Italië = Berlusconi

Niet meer sexy

De oude Italiaanse elite kan de genadeloze ironie en de rake toon van weleer niet meer vinden. Zelfs Umberto Eco wordt uitgelachen.

C'ERAVAMO TANTO AMATI: ‘Wat hielden we toch veel van elkaar’. Maar het betekent ook: 'Wat hielden we toch veel van onszelf’. C'eravamo tanto amati (1974) is met voorsprong de meest uitgemolken Italiaanse krantenkop aller tijden. Vanaf de jaren zeventig gaat er nog steeds geen dag voorbij of er staat wel ergens in een Italiaanse krant een politiek verhaal met een C'eravamo-kop. Zowel de uitgesproken linkse kranten, als de chique kranten van het industriële grootkapitaal, als de straatvechterskranten van Berlusconi zijn er gek op. Als regisseur Ettore Scola (79) copyright had bedongen op iedere keer dat de titel van zijn meesterwerk boven een verhaal wordt geplempt, had hij er een dikke bijverdienste aan gehad.

Waar ging hij ook al weer over, C'eravamo tanto amati? Over idealen die sneuvelen in de strijd om het dagelijks bestaan, over vriendschap die verraden wordt, over de prijs die je moet betalen als je handig denkt te kunnen zijn, maar ook over de prijs die je betaalt als je niet handig bent. Je zou dus kunnen zeggen: over het leven. De idealen zijn uiteraard links, want rechts heeft geen idealen, volgens links dan. Ettore Scola is een Italiaanse communist van de oude school. Samen delen juist als je weinig hebt, geloven in iets en daar tot voorbij het gaatje voor blijven gaan, iemand de helpende hand toesteken op het moment hij in het afvoerputje van de maatschappij dreigt te verdwijnen, enfin, de idealen die de westerse democratieën graag als de basisregels van de samenleving beschouwen. Althans op papier.

Niemand in de westerse wereld maakt zich nog druk over kiezen voor eigen gewin ten koste van je idealen (welke, trouwens?). Hij of zij die het niet handig voor zichzelf weet te regelen, heet vandaag een loser en niet langer een 'mooie ziel’ die vanwege ouderwetse scrupules op het uur U de hoofdprijs aan zich voorbij heeft laten gaan. Kom op sukkel, een trein komt maar één keer voorbij. Spring!

Le anime belle, 'De mooie zielen’, is de hedendaagse spotkreet voor het zieltogende Italiaanse linkse gedachtegoed. Een machtig gedachtegoed, tot twintig jaar geleden. Tot de val van de Muur was de PCI (Partito Comunista Italiano) de machtigste en grootste communistische partij van het vrije Westen. Amerika zag nog liever een Fidel Castro dan de Italiaanse saloncommunisten. Bernardo Bertolucci, Pier Paolo Pasolini, Ettore Scola, allemaal internationale toppers die als inspiratiebron voor hun prijswinnende werk doorverwezen naar het communisme. Daar school de vrijheid, het geluk en de betere wereld en dat meenden ze echt, de Italiaanse saloncommunisten, onder wie veel miljonairs. Oké, Boedapest 1956 en Praag 1968 waren even een lelijk schrammetje, maar verder niets dan goeds over de vrienden uit de Sovjet-Unie.

De kreet anime belle is verzonnen door de intellectuele en artistieke Hunnen van het Berlusconi-tijdperk. En het staat uiteraard voor losers. Voor mensen die treinen voorbij laten gaan omdat ze niet over het een of andere zinloze ideaal heen kunnen stappen. Voor sukkelaars die in de jaren zestig zijn blijven hangen en nog steeds denken dat demonstreren op pleinen met spandoeken de Thalys van het postideologische tijdperk kan stoppen. Heb je ze weer, met hun fluitjes, geinige maskers, handbeklodderde T-shirts en goede bedoelingen. Dahaaag, jongens, demonstreer ze, wij regelen intussen de boel in de eerste plaats voor onszelf, en wie weet, ook een beetje voor jullie.

