De fouten in het integratiebeleid

Niet meer ziek, zwak en misselijk

De Tweede Kamer gaat het integratiebeleid van de afgelopen jaren onderzoeken. Wat ging er mis en hoe kan het anders? Socioloog Ruud Koopmans: «Helemaal niets doen was misschien beter geweest.»

In geen land ter wereld is de afgelopen twintig jaar zo veel geld geïnvesteerd in integratiebeleid als in Nederland. Niemand weet precies om hoeveel het gaat, maar de schatting is dat er enkele miljarden euro’s zijn gepompt in welzijnsprojecten, cursussen en stichtingen met als doel nieuwkomers te helpen integreren in de Nederlandse samenleving.

De internetsite www.integratie.net geeft een goed beeld van wat er in ons land vanuit overheidswege op dit terrein is ontwikkeld. In de introductie van de homepage staat: «Nederland is een multiculturele samenleving waarin ieder als volwaardig burger kan leven. Dat is in ieder geval de bedoeling van de Nederlandse regering.» Er wordt verwezen naar meer dan honderd maatschappelijke organisaties, dertig overheidsinstellingen en ruim veertig aparte minderheden en etnische groeperingen die op enige wijze actief zijn met integratie. De agenda kondigt een seizoen aan van diverse activiteiten (bijvoorbeeld samen multicultureel koken), evenementen en debatten over onderwerpen als liefdesrelaties, de trots van de hoofddoek, de beeldvorming van allochtonen in de pers, vrouwenemancipatie en opvoeding. Er wordt een oproep gedaan om je te melden als regionaal ambassadeur voor de overheidscampagne «Oog voor anderen kan veel veranderen». Gezocht: «Enthousiaste mensen met uitstraling, boegbeelden met een netwerk die positief staan ten opzichte van de multiculturele samenleving.» Wat deze campagne behelst, valt alvast te ontdekken door icoontjes van foto’s aan te klikken. Een moslimmeisje met hoofddoek zegt: «Nederlanders vinden mij met hoofddoek niet geïntegreerd. Ik wil er best over praten maar waarom zou ik hem afdoen.» Een Hollandse boer met pet zegt: «Buitenlanders roepen bij mij nogal wat vragen op. Misschien moet ik die gewoon eens stellen.» En een Chinees meisje laat weten: «Ik heb weinig Nederlandse vrienden. Toch wel vreemd met zoveel Nederlanders om me heen.»

Duidelijk is dat er veel wordt ondernomen om door middel van «helpen en praten» — dit zijn telkens terugkerende begrippen — te streven naar multiculturalisme: burgers met verschillende culturele achtergronden op voet van gelijkheid en wederzijds respect vreedzaam naast elkaar laten bestaan.

Eind september diende SP-leider Marijnissen een motie in, gesteund door alle fracties behalve de LPF, om te onderzoeken waaraan al dat geld precies is uitgegeven, «want het beleid van de afgelopen jaren heeft buitengewoon weinig opgeleverd».

Wat de immigratie van gastarbeiders en het integratiebeleid precies hebben gekost en opgeleverd laat zich volgens CPB-onderzoeker Hans Roodenburg uiteindelijk niet berekenen. «Zo’n berekening zou een te ver doorgevoerde vereenvoudiging zijn van de complexe werkelijkheid», zegt hij. «Toen in 1975 het werven van laag geschoolde werkkrachten stopte, waren er 70.000 gastarbeiders naar ons land gekomen. Door gezinshereniging en geboorten telt de Turkse en Marokkaanse gemeenschap nu circa 570.000 mensen. Je ziet dat er van hen een relatief kleine groep deelneemt aan het arbeidsproces en dat zij veel gebruikmaken van de sociale zekerheid. Dat het uiteindelijk een positief saldo heeft opgeleverd, is niet waarschijnlijk.»

Al is het niet te becijferen, wel vraagt men zich al veel langer af of het integratiebeleid enig nut heeft gehad. De elfde september en de moord op Fortuyn hebben het sluimerende onbehagen gekatalyseerd. Het antwoord beweegt zich van «er is veel bereikt en er is nog veel meer geld nodig» naar «de multiculturele samenleving is een drama, de integratie faliekant mislukt en het geld is onverantwoord besteed».

Alsof het hek van de dam is, worden nu allerlei thema’s aangekaart die tot voor kort onbespreekbaar waren. Ongewenste ontwikkelingen binnen de moslimwereld zijn voor het eerst openlijk benoembaar en islamitische Nederlanders worden gedwongen hun houding te bepalen tegenover de politieke islam en de Nederlandse rechtsstaat. En het mes snijdt aan twee kanten: het cultuurrelativisme gaat op de schopstoel en de vraag is centraal komen te staan waarom een kritisch debat over onze integratiepolitiek zélf al die jaren door de autochtonen is geschuwd.

