De doorstart van de kibboetsbeweging

Niet meer samen lunchen

Een eeuw geleden ontstonden op stukjes moeras en woestijn in Israël de eerste kibboetsiem. Ondanks de komst van het grote kapitaal zijn de socialistische mini-samenlevinkjes nog niet verdrongen.

RAMAT RACHEL IS een kibboets die al bestond toen Israël nog Palestina heette. Nu, bijna honderd jaar later, doet deze oude welvarende kibboets meer denken aan een Gallisch dorpje dat dapper standhoudt tegen de verdrukking. Het is een kleine groene oase van tomatenvelden en vredige witte kibboetshuisjes, omsingeld door de oprukkende stenen en infrastructuur van de stad Jeruzalem. ‘We zijn al jaren in gevecht met de gemeente Jeruzalem. Ze willen ons land afpakken zonder ervoor te betalen’, moppert Avi Dahan, zakelijk manager van kibboets Ramat Rachel. ‘Maar we geven niet op’, voegt hij er strijdlustig aan toe. Met een slurpende teug slaat hij zijn koffie achterover en zet de beker met een klap op tafel.
Ramat Rachel is een van de kibboetsiem die aan de wieg staan van de staat Israël. Kibboetsiem (Hebreeuws voor ‘collectieve landbouwnederzettingen’) werden aan het begin van de vorige eeuw deels uit noodzaak, deels uit idealisme gesticht. Een kibboets werkte volgens het principe van de kracht van de groep: een of meerdere ervaren pioniers gaven hun kennis door aan de anderen, zodat ze samen land konden ontginnen en bebouwen. Bovendien stond je samen sterker tegenover de vijandelijke Arabieren. De eerste kibboetsiem – de oudste stamt uit 1909 – zijn opgericht door de tweede immigratiegolf joden. Ze kwamen voornamelijk uit Rusland. De Russische pogroms en treiterijen nog vers in het geheugen, wilden ze een socialistisch-zionistische staat bouwen, een staat die toebehoorde aan de joden en waar geen jodenvervolging meer zou zijn. De jonge econoom Arthur Ruppin, tevens grondlegger van de nederzetting Tel Aviv, bedacht hoe dat moest: door aanwezigheid, eigendom en soevereiniteit. Honderd jaar geleden kochten joodse pioniers grond van Arabische landheren om daar collectieve landbouwnederzettingen op te starten. Zo bepaalden de zionistische kibboetsniks door eigendom en aanwezigheid de eerste landsgrenzen van Israël.
De Russisch-joodse pioniers die begin vorige eeuw in groten getale naar Palestina trokken, namen Russisch gedachtegoed mee. De ideologische basis van het kibboetsmodel is te herleiden tot de filosofie van de Moskouse sociaal-anarchist Peter Kropotkin. De Russische geleerde en aristocraat concludeerde dat er bij dieren van dezelfde soort geen strijd was om het bestaan, maar juist onderlinge solidariteit. ‘Net als bij de mensen’, vond Kropotkin. ‘Want de mens is ook geneigd om een genereuze houding aan te nemen en onbaatzuchtig en opofferingsgezind te zijn.’ Je zag dat volgens hem vooral terug in kleinschalige, solidaire gemeenschappen, het zogenaamde industriële dorp. Kropotkin ging daarbij een radicaal stapje verder: de moderne staat vormde de grootste hindernis voor het bereiken van de ideale samenleving. Alleen als die staat omver zou worden geworpen werd het individu bevrijd en was er ruim baan voor een maatschappij gebaseerd op vrijheid en gelijkheid. De staat moest eerst kapot. Iets minder radicaal was de schrijver Leo Tolstoj, die in de tweede helft van zijn leven ontdekte dat de mens pas tot zijn recht kwam als hij terugkeerde naar de eenvoud van de natuur. Hij moest zijn eigen hout hakken en water oppompen, in plaats van dat te laten doen door een knecht en zelf rond te hangen in salons.
