Duitsland: de nasleep van ‘Keulen’

Niet meer jubelen

Het ‘burgerlijke midden’ is ‘na Keulen’ getroffen door twijfel – aan de welkomstcultuur, aan Merkel, aan de toekomst. Waarom is de stemmingswisseling zo radicaal?

Medium hh 52645900

Eerst verloopt de avond in de grote zaal van debatcentrum Urania zoals dat meestal in Duitsland het geval is. Op het podium vindt een keurig gesprek plaats, waarbij min of meer bekende politici en intellectuelen beleefd keuvelen over de vraag ‘hoe integratie kan lukken’. Maar dan, ineens, klinkt er een luide stem, precies op het moment dat een hoge Berlijnse ambtenaar voor integratie zegt hoe goed de opvang van vluchtelingen in de stad toch geregeld is.

De stem komt van achter uit de zaal, boos, ruw, verontwaardigd. Het is een gewone, keurige oudere man die daar zit. Hij lijkt een beetje op het type burger zoals dat een paar maanden geleden ook wel bij het station in München stond. Een paar honderd waren er toen, en ze jubelden luid, ze applaudisseerden voor de vluchtelingen die naar Duitsland kwamen.

Deze man jubelt niet, twee weken ‘na Keulen’. Hij roept, hij schreeuwt bijna, want hij wil dat hij gehoord wordt door de politici en intellectuelen op het podium. Ze horen hem eerst niet, dus roept de man nog wat harder naar de ambtenaar: ‘U heeft uw verstand verloren!’ Gelach, applaus. Het mag, van de presentator. Die had tenslotte aan het begin uitnodigend gezegd: ‘Ik wil ook weten wat ú denkt.’

Dergelijke keurige oudere heren en dames vormen het grootste deel van het publiek vanavond. Driehonderd van hen zijn er hier verzameld, en ze komen vooral voor oud-politicus Heinz Buschkowksy, een man die tot voor kort in de Duitse media nog ‘omstreden’ werd genoemd. Buschkowsky was de stadsdeelburgemeester van de Berlijnse ‘probleemwijk’ Neukölln, waarin ook Urania staat, en schudde vanaf die positie de landelijke politiek op met harde uitspraken over ‘mislukte integratie’.

Buschkowsky doet dat nu weer. Hij kiest precies de woorden die de roepende man bevallen. Hij zegt dat de staat ‘volledig de controle is kwijtgeraakt’. Hij zegt dat de ‘zeshonderdduizend alleenstaande jonge mannen die in 2015 het land binnen zijn gekomen per definitie een gevaar vormen’. En het maakt hem heel erg ‘nerveus’ dat een minister heeft gezegd dat er nog ‘zeven miljoen vluchtelingen richting Europa onderweg zijn’.

Lang applaus. Dit is wat het publiek vandaag wil horen. En dit is ook precies de reden dat de afgelopen twee weken bijna iedere avond wel ergens een debat plaatsvindt over ‘Duitsland na Keulen’. En iedere keer wordt vooral voor die sprekers geklapt die ‘niet meer om de hete brij heen draaien’, zoals een commentator van de conservatieve Frankfurter Allgemeine Zeitung het formuleert.

‘Het is alsof iemand een hond uit het asiel haalt zonder zich af te vragen wat zijn voorgeschiedenis is’

Al snel na het grote aantal aanrandingen in Keulen en andere Duitse steden tijdens Oud en Nieuw, waarbij zich ook asielzoekers onder de daders bevonden, was er niet veel meer over van de ostentatief uitgedragen ‘welkomstcultuur’ in Duitsland. Een ‘pegidaïsering van het debat’, noemen critici vanuit de links-liberale hoek de omgeslagen stemming in de media en de politiek, en verwijzen daarmee naar de grimmige beweging uit Dresden, waarvan het gedachtegoed nu ineens overal te horen zou zijn.