HET GEVOEL van onhandigheid overviel je ook op de glorieuze zondag 13 februari. Het was de grote demonstratie van de echte vrouwen van Italië tegen het vrouwbeeld dat door Berlusconi is ontstaan. Meisjes die nog dampend van tussen de lakens op allerlei hoge regeringstronen worden geparachuteerd, vanwege hun in het oog springende uiterlijke kwaliteiten. Een bordeelnatie, waar niets anders er nog toe doet dan hoe je eruitziet en hoe je dat weet te verkopen. Gelijk voetballers moet je voor je 25ste binnen zien te zijn, de rest van je leven hangt af van die paar juiste zetten op je gloriemoment. En dat pikken de 'echte’ vrouwen van Italië niet langer. Het is Basta!, zoals op vele T-shirts was te lezen. T-shirts die spanden over buiken, borsten en ruggen waar je ook zonder Basta! wel vanaf zag dat de snelweg naar succes maar voor enkele uitzonderingen is weggelegd.

Op het podium van het Piazza del Popolo in Rome lazen eerlijke en hardwerkende vrouwen e-mails voor van andere eerlijke en hardwerkende vrouwen. Uren achter elkaar. Een non hield een betoog waarin het morele verval en de menselijke waardigheid centraal stonden. De leuze van de dag was Se non ora quando? ('Als niet nu, wanneer dan?’), gescandeerd door groepjes vrouwen vanaf het podium en overgenomen door het afgeladen plein. Men glunderde en knikte elkaar warm toe: dag gewone vrouw met je buggy. Dag fijne man, mee met je gewone vrouw van wie je zoveel houdt dat je deze prachtige, stralende februarizondag graag opoffert aan haar waardigheid. Wat houden we toch veel van elkaar en van onszelf.

Het was lief, maar saai en vooral hopeloos ouderwets.

'Tegenover nieuwe gebeurtenissen, ernstige en onvoorziene gebeurtenissen kunnen de antwoorden niet oud, afgesleten en voorspelbaar zijn’, schreef commentator Beppe Severgnini de volgende dag in de chique krant van het grootkapitaal, de Corriere della Sera. 'De kracht van Silvio Berlusconi is zijn duivelse capaciteit om zichzelf steeds opnieuw uit te vinden en ons te verrassen. Je kunt hem alleen met zijn eigen wapens verslaan. Ik ben bevriend met Lella Costa (een elegante actrice van middelbare leeftijd die op het podium stond - ab), ik bewonder Paola Cortellesi (idem) en Anna Finocchiaro (lid van de senaat voor de linkse partij PD en een van de weinige vrouwen die erin slaagt grijze haren, een bril en een scherp intellect met het begrip sexy te combineren). Drie vrouwen die zeker over fantasie beschikken. Laten ze eens iets anders bedenken. Iets wat al die miljoenen andere echte vrouwen die níet op het plein stonden kan overtuigen, alhoewel ook zij een vieze smaak in de mond hebben en boos zijn.’

De machteloosheid van het anti-Berlusconi-kamp werkt verlammend. Aan argumenten geen gebrek, zou je zeggen, maar ze weten het altijd weer zo te brengen dat alleen het voorspelbare applausje uit eigen parochie klinkt. De Italiaanse politieke machthebbers van weleer haakten naar de veel spannender, intelligenter communistische intelligentsia. Daarbij mogen horen gaf cachet. De communisten moesten niet in de regering komen te zitten, dat in godsnaam niet, maar daarbuiten werd ze wel het hof gemaakt. De saaie christen-democraten, de proleterige yuppiesocialisten: allemaal zaten ze ’s avonds liever aan tafel met het andere, leukere deel van het Italiaanse universum, waar gelachen werd, waar parels van intellectuele artikelen werden geschreven, baanbrekende films werden gemaakt en toekomstige Nobelprijswinnaars hun licht over de natie lieten schijnen.

En dat vertaalde zich in een glasheldere rolverdeling: cultuur was van de communisten, de macht was van de anderen. Maar de anderen wisten wel wat cultuur waard was, en betaalden er graag voor. De subsidiepotten en -potjes gingen met gulle hand naar 'de vijand’, die eigenlijk helemaal geen vijand was, maar de getalenteerde broer die nooit had willen deugen voor het familiebedrijf omdat hij wel wat beters te doen had. Men respecteerde elkaar, de macht werd beheerd door wie daar zijn neus niet voor ophaalde (macht beheren betekent in Italië van oudsher duistere compromissen sluiten met de maffia), de betere wereld werd vertegenwoordigd door de briljante geesten die Italië altijd heeft voortgebracht en die het visitekaartje van het land op het wereldpodium mochten zijn.

