Media

Niet in orde

Er zijn van die boeken die emblematisch zijn voor de heersende stemming in een heel tijdsgewricht. Het zelfhulpboek van de Amerikaanse psychiater Thomas Harris is daarvan een mooi voorbeeld. Het boek, waarin Harris laat zien hoe je je als mens ‘wérkelijk kunt bevrijden’ en eerlijker met je partner, kinderen en andere medemensen kunt omgaan, is karakteristiek voor het bijna naïeve optimisme van de jaren zestig en zeventig, en groeide als zodanig uit tot een ‘icoon van de pop-psychologie’ - goed voor een oplage van meer dan vijftien miljoen exemplaren.

In de tijd waarin we nu leven zou een titel als Ik ben o.k., jij bent o.k. eerder ironisch worden opgevat. Wanneer we afgaan op recente peilingen naar tevredenheid, zelfbeeld en opvattingen over de samenleving zou de stemming immers beter in omgekeerde termen kunnen worden gevat: Ik ben o.k., maar jij niet. Veel mensen blijken buitengewoon tevreden over zichzelf, maar niet over hun medeburgers, zoals ze zich aan hen voordoen, als automobilisten, voetbalsupporters, leraren, politici, ambtenaren, politieagenten, Hollanders, journalisten, hangjongeren, mensen met designbrillen en andere vertegenwoordigers van de ‘elite’, en natuurlijk de onvermijdelijke 'allochtonen’ - waarvan niemand onderhand meer weet over wie het gaat. Nederlanders hebben een negatief beeld van de samenleving, en al helemaal van de politiek, maar uitdrukkelijk niet van zichzelf - een patroon dat ook in de Verenigde Staten en andere landen valt waar te nemen.

De PVV die - in navolging van Pim Fortuyn - alles in het werk heeft gesteld om dit ongenoegen politiek te mobiliseren en te exploiteren, heeft de laatste weken moeten ervaren dat je zoiets niet ongestraft kunt doen. Als je luid verkondigt dat iedereen die iets op zijn kerfstok heeft hard moet worden aangepakt, mag je je er niet over verbazen dat er in het verleden van je vertegenwoordigers wordt gespit - laat staan dat je het recht hebt te spreken van een 'heksenjacht’ door de media. Het is onvermijdelijk: wie harde standpunten neerzet en anderen daarop beoordeelt, maar zich privé anders gedraagt, zal daarop worden afgerekend - of het nu gaat om een milieuactivist die een dikke SUV voor de deur heeft staan, een socialist die zijn personeel uitzuigt, of een gehuwde politicus die het gezin tot hoeksteen van zijn politieke overtuiging heeft gemaakt en vervolgens een verhouding met zijn ondergeschikte begint.
En het kán ook niet anders meer. Want of we het nu leuk vinden of niet, de huidige politiek draait voor een belangrijk deel om (de illusie van) 'vertrouwen’, zoals Richard Sennett al in 1974 betoogde in zijn klassieke werk The Fall of Public Man. Klassieke politieke waarden, verbonden met staatsmanschap en staatsbelang, zijn in de huidige politieke cultuur geleidelijk naar de achtergrond gedrongen ten gunste van menselijke, al te menselijke waarden. Die ontwikkeling is versterkt door het verval van de grote politieke ideologieën, maar ook, uiteraard de opkomst van de populaire massamedia, in het bijzonder de televisie, die de politiek en, vooral, de politici een nieuw gezicht gaf. Uiterlijk en houding werden belangrijker, oftewel - naar een van Gerrit Komrij’s hyperbolische verzuchtingen: 'Kunnen wij op hen vertrouwen, zoals wij op het A-team vertrouwen wanneer wij in nood zijn?’

In de Amerikaanse politiek is deze personalisering inmiddels zo ver voortgeschreden dat je je niet meer ongestraft kandidaat kunt stellen: niet alleen je politieke daden en opvattingen, ook je professionele en persoonlijke leven en dat van je vrienden en familieleden worden onmiddellijk onderwerp van publiek debat. Politieke tegenstanders en hun bondgenoten zullen zo lang graven tot ze iets gevonden hebben om je onderuit te halen. Bij de laatste tussentijdse verkiezingen, begin november, leidde dat tot een hausse aan buitengewoon onsmakelijke advertenties, tv-spotjes en andersoortig materiaal, met als refrein: waarom zou u in hemelsnaam aan deze kandidaat uw vertrouwen schenken? Omdat dit moddergooien tot groeiende ergernis onder de kiezers leidde, beloofden enkele kandidaten vervolgens plechtig elkaar alleen op 'eervolle’ wijze te bestrijden - hetgeen de juistheid van Sennetts analyse nog eens onderstreept.
Aan de ene kant is het verwonderlijk dat de persoonlijke levenswandel van politici in Nederland niet veel eerder en diepgaander onderwerp van kritisch onderzoek is geworden; tegelijk is het niet meer dan logisch dat juist de PVV de eerste partij is waarbij dat wél gebeurt. Zij is niet alleen de meest personalistische partij, maar heeft bovendien de strijd om culturele waarden tot speerpunt van haar politiek gemaakt. En daarop mag de partij dus ook worden afgerekend, naar het goed-Hollandse spreekwoord 'wie kaatst, kan de bal verwachten’.

Het zal hier ook zeker niet bij blijven - niet omdat media van heksenjachten houden, maar omdat waarden als betrouwbaarheid en vertrouwen in onze politieke cultuur een sleutelrol vervullen.