De journalist Gustav Landauer stond net als Tolstoj onder invloed van Kropotkin. Hij sloot vriendschap met de joodse filosoof Martin Buber. Landauer stapte af van Kropotkins rigoureuze ideeën. Hij geloofde dat het kapitalisme vernietigd werd door geleidelijke verandering en door de kracht van de sociale tegenmacht. Als de mensen maar eensgezind lief zijn voor elkaar zal dat de staat vanzelf ondermijnen, was zijn redenering. Zijn vriend Martin Buber maakte de grondslag voor de kibboetsiem af door de socialistisch-anarchistische ideeën van Landauer en Tolstoj te combineren met joods nationalisme. Buber voegde nog een spiritueel element toe. Hij was voor een zionistische staat, maar wilde dat Israël het verschil maakte met andere volken. Hij vond dat in de meeste landen het menselijk bestaan was verdeeld in twee rijken, dat van de geest en dat van de dagelijkse realiteit van het leven, met andere woorden: de theoretische wereld en de praktische wereld. ‘Ons verlangen is een woonplaats voor de geest’, mijmerde Buber. De socialistische kibboetsiem moesten de sociaal-anarchistische theorie in de dagelijkse praktijk brengen, om zo het fundament te vormen voor de ideale staat Israël.

‘SOMMIGE MENSEN graaien hier echt alles wat er te graaien valt’, foetert Avi Dahan, manager van kibboets Ramat Rachel. Hij zoekt in de keuken het voedsel bij elkaar dat hij nodig heeft voor vandaag. Dahan is strikt: ‘Het principe van de kibboets is dat alles voor iedereen is, maar dat je alleen meeneemt wat je nodig hebt. Geen overdaad. Het is zonde als je eten weg moet gooien.’ Hij pakt radijzen, sla en tomaten uit de groentekast. Op een papier aan de muur vult hij de groenten in. Dahan legt uit: ‘De lijst hebben we opgehangen omdat sommigen gewoon maar pakken wat ze pakken kunnen. Alles is toch vrij, denken ze. Door een lijst op te hangen waarop ze in moeten vullen wat ze mee hebben genomen, met de prijzen erachter, voelen ze zich hopelijk schuldig. Bovendien ziet dan iedereen wat ze eten, en zullen ze misschien door de sociale controle minder inhalig worden.’ Hij gaat met zijn vinger langs de lijst. ‘Kijk nou’, bromt hij, ‘drie kilo tomaten, dat is toch niet normaal?’ Hij loopt naar de eetzaal, waar de kibboetsniks gemeenschappelijk lunchen. Dat gebeurt niet meer zo fanatiek als vroeger. Ontbijten, lunchen en dineren mag tegenwoordig ook thuis. Dahan haalt zijn schouders op. ‘Jammer, maar niets aan te doen. Bij mijn kinderen is er sowieso geen houden aan, die trekken de hele dag door de koelkast open. Met de gemeenschappelijke maaltijd in de eetkamer hoef ik echt niet aan te komen. Dat krijg je met pubers.’
Ramat Rachel doet op meer socialistische punten water bij de wijn. Hoewel de kibboets een gemeenschappelijk autopark heeft waar iedereen vrijelijk gebruik van kan maken, hebben verschillende kibboetsniks toch een eigen auto aangeschaft. Het loon is nog wel voor iedereen hetzelfde: vijfduizend sjekel (duizend euro) per maand, en per kind een extra bedrag. Daar staat tegenover dat ieder kind op kosten van de kibboets mag studeren. Op je 28ste moet je beslissen of je lid van de kibboets wordt of niet. ‘Tachtig procent blijft’, pocht Dahan. Hij is met recht trots, want veel kibboetsiem hebben juist een terugloop van tachtig procent, en kampen met een groot vergrijzingsprobleem.
Kibboets Ramat Rachel hanteert een soepel beleid. Leden die gaan trouwen of samenwonen mogen hun partners meenemen naar de kibboets. De nieuwe partners willen lang niet altijd lid worden van de kibboets en hun loon delen met de rest. De aanhang mag blijven, maar moet wel betalen voor het eten, het wassen van de kleren en alle andere gemeenschappelijke geneugten. Dit beleid is niet zonder risico. Net als bij de vele andere collectieve nederzettingen wordt de kans op sociale desintegratie steeds groter naarmate de groep groeit. De socialistisch-anarchistische principes komen steeds meer onder druk te staan, maar Ramat Rachel is met haar vierhonderd leden een kleine kibboets die het vertikt om deze principes overboord te zetten. ‘Als de gemeenschappelijke eetkamer op den duur verdwijnt, is dat jammer’, zegt Dahan. ‘Maar erger is dat sommige kibboetsniks hun eigen loon willen verdienen. Ze vinden dat ze harder werken dan de anderen, of dat ze een betere functie hebben. Maar door loondifferentiatie krijg je ongelijkheid. Terwijl de werkdruk eerlijk verdeeld is: iedereen hier werkt even veel, namelijk acht uur. En niemand is meer dan de ander.’
