De straatcultuur van leipe Mocro’s

Niet lullen maar poetsen

Criminoloog Jan Dirk de Jong promoveerde op groepsgedrag onder ‘Marokkaanse’ jongens. De ‘straatcultuur’ bepaalt hun gedrag, niet de ‘cultuur’ van Marokko of de Rif.

‘Kut-Marokkanen’, ‘islamitische straatterroristen’, ‘Marokkaanse jeugdbendes’, ‘probleemjongeren’ – aan stigmatiserende benamingen voor op straat hangende jongens van Marokkaanse afkomst geen gebrek. Zelf houden ze het op ‘leipe Mocro’s’ (gekke Marokkanen), een geuzennaam die staat voor hun trots om de meest geharde en stoere straatjongens van Nederland te zijn. Hun dracht van jas-met-bontkraag, flitsende sneakers en baseballpet is gaan gelden als het uniform van brutaliteit, agressie en straatcriminaliteit. Of zijn het kwetsbare jongens die zich al te drastisch wapenen tegen maatschappelijke uitsluiting en de sombere omstandigheden van hun achterstandsbuurten? Wie dat tegenwoordig hardop verkondigt, wordt weggehoond. Niet in de laatste plaats door de jongens zélf.

Vorige week promoveerde criminoloog Jan Dirk de Jong (31) op een onderzoek naar ‘opvallend delinquent groepsgedrag onder “Marokkaanse” jongens’. Kapot moeilijk heet zijn boek, straattaal voor ‘heel stoer’, een status die de ‘Marokkaanse’ straatjongens voortdurend nastreven. ‘Marokkaans’ tussen aanhalingstekens, want vrijwel alle straatjongens waarmee De Jong acht jaar geleden voor het eerst op pad ging in de wijk Overtoomse Veld in Amsterdam-West zijn geboren in Nederland.

Toch wordt hun gedrag vaak gekenschetst als ‘typisch Marokkaans’. Niet alleen door politici en journalisten, ook door rechtshandhavers en wetenschappers. Die laatsten koppelden de afgelopen jaren hun groepsvorming en crimineel gedrag aan de situatie in het Marokkaanse Rifgebergte. De stammentraditie en de strijd om de schaarse middelen daar gelden als een veelomvattende verklaring: voor groepsvorming, het goedpraten van het criminele gedrag van hun kinderen door ouders, het eergevoel en de lage geweldsdrempel van de jongens. Het steevast ontkennen van misdrijven, ook in het aangezicht van keihard bewijs, wordt verklaard door te wijzen naar de Marokkaanse schaamtecultuur. De halsstarrige onaangepastheid zou wortelen in de Berbertraditie om autoriteiten te wantrouwen.De culturele verklaringen van wetenschappers voor het hinderlijke gedrag van ‘Marokkaanse’ jongens klinken logisch en worden dus makkelijk opgepikt en steeds herhaald in het publieke debat. Maar kloppen ze wel? Ze zijn nooit empirisch onderzocht.

‘Er is altijd wel een cultureel antropoloog te vinden die in het gedrag van straatjongens in Nederland iets typisch Marokkaans of Antilliaans ontdekt’, zegt Jan Dirk de Jong: ‘Ik vond het moeilijk om te geloven dat ze zijn behept met een soort “gefoktheidsgen” omdat agressie hun via de cultuur van het land van herkomst in het bloed zou zijn gekropen.’ Na jaren veldonderzoek begon het hem te dagen. Niet de cultuur is de dominante factor bij het ontstaan van delinquent gedrag van ‘Marokkaanse’ straatjongens, maar een stelsel van groepsprocessen die horen bij hun straatcultuur. Veel van wat inmiddels ‘typisch Marokkaans’ is gaan heten, vond hij ook bij straatculturen elders in de wereld. Het tekortschieten van de ouders, halsstarrige ontkenning: in de Verenigde Staten zag hij het bij ontspoorde Koreaanse jeugdgroepen en collega-onderzoekers meldden het bij Pakistaanse straatjongens in Oslo en als onderdeel van de straatcultuur van Chileense migrantenkinderen in Barcelona.