De omslag in de publieke debatten is inderdaad opvallend. Natuurlijk, de Duitse integratiedebatten kenden de afgelopen jaren vaker extreme uitersten, zoals in 2010 rond het beruchte boek van Thilo Sarrazin, Deutschland schafft sich ab. Maar nu is er toch een nieuwe dimensie bereikt. Zelfs onder Die Linke en Die Grünen wordt ineens openlijk over het ‘uitzetten van criminele asielzoekers’ gesproken.

Ook heeft de stemmingsomslag directe gevolgen in het dagelijks leven. Allereerst in Keulen zelf: de stad die zich tot 31 december 2015 nog als de tolerantste stad van Duitsland definieerde, kent nu een toename van de verkoop van lichte wapens en ‘Pfefferspray’. In de plaats Bornheim bij Bonn wordt ondertussen mannelijke vluchtelingen de toegang tot het zwembad ontzegd, omdat vrouwelijke bezoekers hebben geklaagd over seksuele intimidatie.

En dan zijn er de peilingen, die allemaal één trend laten zien: voor het eerst is er een meerderheid van de Duitsers die op de vraag ‘schaffen wir das?’ met ‘nee’ antwoordt: 51 procent is in de berekening van de ard, die de meest officiële peilingen uitvoert, er niet meer van overtuigd dat het land de vluchtelingenstroom aan kan. Bijna de helft van de bevolking is nu ook ‘bang’ voor de vele vluchtelingen. En 48 procent vindt de vluchtelingen geen ‘verrijking’ meer voor het land, tegenover een minderheid van 45 procent.

Voor Nederlandse ogen, gewend aan de peilingen voor Geert Wilders, zijn deze cijfers niet eens zo extreem. Maar de extremiteit zit ’m vooral in het grote verschil met de stemming ‘vóór Keulen’. Duitsland stelde zich in Europa lang op als het laatste eiland van morele zuiverheid in de vluchtelingencrisis, zoals een Nederlandse columnist het stelde. De Duitse ‘welkomstcultuur’ werd het luidst verdedigd door het ‘burgerlijke midden’, maar juist daar lijkt de stemming nu het sterkst te zijn gekanteld.

Dus wat heeft ‘Keulen’ bij deze groep dan precies losgemaakt, dat men in een paar weken tijd zo radicaal van het ene in het andere uiterste vervalt?

‘Juist de mensen met de knuffel­dieren willen dat de vluchteling zich op een dankbare manier gedraagt’

Schamper, dat is de eerste reactie van Güner Balci, journaliste, schrijfster, filmmaakster. De radicale omslag van het Duitse debat komt volgens haar vooral voort uit een schokkende ‘ontkenning van de realiteit’. ‘Het is alsof iemand een hond uit het asiel haalt zonder zich af te vragen wat de voorgeschiedenis van het dier is’, zegt ze. ‘Twee weken lang gaat alles goed en is het nieuwe baasje gelukkig. Maar dan bijt de hond ineens, en als reactie is het baasje enorm beledigd.’

Balci ontvangt in haar woning in de Berlijnse wijk Mitte, het stadsdeel voor het ‘burgerlijke midden’ van de hoofdstad, vooral het links-liberale deel ervan. Balci hoort er in zekere zin ook bij, met haar journalistieke werk voor de publieke omroep, haar optredens in de grote nationale talkshows, waar ze tot de kleine kring van genodigden ‘met migratieachtergrond’ behoort. Maar tegelijk behoudt ze als dochter van Turks-Koerdische migranten steeds de rol van buitenstaander, die aandacht vraagt voor thema’s die de Duitse media liever niet behandelen.

‘Keulen’ was voor haar geen schok, zegt ze. Ze kent de handtastelijke mannen van haar reizen in de Arabische wereld, maar ze heeft het ook in Neukölln zien ontstaan, de wijk waar ze opgroeide. Als sociaal werkster heeft ze in deze wijk jarenlang jonge moslimvrouwen begeleid. Ze heeft op basis van haar ervaringen verscheidene romans en films gemaakt, waarin de conflicten tussen persoonlijke vrijheid en collectieve druk binnen de islamitische gemeenschap centraal staan. Vorig jaar nog heeft ze de film Der Jungfrauenwahn over ‘vrouwelijke seksualiteit en islam’ gemaakt. Afgelopen december, na veel onderhandelen, is er een ingekorte versie van op de cultuurzender Arte uitgezonden – laat op de avond.

