Niet meer afwachten

De tien jaren onder Milosevic zijn desastreuzer geweest dan vijfhonderd jaar onder de Turken, en dus moet-ie weg. Dat is zo'n beetje het motto van de Servische anti-Milosevic-oppositie. Al hebben de meeste partijen verenigd in de Alliantie voor Verandering en Vuk Draskovic’ Vernieuwingsbeweging (SPO) de mond vol van democratie, ervaring met democratische waarden hebben ze niet. Eind jaren tachtig maakte in Joegoslavië het communisme immers plaats voor het evenzeer op uitsluiting en eliminatie van vijanden gerichte nationalisme. Toch lijkt de overtuiging te hebben postgevat dat het met Servië wel goed komt als de politieke top is vervangen en Milosevic in Scheveningen achter tralies zit. In mediaberichten over de grote anti-Milosevic-demonstratie van vorige week in Belgrado, wordt de suggestie gewekt dat er een frisse democratische wind door Servië waait. De rivaliteit tussen de belangrijkste ‘democratische’ oppositieleiders Vuk Draskovic en Zoran Djindjic (leider van de Democratische Partij) wordt breed uitgemeten. Hoe kan zo'n verdeelde oppositie Milosevic wegkrijgen?, is in het Westen de hamvraag. Veel minder aandacht wordt besteed aan de krachten die door de oppositie worden gemobiliseerd, en aan de ware aard van haar leiders.

Wat scandeerde de ‘democratische’ menigte in Belgrado? 'Mismo Kosovo!’, wíj zijn Kosovo! Wat is de toon die elke oppositieleider aanslaat? 'Milosevic heeft ons volk verraden. Zonder Kosovo geen Servië.’ Draskovic en Djindjic kunnen nog zulke rivalen zijn, in het spelen van de nationalistische kaart zijn ze even bekwaam. In het hedendaagse Servië, waar het ideaal van civiel burgerschap wordt geassocieerd met het gehate communistische verleden en etnisch burgerschap verward met saamhorigheid en democratie, is het onmogelijk een menigte op de been te krijgen zonder te refereren aan 'verraad der natie’. Draskovic en Djindjic maken van die sentimenten dankbaar gebruik. Beiden liggen niet best bij het publiek. Draskovic is een rasopportunist. Tot voor kort werkte hij samen met Milosevic en ook nu weer heeft hij het met de gehate president op een akkoordje gegooid over vervroegde verkiezingen. Roeren in de nationalistische potpourri moet hem weer tot een onverdachte leider maken. Hetzelfde geldt voor Djindjic. Hij was altijd een fel tegenstander van Milosevic, maar tijdens de bombardementen vluchtte hij naar Montenegro. Een laffe daad, vinden veel Serviërs. Beide leiders hebben een dubieus verleden wat betreft democratische, vredelievende geaardheid. Draskovic schrijft racistische literatuur en was zo'n beetje de eerste die zijn partij voorzag van een paramilitaire vleugel. Zijn Srpska Garda maakte zich in het Bosnische stadje Gracko schuldig aan moord en verkrachting. Djindjic steunde openlijk Radovan Karadzic, de gezochte leider der Bosnische Serviërs. Djindjic noch Draskovic hebben zich ooit publiekelijk gedistantieerd van hun verleden of de Servische misdaden in Kosovo. Vanuit het Westen komt geen noemenswaardige steun voor de oppositiepartijen. Europa en de VS wachten liever af. Het gevaar voor een burgeroorlog lijkt niet door te dringen. In Belgrado houdt de bevolking er rekening mee dat die deze winter losbarst. Als reactie op vechtlustige berichten uit regeringshoek meldde een Alliantie-woordvoerder dat een Ceauçescu-scenario niet uitgesloten is als Milosevic niet uit zichzelf opstapt. Op het platteland is de steun voor Milosevic groot. Ook een deel van het leger en de speciale politie steunt hem. Maar de verdeelde oppositie heeft de beschikking over ontevreden reservisten en privé-milities. Er is een bloedig doemscenario: nadat Milosevic gewapenderhand is verdreven, raakt de oppositie slaags. Maar er is ook hoop. De grote demonstratie werd mede georganiseerd door de razendpopulaire Groep 17, bestaande uit onafhankelijke economen die weigeren zich in te laten met politieke spelletjes. Volgens woordvoerder Mladjan Dinkic moet Milosevic weg om economische redenen. Er is, meent hij, geen ander perspectief dan het economische. Een zakenregering moet de economie weer op gang krijgen. Elke nationalist kan zich in dit non-nationalistische gezichtspunt vinden. Daarmee stijgen Dinkic en zijn economen uit boven de bekvechtende oppositie. Alleen daarom al zou het Westen hen moeten steunen, met geld, communicatiemiddelen en afgewogen economische maatregelen. Afwachten heeft op de Balkan immers nog nooit een oorlog voorkomen.