Dahan loopt naar een rolstoeler van in de negentig en informeert hoe het met hem gaat. De man heeft meer belangstelling voor de verslaggever. ‘Wie is dat?’ vraagt de oude kibboetsnik met het Hebreeuwse accent van de pioniers. ‘Waar haal jij die vrouw vandaan?’ De oude man is gebruind en heeft een incompleet gebit. Aan zijn rolstoel hangt een zakje druiven. ‘Het is een journalist uit Nederland. Ze gaat een stuk schrijven over kibboetsiem’, legt Dahan uit. ‘Het is goed leven op onze kibboets!’ roept de oude man zwaaiend terwijl hij wegrijdt. Naast hem loopt een andere kibboetsnik die hem zo het huis in zal helpen. Samen met nog een paar bejaarden woont de oude man in speciale huisjes voor ouden van dagen, een soort aanleunwoningen. De andere kibboetsniks wonen in zelfstandige jongerenhuizen of in familiehuizen.
De kinderen worden ‘gewoon’ door hun ouders opgevoed. Vroeger was dat op de kibboetsiem wel anders. Dan werden ook de kinderen door de gemeenschap opgevoed. Om zes uur ’s ochtends moest je je baby afleveren bij het kinderhuis. Daar werden de kinderen door de groep opgevoed en grootgebracht. Ouders mochten hun kinderen dagelijks maximaal drie uur privé zien. ‘Vreselijk was dat’, herinnert een oude vrouw zich, ‘wat moest ik huilen toen ik mijn pasgeboren baby naar het kindhuis moest brengen. En niemand snapte mijn verdriet. Mijn kind was toch in goede handen?’
Israël heeft nog zo’n 250 kibboetsiem, bevolkt door ongeveer drie procent van het Israëlische inwoneraantal. Landbouw is vaak niet meer de kerntaak. Ook niet voor kibboets Ramat Rachel. Sinds de gemeente Jeruzalem stukken land heeft opgekocht om er huizen op te bouwen is de tomatenoogst nog maar een kleine inkomstenbron. Ramat Rachel draait verder op een luxe hotel, een zwembad, een textielfabriek, een fabriek die diamantenmachines maakt en de verhuur van vakantiehuizen. Al het verdiende geld blijft in de kibboets. Ramat Rachel is een rijke kibboets, zeker vergeleken met andere nederzettingen die in de jaren tachtig te maken hadden met een kaalslag door de teruglopende landbouwinkomsten. De Israëlische overheid pompte destijds veel subsidies in de collectieve nederzettingen, wat weer zorgde voor scheve ogen bij de rest van de bevolking.
‘Ze denken nog steeds dat kibboetsniks uitzuigers zijn die extra geld toegestopt krijgen van de staat’, zegt Avi Dahan. ‘Dat is niet waar, we bedruipen onszelf. We krijgen geen extra subsidies meer.’ Helemaal vreemd is dat heersende vooroordeel over kibboetsniks niet. Sinds de stichting van de staat Israël in 1948 heeft de overheid de kibboetsbeweging altijd gesteund. David Ben-Goerion, zelf ook van de kibboets, zag kibboetsniks als de avant-garde van het zionisme. Kibboetsniks kregen daarom allerlei voordeeltjes, zoals lagere belasting en goedkope leningen. Maar kibboetsniks worden niet meer voorgetrokken en hun imago is ook niet meer wat het geweest is.
Professor Oz Almog is hoogleraar sociologie aan de universiteit van Haifa. ‘Vroeger werden kibboetsniks bewonderd. Het was de elite van de samenleving’, legt hij uit. ‘Dat is nu niet meer zo. Als je nu zegt dat je van een kibboets komt, zeggen mensen “fijn voor je”. Het interesseert niemand nog iets, kibboetsiem hebben hun taak uitgediend.’ Indirect heeft de kibboetsbeweging volgens Almog wel veel invloed op de samenleving. ‘Bijna iedereen heeft via familie of op een andere manier een kibboetsachtergrond. Kibboetsiem zijn ontstaan omdat we als joden normaal wilden leven en een eigen land wilden opbouwen. De kibboetsnik gaf invulling aan het idee van de “nieuwe jood”, de dappere zionist die het land verdedigde en tot bloei bracht. Nu is Israël een volgroeide democratie geworden. Maar de democratie is gestoeld op kapitalisme, het draait hier nu om geld en carrière. Israël is een concurrerende samenleving. De kibboetswaarde van gelijkheid is verdwenen, en daarmee ook de rolmodelfunctie van de kibboets.’