Het is vaak moeilijk om een plek voor haar verhalen te krijgen, zegt ze. Net zo kritisch als over de uitwassen van islamitische opvattingen over mannelijkheid is ze over de Duitse politieke en journalistieke elite. In Duitsland lijken alleen de twee extremen mogelijk te zijn: óf de reacties zijn direct ‘vijandig en racistisch’, óf er wordt gejubeld en kritiek mag niet worden uitgesproken. Een daadwerkelijk besef van de aanwezigheid van vijf miljoen moslims is er in de elite dan ook niet – niet van de positieve kanten ervan en niet van de lang verwaarloosde integratie.

De ‘angst voor racisme’ heeft het Duitse openbare integratiedebat ‘star’ gemaakt, zegt ook Irene Götz, hoogleraar in de ‘Europese etnologie’ in München, die al sinds de jaren negentig in haar eigen land onderzoek doet naar de omgang met de ‘Duitse identiteit’. Juist geweld onder moslims tegen vrouwen is daarbij lang een taboethema geweest, zegt ze. Toen een paar weken voor ‘Keulen’ de Grieks-Duitse politieagente Tania Kambouri het boek Deutschland im Blaulicht uitbracht, onder meer over het ‘gebrek aan respect’ dat ze als vrouw in islamitische kringen ervoer, klonk er vanuit de Groenen kritiek op. ‘Als het over geweld van Duitse mannen tegen Duitse vrouwen zou zijn gegaan’, zegt Götz, ‘zouden de Groenen haar volkomen gelijk geven. Nu niet, omdat het over moslims ging.’

Ook al is het een cliché, de extreem positieve Duitse opstelling aan het begin van de vluchtelingencrisis kan in de eerste plaats niet los van ‘het nationaal-socialistische verleden’ worden gezien, zegt Götz. Een schuldcomplex, zoals diverse buitenlandse media als verklaring voor de Duitse politieke correctheid aandragen, wil ze het echter niet noemen, eerder een ‘heel sterk gevoel van verantwoordelijkheid onder de tweede en derde generatie’: ‘Men wilde heel graag laten zien dat we “gelouterde Duitsers” waren.’

‘De zoektocht naar veiligheid is cruciaal voor de naoorlogse Duitse samenleving’

Alléén dat verantwoordelijkheidsgevoel verklaart niet alles, zegt ze. Dat bestond immers ook al bij de generatie-Kohl rond 1990, en die sloeg wel een hard conservatief geluid aan bij de grote stroom asielzoekers in de jaren negentig. De laatste vijftien jaar is echter een nieuw ‘Leitbild’ onder de Duitse elite ontstaan, zegt Götz. Inmiddels accepteert zelfs de cdu dat Duitsland een land is met zestien miljoen migranten. In het openbare leven is dit nieuwe beeld de laatste jaren heel bewust naar voren gebracht, zegt ze. Zo mocht in 2014 de van oorsprong Iraanse schrijver Navid Kermani een toespraak voor de Bondsdag houden.

Even geloofde Götz er daarom in dat het nieuwe ‘postmigrantische’ Duitsland een brede aanhang zou gaan krijgen. De applaudisserende Müncheners bij het station in september leken dat nieuwe ‘Leitbild’ zelfs aan iedereen te willen laten zien. Maar tegelijk zegt ze: ‘Ik zie mezelf als links-liberaal, maar uiteindelijk kon ik het niet meer aanhoren, hoe er de laatste maanden op de tv-talkshows over de vluchtelingen werd gesproken. Iedereen zag dat hier een enorm sociaal experiment gaande was. Maar problemen? Nee, die mochten niet worden genoemd: “Wir schaffen das.” Het verantwoordelijkheidsgevoel was hier omgeslagen in verstarring.’

