Niels ’t Hooft, De verdwijners

Niet meer dat lieve

Met toenemende verbazing las ik de nieuwe roman van Niels ’t Hooft. Het roer moet om, moet hij gedacht hebben na zijn twee eerdere romans die allebei in dit weekblad een welwillende, zeg maar rustig prima recensie kregen. Marja Pruis loofde in haar bespreking van Toiletten (2004) de ‘naïeve verteltoon’ en merkte op dat er ‘iets heel weemoedigs schrijnt onder al die oneliners’. Ik had het in mijn recensie van Sneeuwdorp (2005) over een schrijver die zijn ‘emoties verstopt in alledaagse, soms zelfs doelbewust naïeve omschrijvingen’. En ook over een schrijver die zijn ‘held’ op zoek laat gaan naar een leegte, die ‘een leegte wil opvullen’.

Niels ‘t Hooft, De verdwijners, € 21,95
e-book, € 14,99

In de nieuwe roman is van naïviteit geen sprake meer. Er is wel weer veel leegte en wanhoop, maar in toon en verhaal slaat ’t Hooft doelbewust een paar deuren stevig achter zich dicht. Iedere schrijver komt uiteraard af en toe voor dit soort beslissingen te staan: ga ik op de ingeslagen weg door of zet ik een paar schakelaars om? ’t Hoofts romans kregen overal goeie recensies, maar ze stonden niet op de longlisten van de literaire prijzen (Toiletten stond overigens wel op de nominatie van de Debutantenprijs). Moet je je daar iets van aantrekken? Misschien niet, die jury’s moeten het allemaal zelf maar weten, maak je jezelf wijs, maar ik weet zeker dat het wel aan je vreet, vooral als je er zelf van overtuigd bent, in het geval van ’t Hooft terecht, dat je werk niet onderdoet voor dat van veel andere wel genomineerden. Maar klagen helpt niet, hard werken en niks laten merken, iets anders zit er voor een schrijver niet op.

In De verdwijners vertelt ’t Hooft het weinig naïeve, maar wel hoogst bizarre, cynische en af en toe gewoonweg obscene verhaal over een soort club die mensen helpt zelfmoord te plegen. Van satire is hierbij geen sprake, het is allemaal dodelijke ernst. Het verhaal wordt in hoofdzaak verteld door Marthe die op zoek gaat naar haar verdwenen zusje Isobel en in contact komt met een merkwaardig, naar later blijkt zeer bloeddorstig groepje ‘enquêteurs’, dat mensen ondervraagt over hun angsten. Marthe sluit zich erbij aan, maar komt langzamerhand achter de waarheid. Wat dit betreft kun je deze roman ook lezen als een klassieke who done i __t_ ,_ op de laatste vijf bladzijden wordt alles uitgelegd. We zitten overigens in het jaar 2018, de ondergang van de wereld is aan alle kanten aangekondigd. Vooral Google heeft het gedaan, deze organisatie heeft alle informatie over de wereld in kaart gebracht en maakt binnenkort de ‘eindsom’ bekend, het moment dat we ten onder zullen gaan.

Is dit ‘fantasy’ of ‘sciencefiction’? In ieder geval zet ’t Hooft het allemaal realistisch neer. We krijgen een stel keiharde gekken voor de kiezen (die enquêteurs), die ’t Hooft van een geloofwaardige achtergrond probeert te voorzien. Maar het blijven gewoon gekken en krankzinnigen waar ik niets bij voelde. ’t Hooft trakteert ons tussen neus en lippen door ook op verschillende pornoscènes: ‘Zij stak haar kont omhoog, hij spuugde tussen haar billen, de klodder zakte omlaag, zijn geslacht ging er midden doorheen, linea recta de vestibule in. De man bereed haar, een voertuig van vlees, en bij elke beweging landinwaarts tikte de gesp van zijn riem tegen haar bil.’

Zoiets kwam je in zijn vorige werk niet tegen. Het gaat hier om de nymfomane vrouw Lua die verderop in de roman letterlijk als slachter optreedt van mensen die zelfmoord willen plegen. Die een ‘escape’ willen, zoals het in dit boek heet. ’t Hooft beschrijft een van die slachtpartijen in geuren en kleuren. Citaten daaruit laat ik hier nu maar zitten. Ik begreep best dat hij de slechtheid, of liever het cynisme van deze vrouw ermee wilde benadrukken, maar de noodzaak van dit soort beschrijvingen ontging me. Ja, willen opvallen met je boek, dat snap ik wel, niet meer steeds al die omwegen, gewoon benoemen. Dat moet het toch geweest zijn om dit allemaal zo uitvoerig te willen (be)schrijven.

En dan hebben we nog Marthe, die uiteindelijk de hele zaak laat ontploffen. Ze komt erachter dat ook haar zusje een ‘escape’ bij deze groep sadisten heeft aangevraagd en dus is afgeslacht. Marthe zwelgt in zelfmedelijden, ze snapt de wereld niet, ze voelt zich leeg, en vooral haar ouders (emotionele leeghoofden) krijgen de schuld. Depressies zijn voor haar een soort ‘logische’ gevolgen voor aangedaan leed. En dus begrijpt ze de verdwijning van haar zusje heel goed, ze kan zich voorstellen dat ze een ‘escape’ zocht. Sterker nog, zelf wil ze ook verdwijnen.

Het is allemaal van een oneindige en peilloze somberheid met af en toe van die rare lange-halen-gauw-thuis verhalen erin om het allemaal een filosofische lading te geven. ‘Zolang er iets te winnen viel, was het interessant geweest. Een complex toernooi met sudden death, waarin tal van diersoorten streden om de wereldheerschappij. Eencelligen, dino’s, apen, en uiteindelijk diverse soorten holbewoners. De oermensen die het uitbundigst neukten reproduceerden het vaakst, en zo begon hun opwaartse spiraal, die eindigde toen ze alles hadden wat hun hartje begeerde en zich eindeloos gingen vervelen.’

Ik heb het idee dat ik niets van deze roman begrepen heb. Ik viel van het ene onbegrip in het andere. Wat een vervelende figuren allemaal, ja ook Marthe, met van die potsierlijke, zelfmedelijdende opvattingen over ondergang en dood. Wilde ’t Hooft een discussie aankaarten over de suïcideproblematiek? Meer begrip creëren? Zou dit dan toch een geëngageerde roman zijn? Ik heb geen zin om er verder over na te denken.


Niels ’t Hooft
De verdwijners
Atlas Contact, 222 blz., € 21,95