Toch hebben kibboetsiem concrete sporen nagelaten in de moderne Israëlische maatschappij. Almog: ‘Het moderne Hebreeuws wat er nu in Israël gesproken wordt, is heringevoerd via de kibboets. Daar begon men Hebreeuws te praten en dat is door de samenleving overgenomen.’ Daardoor is de voertaal in Israël geen Engels maar Hebreeuws. En er zijn meer kibboetssporen: ‘De traditie van de moderne naamgeving is door kibboetsniks in gang gezet. Vroeger waren er alleen de traditioneel-joodse namen zoals Miriam, Izak, Avraham, of Devorah. Kibboetsniks begonnen hun kinderen namen van bloemen, bomen en gebieden te geven. Dat zie je nu in de hele samenleving terug.’
GEEN ROLMODEL MEER voor de samenleving, kwakkelend met het aantal leden, geen buitenlandse scholieren meer die in groten getale naar de kibboets trekken, zoals dat in de jaren tachtig en negentig de trend was. Met je havo-examen op zak als vrijwilliger werken op de kibboets was ook in Nederland een bekende traditie die inmiddels in onbruik is geraakt. Is de kibboetsbeweging ten dode opgeschreven?
‘Toch niet’, denkt professor Almog. ‘Een paar jaar geleden zaten de kibboetsiem nog vol met depressieve oudjes die hun idealen zagen vervliegen. Er was veel kritiek, lange tijd had de kibboets een slechte naam. Ondanks dat zie je een opleving van de kibboetsbeweging. Mensen zien dat concurrentie en materialisme niet gelukkig maakt en vallen terug op oude idealen.’ Kibboetsnik Avi Dahan knikt: ‘Als je voor de kibboets kiest, teken je voor vrijheid en gelijkheid. Iedereen zorgt voor elkaar, van de wieg tot het graf. Wij zijn één grote familie.’ Een Jeruzalemmer die net uit het zwembad van Ramat Rachel komt, doet er nog een schepje bovenop: ‘Volgens mij kun je beter oud worden in een kibboets dan in de stad. Hier wordt er goed voor oude mensen gezorgd, hier kun je sterven tussen je familie.’
De kibboetsbeweging maakt eveneens een doorstart door het relatief nieuwe verschijnsel van de zogenaamde irboets (letterlijk: ‘collectieve stedelijke nederzetting’). Jongeren willen conform het socialistische model van de kibboets het land Israël opbouwen, maar dan via educatie en niet met landbouw. Irboetsiem bevinden zich in steden en zijn bewust klein, omdat naar het idee van de oprichters van de irboets veel kibboetsiem ten onder gingen wegens een gebrek aan vertrouwen dat ontstond toen de nederzettingen te groot werden. Of de irboetsiem net zo invloedrijk worden als kibboetsiem, moet zich nog bewijzen. Voorlopig zijn er niet meer dan een paar duizend irboetsniks in de grote steden te vinden. Ook missen de irboetsiem een belangrijk onderdeel van de eerste kibboets: de noodzaak.
Michael Hess, kleinzoon van twee kibboetspioniers, legt uit: ‘Mijn grootouders waren op elkaar aangewezen in de kibboets. Er was weinig infrastructuur, het gebied was onherbergzaam. Je moest wel samenwerken. Die noodzaak heb je in irboetsiem niet. Irboetsiem zijn puur en alleen gebaseerd op idealisme.’
Avi Dahan gelooft dat juist dat idealisme de basis is van iedere socialistische nederzetting. ‘In Rusland is het communisme mislukt omdat mensen gedwongen werden de principes van vrijheid en gelijkheid over te nemen. Met dwang bereik je niets. Een kibboets is een vrijwillige keuze. Idealen werken alleen als je er uit vrije wil voor kiest.’ Hij schept nog eens zijn bord vol met groente. ‘Nog wat humus?’ vraagt hij uitnodigend. ‘Neem maar, er is genoeg.’