Het is pas sinds Berlusconi’s opmars in de politiek dat cultuur in Italië niet meer serieus wordt genomen. Met een uitzondering voor de winstgevende cultuur die door zijn eigen bedrijf wordt geproduceerd. Medusa, de filmmaatschappij van het Berlusconi-imperium, en Mondadori, de uitgeefpoot, weten nog steeds heel goed waar Abraham de mosterd moet halen. Niet bij rechts, uiteraard, maar ook niet bij experimentele productjes uit de marge. Er wordt met trefzekere hand gekozen voor potentiële toppers. Daar hebben ze een goede neus voor, bij Medusa en Mondadori.

Roberto Saviano was nog niemand toen Mondadori zijn Gomorra in een voorzichtige oplage van zevenduizend op de Italiaanse markt bracht. Vier jaar later zijn er wereldwijd zes miljoen van verkocht en is Saviano de Italiaanse Salman Rushdie, met de toegevoegde status van een rockster. En Medusa heeft de laatste Italiaanse Oscar-winnaar La vita è bella van Roberto Benigni in zijn stal, naast de latere Bernardo Bertolucci, Giuseppe Tornatore en Ettore Scola. Allemaal, behalve Benigni, al ruimschoots over hun hoogtepunt toen Medusa ze binnenharkte, maar wel een mooi statement. Vier uitgesproken communistische boegbeelden en internationale sterren die de knieval voor Berlusconi’s grootkapitaal hebben gemaakt. 'Er is gewoon niemand anders in Italië’, verzuchtte Ettore Scola toen hij werd aangevallen op zijn keuze.

EN ZO IS HET maar net. Er is gewoon niemand anders in Italië dan Berlusconi. Verzin een antwoord, zorg dat je sterker staat dan hij, maar het automatische morele overwicht van links is voorbij. Gebruld is er door het Berlusconi-volk om Umberto Eco’s opmerking 'ik ga ook laat slapen, maar dat is omdat ik Kant lees’, laatst, op een manifestatie in het Palasharp van Milaan waar links-intellectuele zwaargewichten beleefd om het aftreden van Berlusconi vroegen naar aanleiding van zijn nachtelijke avonturen. Zo, professor Umberto Eco leest dus Kant, ’s nachts! Poppelepop zeg. Wij hebben wel wat beters te doen. Overdag hard aan het werk, ’s nachts aan de lekkere wijven - als het meezit. En, professor Eco, nog wat opgestoken van Kant? Iets wat wij ook kunnen snappen, of nee, laat ook eigenlijk maar zitten.

Het was misschien niet de doeltreffendste manier om te zeggen dat je ook wat anders met je tijd kunt doen, als wereldberoemde zeventig-plusser, dan achter jonge meisjes aanjagen. Als Umberto Eco even over zijn ego heen was gestapt en zijn gevoel voor humor - en wie weet eigen ervaring - in de strijd had gegooid, had hij bijvoorbeeld zo'n scène plastisch in beeld kunnen brengen. Hoe dat er dan aan toegaat, als een oude, wereldberoemde man een onbekend, piepjong meisje in zijn bed probeert te krijgen. De angst voor de ruïne van je eigen lichaam tegenover dat van een jonge, giechelende godin die straks aan haar vriendinnen gaat sms'en hoe je presteert. Eco is een schrijver, taal is zijn wapen, doe er wat mee, zou je zeggen. Het nu bereikte effect is dat niet Berlusconi, maar Umberto Eco zichzelf belachelijk heeft gemaakt voor de Italianen, het dunne applausje van de eigen parochie even niet meegerekend.

Het is of de Italiaanse elite de genadeloze ironie en de rake toon van weleer maar niet meer kan vinden. Je hoeft niet per se links te zijn om scherp te zijn, maar het blijkt toch vaak zo te zijn. Op dat gebied is er van populistisch rechts helemaal niets te vrezen, nooit. Ook niet in Italië. Het probleem is alleen dat er geen enkel gebied meer is waar links nog de blits maakt. Zelfs vakbondsleider zijn is niet meer sexy, nu Sergio Marchionne, de baas van Fiat, heeft laten zien dat de Italiaanse fabrieksarbeider een museumstuk uit de vorige eeuw is dat hij in de goedheid van zijn hart nog wel eventjes in de vitrinekast wil houden. Er zijn geen rechten meer om voor te vechten, niemand heeft nog tijd voor mooie gevoelens en voor Kant. De winnaar is de realiteit en hij die zich daarmee weet te meten. En dat kan Silvio Berlusconi beter dan wie dan ook in Italië.