaringen voor Trumps electorale succes, zoals angst voor immigratie, afkeer van de elite en baanverlies door globalisering, lijken meer in de imitatiemal te worden gepropt dan dat ze logischerwijs uit die theorie voortkomen.

Zo is het gemakkelijk vraagtekens te plaatsen bij de wens alles aan het imitatiehaakje op te hangen. Maar dat neemt niet weg dat dit boek overloopt van sprankelend originele ideeën, en dat er een onmiskenbaar grote analytische kracht uitgaat van de vernederende dynamiek van imitatie, die op veel meer contexten van toepassing lijkt. Lovenswaardig dat Atlas Contact het boek direct heeft laten vertalen, maar daardoor extra jammer dat het een haastklus lijkt te zijn geweest.

De vraag is natuurlijk hoe het verder moet. Als het ‘licht’ heeft gefaald, betekent dat dan dat het liberalisme in zijn geheel heeft afgedaan? Allerminst. De auteurs bekommeren zich in het boek eigenlijk nauwelijks om wat het liberalisme wel of niet vermag: wat heeft afgedaan is het idee dat er een universeel model is. Daarom zou het even onjuist zijn te geloven dat er nu een tijdperk van illiberalisme aanbreekt: het hele idee van een unipolaire wereld moet de prullenbak in.

Wat dat betreft biedt China ons een blik in de toekomst. Wat China volgens Krastev en Holmes vooral heeft laten zien is dat je het Westen prima kunt nadoen op een manier die niet politiek is. Het land heeft namelijk na 1989 weliswaar schaamteloos de middelen van het Westen gekopieerd, maar nooit de liberale doelen nagestreefd. Daarom is het psychologische trauma van imitatie de Chinezen bespaard gebleven, en is een nieuwe Koude Oorlog niet waarschijnlijk.

Natuurlijk, China deinst niet terug voor een hevige concurrentiestrijd en bouwt hard aan afhankelijkheidsrelaties met kleinere landen. Maar die wens om anderen te exploiteren en te commanderen gaat vooralsnog niet gepaard met pogingen iedereen te bekeren tot het confucianisme of een eenpartijstelsel. China wil zijn goederen exporteren, niet zijn identiteit. Dit gebrek aan ideologische zendingsdrang luidt volgens Krastev en Holmes het nieuwe tijdperk in, waarin veel onzeker is maar één ding vaststaat: niet iedereen wil op ons lijken.

Dat we dit nu pas inzien, en niet eerder doorhadden wat er met Centraal-Europa, Rusland, en de illiberale krachten in de VS aan de hand was, is volgens Krastev en Holmes te wijten aan een tragisch kenmerk van de menselijke conditie: winnaars nemen dronken van hun succes aan dat hun triomf een logisch uitvloeisel is van historische wetmatigheden. Dat maakt dit verhaal zo noodlottig, en de vraag wat we anders hadden kunnen doen zinloos. De EU heeft niemand tot iets verplicht. Het tijdperk van imitatie was een natuurlijk vervolg op de Koude Oorlog. Het waren onze triomfantelijke verwachtingen die ons, al te menselijk, blind hebben gemaakt voor wat er daadwerkelijk aan de hand was.

Toch is het slot van dit verhaal niet uitgesproken pessimistisch. Krastev en Holmes leenden hun titel van Rudyard Kiplings eerste roman, The Light that Failed. Van deze sentimentele liefdesgeschiedenis werden in 1890 twee versies gedrukt, een met een hoopvol en een met een tragisch einde. Evenzo zien Krastev en Holmes de toekomst voor het Westen als een keus tussen twee paden. Ofwel we blijven erom treuren dat het liberalisme heeft gefaald als de Ene God. Ofwel we omarmen een pluralistische toekomst waarbij ideologische alternatieven nooit zullen verdwijnen.


Ivan Krastev is zondag 1 maart te gast in De Balie, Amsterdam, om het over Falend licht te hebben, debalie.nl

Help ons groene.nl te vernieuwen.

Doe mee aan onze enquête

Het invullen neemt zo’n 5 minuten in beslag. U kunt niets winnen, maar wij zijn u zeer erkentelijk als u meedoet aan de enquête.