Güner Balci voelde dat onbehagen ook: ‘Mijn eerste reactie op het gejuich in München was angst. Ik heb die mensen die daar met knuffeldieren stonden simpelweg niet geloofd. Ze zeiden te willen helpen, maar ze hadden geen idee wat de voorgeschiedenis van deze mensen was, en wilden dat ook niet weten. Ze hielpen niet uit gelijkwaardigheid, maar ze wilden dat de vluchteling precies was zoals zij dat zich voorstelden. Juist bij die mensen met de knuffeldieren kan de omslag daarom extra groot zijn. Ze willen dat de vluchteling zich op een dankbare manier gedraagt. Als hij dat niet doet, dan is de teleurstelling extra groot – en uiteindelijk ook de woede.’

De shock ‘na Keulen’ gaat niet alleen om de etnische aspecten van het vluchtelingendebat, zegt Irene Götz. Zij denkt dat ‘Keulen’ een fundamenteel aspect van de Duitse naoorlogse middenklasse heeft aangetast. Alles in Duitsland is erop ingericht dat er geen grote schokken plaatsvinden die de stabiliteit van het land in gevaar brengen. ‘De zoektocht naar veiligheid is cruciaal voor de naoorlogse Duitse samenleving. Maar “Keulen” heeft laten zien: de staat heeft het helemaal niet onder controle.’

In Keulen bleek de politie de vrouwen niet te kunnen beschermen. De politici bleken ondertussen geen idee te hebben hoe ze de stroom vluchtelingen moeten beperken, en buitelen nu over elkaar heen met voorstellen, waarbij maar zeer de vraag is welke daarvan ook echt uitvoerbaar zijn. ‘Dat is volkomen nieuw. Begin jaren negentig werden er ook asielzoekerscentra in brand gestoken, er was extreme onrust, maar toen liet de staat vooral zien dat ze alles onder controle had.’

Het gebrek aan controle blijkt, in de derde week ‘na Keulen’, dan ook een van de belangrijkste zorgen te zijn geworden. ‘Staatsohnmacht’ – de ‘staat in onmacht gevallen’; het is niet voor niets deze week het titelverhaal van Der Spiegel, en het woord ‘Kontrollverlust’ duikt nu bij alle Merkel-critici op.

‘Ook veel Arabische vaders laten hun dochters niet meer alleen langs een asielzoekerscentrum lopen’

Op woensdagmiddag 13 januari is het ook weer te horen, deze keer in de Bondsdag. Wolfgang Bosbach staat daar op het spreekgestoelte. Hij is bij het eerste debat over ‘Keulen’ door zijn partij uitverkoren om te spreken. Bosbach, met zijn grijze scheiding en zijn grijze pakken, was lang een van de laatsten die het conservatieve geluid van de cdu uitdroegen. De afgelopen jaren was hij een eenling geworden, de man die de koers van Merkel bekritiseerde, of het nu in de eurocrisis of de vluchtelingencrisis was, maar niet veel steun kreeg.

Nu, ‘na Keulen’, mag hij zijn gelijk halen. De rechtsstaat, de politie, die wil hij sterker maken, zegt hij, want het ‘verlies van controle’ moet zo snel mogelijk worden hersteld, ‘anders kan het land het niet meer aan’. Applaus krijgt hij van zijn partijgenoten, volop. Het zijn subtiele aanwijzingen dat de onvrede bij de grootste partij van de Duitse Bondsdag over Merkels vluchtelingenbeleid groot is.

De ‘angst voor de angst’, schrijft de Berlijnse krant Der Tagesspiegel, dat is de oorzaak van de nieuwe ‘scherpe toon’ in de Bondsdag. De krant ziet dat niet als een reactie op de ‘criminele energie van vluchtelingen, maar eerder op de stemming van de eigen kiezers’. De cdu vertegenwoordigt immers als geen ander het ‘burgerlijke midden’, dat stabiliteit en een sterke staat het hoogst op de wensenlijst heeft staan. Deze partij weet echter ook waar die ontevreden kiezer anders naartoe gaat: naar de nieuwe rechtse AfD, of nog erger: hij valt voor rechts-radicale bewegingen.