Kapot moeilijk bevat veel citaten van de straatjongens uit Overtoomse Veld. Ze worden getoetst aan een heldere theorie. Het was moeilijk hun vertrouwen te winnen. Het lukte De Jong, niet door te slijmen, maar door eerlijk te zijn over zijn vooroordelen jegens Marokkanen. Die behoorden tot de belangrijkste obstakels die hij moest overwinnen, tezamen met zijn beschermde, academische opvoeding. Hij bleef een buitenstaander, ‘het studentje’, maar zijn aanwezigheid en zijn onderzoek werden door de jongens geaccepteerd. Een overwinning. De jongens mijden nieuwsgierige buitenstaanders en proberen ze desnoods de buurt uit te beuken.

De jarenlange straatervaring maakte De Jong zekerder van zichzelf: ‘Ik spreek nu verscheidene sociale talen en ik voel me op meer plekken veilig. Ik ga nog regelmatig terug. Dat heb ik met ze afgesproken. Ik krijg ook veel telefoontjes en sms’jes van ze. Ze reageren positief op mijn boek.’

De Jongs bevindingen wortelen in groepsgedrag, dat dient om collectieve behoeften te bevredigen. Voor de ‘Marokkaanse’ jongens zijn dat erkenning, vermaak en veiligheid. Doel van het rondhangen op straat is niet het veroorzaken van overlast. Chillen (op een relaxte manier samenzijn) is veel belangrijker. Maar de macho-waarden van de straatcultuur, waarin hardheid en opkomen voor jezelf, desnoods met geweld, centraal staan, leiden makkelijk tot conflicten met buitenstaanders. Dan is de weg naar de-escalatie vaak afgesloten. Wie over zich laat lopen, toont zwakte en verliest de veiligheid van de groep. Hij wordt het mikpunt van spot, roddels, diefstal en krijgt niet zelden een pak slaag van iemand die daarmee zijn eigen groepsstatus wil verhogen. De jongens zien hun ‘kut-Marokkanen’-stigma als onontkoombaar, dus ontwikkelden ze een geuzenidentiteit van hardheid en onaangepastheid. Met overlast gevend en crimineel gedrag versterken ze het gevoel van: wij tegen de rest.

In Kapot moeilijk komen hulpverleners, wijkagenten en beleidsmakers niet aan het woord. Er is uitbundige aandacht voor de jongens zelf. Dat werkt ontnuchterend. De islam speelt in De Jongs relaas geen rol. Hun straattaal is Nederlands, doorspekt met Sranangtongo. Roven en stelen gebeurde slechts door een kleine minderheid, die zich daartoe afzonderde in kleine groepjes, vaak van niet meer dan drie personen. Jeugdbendes trof De Jong niet aan. Wel een ‘buurtnetwerk’ van voornamelijk ‘Marokkaanse’ jongens, waaruit wisselende, tijdelijke groepen ontstonden.

Hoe moeilijk het voor de jongens is zich aan de waarden van de straatcultuur te onttrekken, toont een verhaal van ‘Holle’. Hij zit op een gymnasium in Amsterdam-Zuid, waar hij goede resultaten behaalt, maar zich ‘anders’ voelt. Op straat heeft hij zijn enige vrienden. Hij weet dat hij een succesvolle toekomst kan opbouwen en dat hij niet met de politie in aanraking moet komen. Toch zal hij zijn vrienden niet in de steek laten als ze problemen veroorzaken. Als zijn vriend Moes in de bioscoop een joint opsteekt en een Hollander daar wat van zegt, dreigt de situatie uit de hand te lopen. Moes scheldt de man verrot. Die komt op de jongens af. Ze staan allemaal op, klaar om hun vriend te verdedigen. ‘Holle’ ook. ‘Waarom? Moes is toch fout’, vraagt Jan Dirk hem. ‘Jawel, maar weet je nou wat het is, Dirk? We kennen elkaar al lang, weet je. Ik heb eigenlijk alléén hun. Begrijp je? Zij zouden me echt uitlachen als ik er wat van zou zeggen. Dat snap jij misschien niet. En bovendien, ze rekenen op mij. Net als ik op hen reken. Klaar. Ik moet wel…’