‘De stabiliteit van het land komt in gevaar als Merkel bij haar beleid niet een stap terug zet’, zegt onder anderen Stefan Aust, voormalig hoofdredacteur van Der Spiegel en nu onder meer auteur bij Die Welt. Dat is de grootste zorg ‘na Keulen’: de ontwrichting van de stabiliteit – en de versterking van rechts-radicalisme als mogelijk gevolg.

Antropoloog Irene Götz noemt de huidige stemming in het land zelfs ‘een kruitvat dat kan exploderen’, en vreest ‘een nog sterkere polarisatie, waarin racisme en islamhaat op zullen komen’. Ineens is het voor haar dan ook niet meer zo eenduidig welke richting de Duitse samenleving op zal gaan. Uit haar onderzoek in eigen land is weliswaar gebleken dat de politieke elite een nieuw ideaalbeeld heeft ontwikkeld, maar daaronder leven ook opvallend ouderwetse beelden van een ‘völkische’ Duitse cultuur voort. ‘Nog geen jaar geleden had ik gezegd dat de richting die vijftien jaar geleden is ingeslagen naar een open Duitsland zich zou doorzetten. Maar nu ben ik daar niet meer zo zeker van. De rechtsen voelen precies aan welke thema’s de volkspartijen hebben laten liggen.’

De journaliste Güner Balci ondervindt de grimmigheid ‘na Keulen’ aan den lijve: ‘Ik heb de laatste twee weken gemerkt dat ik vijandiger word behandeld omdat ik er donker uitzie.’ Maar anders dan Götz is zij helemaal niet ongerust. Voor de opkomst van nieuwe rechtse bewegingen is ze niet bang, zegt ze. ‘Het is juist heel goed om te weten wie het zijn, ze worden nu eindelijk zichtbaar.’

Sterker nog: de AfD zou beter goed kunnen beseffen dat onder de in Duitsland aanwezige migranten dezelfde zorgen leven. ‘Ik ken veel Arabische vaders die precies hetzelfde reageren als de Duitse AfD-stemmers: die willen hun dochters ook niet meer alleen voorbij een asielzoekerscentrum laten lopen.’ Waarmee ze maar zeggen wil: de Duitse media moeten ophouden steeds in radicaal zwart-wit te denken. Niet alle vluchtelingen zijn lief, dankbaar en aardig, niet iedere criticus is per definitie een rechts-radicaal – en ook de Duitse middenklasse bestaat al lang niet meer alleen uit bezorgde witte mannen en vrouwen, maar ook uit de ‘Menschen mit Migrationshintergrund’ – al zijn die nooit in de vele talkshows te horen.

Voor haar is een open debat juist een begin van een geslaagde integratie. ‘Na Keulen’ blijkt het Duitse midden precies daarnaar te snakken. Een paar dagen na Keulen heeft nu ook de zdf haar opgebeld, en zendt haar film Der Jungfrauenwahn in de volle anderhalf uur voor een potentieel miljoenenpubliek uit. ‘Ineens zijn ze nu minder bang om hem te laten zien’, zegt ze. Een scherpe toon in het debat getuigt volgens haar dan ook niet per definitie van ‘pegidaïsering’, maar kan ook ‘realistisch’ zijn: ‘Ik ben een mens zonder nationaal bewustzijn, en ik vind de welkomstcultuur goed. Maar zonder controle de grenzen openen voor een miljoen vluchtelingen, dat kan niet.’

En dus zegt Balci: ‘Het klinkt misschien vreemd, maar ik ben ook dankbaar voor die actie in Keulen. Dertig jaar lang had telkens weer een vrouw aangerand kunnen worden, en iedereen had weggekeken. Zolang het niet voor de eigen huisdeur plaatsvond, kon men in Duitsland het integratievraagstuk ver weg houden. Nu worden de “eigen vrouwen” betast, en kan dat niet meer. Nu kan zelfs Merkel inzien: het kan iedereen gebeuren.’


Beeld: Keulen, op de trappen naar het Domplein zijn bloemen achtergelaten met een briefje waarin solidariteit met de slachtoffers wordt betuigd (FLIP FRANSSEN / HH)