Onbewezen culturele verklaringen bleken in De Jongs onderzoek niet meer nodig. Ze bleken het delinquente gedrag van de jongens zelfs in de hand te werken. Ze versterken hun gevoel uitgekotst te worden. Het liefst zou De Jong zien dat het hele onderscheid allochtoon-autochtoon verdwijnt: ‘Het zijn Nederlandse jongens. Laten we ze ook zo behandelen. Zelfs rechters krijgen cursussen over de culturele achtergrond van crimineel gedrag. Ik ben daar niet blij mee. Het is raar iemand een aparte behandeling te geven vanwege zijn cultuur, zeker nu blijkt dat die geen grote rol speelt bij delinquent gedrag. Elke vorm van cultureel verschil jaagt processen aan waarbij een groep blijvend tot minderheid wordt bestempeld. En daar reageren “Marokkaanse” jongens juist zo fel op. Je moet zorgen dat ze niet terechtkomen in een straatcultuur. Die jongens moeten omarmd worden in een gezonde psycho-sociale omgeving. Ze moeten leren dat het meer oplevert als ze mijn en dijn scheiden, hun behoeftebevrediging uitstellen en beheerst optreden. Maar daarvoor moeten ze uit het sociale isolement worden gehaald. Dat betekent meer jongerenwerk en dat ligt momenteel politiek niet lekker. Enkel hard straffen heeft geen zin. Je kunt er vergif op innemen dat je daarmee juist allerlei vormen van delinquent gedrag in stand houdt. Je lokt er gewelddadige reacties mee uit van jongens die daar in eerste instantie niet aan mee zouden doen.’ De Jong bepleit een tweesporenbeleid. Het conflict tussen de ‘Marokkaanse’ straatjongens en de rest van de samenleving moet teruggebracht tot normale proporties: ‘Haal het stempel “typisch Marokkaans” eraf. Tegelijkertijd moeten we focussen op de voorkant van het probleem, niet op de achterkant zoals we nu al jaren doen.’

Aan de voorkant bevinden zich de jongens die zich (nog) niet inlaten met criminaliteit, maar wel rondhangen op straat. Degenen aan de achterkant, die crimineel zijn, krijgen momenteel alle aandacht van hulpverleners, politie en justitie. De Jong: ‘We investeren in hen nu veel meer geld dan in de niet-criminele jongens. Het gaat vaak om wat oudere jongens die veel recidiveren. De cijfers zijn schrikbarend. Zij stoppen echt niet met hun criminele acties omdat een hulpverlener dat vraagt. Ze worden te zacht aangepakt, en dus is het telkens weer een negatief verhaal. We veroordelen onszelf tot een constante bevestiging van het negatieve beeld van de hele groep als we zo doorgaan.’ De criminele jongens moeten volgens Jan Dirk de Jong steviger worden aangepakt: ‘Je moet ze in de smiezen houden, snel ingrijpen, snel berechten en écht straffen. Dus niet met een lullig taakstrafje. Het moet duidelijk zijn voor de andere jongens: misdaad loont niet.’

Aan de voorkant pleit De Jong voor een niet-lullen-maar-poetsen-houding: ‘Ze zijn niet gebaat bij een volledig gelijke behandeling. Wat hebben ze eraan een intellectueel vakkenpakket te kunnen samenstellen? Je moet ze een vak leren. Zoek aansluiting bij hun interesses en begeleid ze. Investeer in vakscholen en leid ze op tot timmerman of elektricien. Laat ze, als ze mij zien, maar denken: die gast zal zich wel heel wat voelen met z’n mooie praatjes en z’n kennis, maar ik kan tenminste iets maken. We moeten toe naar een _working class-_trots, zoals bij de Engelsen. Het zou mooi zijn als die jongens gaan zien dat zij een onmisbare economische rol kunnen spelen. Voor degenen die uitblinken kun je altijd nog een prachtig persoonlijk traject in het reguliere onderwijs uitstippelen.’

Jan Dirk de Jong, Kapot moeilijk: Een etnografisch onderzoek naar opvallend delinquent groepsgedrag van ‘Marokkaanse’ jongens, Aksant, 262 blz., € 27,50