Het zelfonderzoek dat zich begint te voltrekken, wijst (voorlopig) vooral in de richting van de politieke correctheid van met name de PvdA. «Waarom heeft de sociaal-democratie, die opkomt voor de zwakkeren, zo lang de onderdrukking van moslimvrouwen gerelativeerd en een ruimhartig subsidiebeleid gevoerd aan instellingen die de apartheid in Nederland propageren? En waarom maakt ze zich sterk voor onderwijs dat gebaseerd is op geloof, gewoonte en macht?» vroeg politicologe Ayaan Hirsi Ali zich op 2 oktober af in een toespraak tot de Tweede-Kamerfractie van de PvdA. «Was dat een onderschatting van de verhoudingen in de moslimgemeenschap of — veel erger — arrogantie en onverschilligheid?»

Tot eergisteren stuitte haar kritiek binnen de partij op relativerende woorden. Ze werd fijntjes gewezen op de positieverbetering van de derde generatie allochtonen, waarop Ali schamperde dat de toename van meisjes op mbo en hbo niet terug te zien was op de arbeidsmarkt. «Eenmaal getrouwd vallen ze weer terug in de dwingelandij van traditie, geloof en groepscultuur. Het is een kwestie van waar men naar wil kijken.»

Dat het integratiebeleid wordt beoordeeld vanuit een gewenst perspectief, gaf de filosoof Hans Achterberg al in 1979 aan in zijn boek De markt van welzijn en geluk, waarin hij de gevaarlijke aspecten van de welzijnssector blootlegt. Terwijl de politiek gelooft in de maakbaarheid van de samenleving (de utopie van de migrant als de Nieuwe Mens) ontwikkelen welzijnswerkers via hun diensten een aanbod dat een overeenkomstige vraag veroorzaakt. Welzijnswerkers werpen zich op als buffer ten opzichte van het beleid, en zij filteren de allochtone eisen. De sector van migrantenwelzijnswerkers functioneert volgens Achterberg eerder participatie- en emancipatiebelemmerend.

Inmiddels is de tijd rijp geworden om de mythe van het grote succes van integratie te doorbreken. Het kwantificeren van de resultaten van de gevoerde politiek dwingt tot nuchterheid. «Helemaal niets doen was misschien beter geweest», meent zelfs de Nederlandse politiek-socioloog dr. Ruud Koopmans, verbonden aan het Wissenschaftszentrum für Sozialforschung in Berlijn, dat op basis van vergelijkend onderzoek naar de sociaal-economische positie van migranten in Duitsland en Nederland tot deze conclusie komt. «Geen beleid, zoals in Duitsland het geval was, heeft geleid tot een veel betere economische en maatschappelijke positie van immigranten. Terwijl het Nederlandse immigratie- en integratiebeleid binnen Europa altijd is geprezen vanwege de tolerantie en het gebrek aan vreemdelingenhaat, komt uit onderzoek naar voren dat Nederland het helemaal niet zo goed doet als je zou denken.»

Koopmans viel van de ene verbazing in de andere toen hij de situatie van buitenlanders op verschillende terreinen aan de hand van cijfers bekeek. «Het aantal werkloze migranten is in Nederland veel hoger dan in Duitsland. Terwijl de werkloosheid onder allochtonen vier keer hoger is dan onder autochtone Nederlanders in vergelijkbare klasses, is de werkloosheid in Duitsland onder migranten twee keer hoger dan het nationale gemid delde.»

Het opmerkelijke verschil weerspiegelt zich ook op andere terreinen. «Eind jaren negentig ontving in Duitsland 23 procent van de buitenlanders een uitkering, tegen 47 procent in Nederland. In 1998 verliet 19 procent van de buitenlandse scholieren in Duitsland het onderwijssysteem zonder diploma (tegen 8 procent van de autochtonen, hetzelfde getal als in Nederland); in ons land komt het cijfer op 35 procent onder Turkse scholieren en 39 procent onder Marokkaanse. Wat betreft het meest gevoelige punt, criminaliteit, scoort wederom Nederland beroerd: in Duitse gevangenissen zaten in 1998 27 procent buitenlanders, terwijl de Nederlandse cellen voor 53 procent worden bevolkt door mensen die buiten Nederland zijn geboren, een cijfer dat misschien is vertekend omdat etniciteit niet in de gevangenisstatistieken wordt gebruikt. En ten aanzien van de vertegenwoordiging van allochtonen in de publieke sfeer (gemeten op basis van journalistieke inhoudsanalyse), doet Nederland het ook slechter dan Duitsland.»

De Nederlandse onderzoeker was over zijn bevindingen tamelijk geschokt. «Ook ik had verwacht dat wij het goed zouden doen, omdat ons systeem een schoolvoorbeeld leek van de beste weg tot integratie: wij kennen zowel de groep als het individu maximale eigen rechten toe. Het idee is dat als je politiek-culturele integratie van de groep faciliteert, dat vanzelf leidt tot sociaal-economische integratie. Geef allochtonen eigen rechten — islamitische scholen, het toestaan van uitingen van de culturele identiteit, enzovoort — en subsidie om instellingen naar eigen inzicht op te richten, dan ontstaat er een zelfbewuste autonome groep die makkelijk integreert. Het model van een eigen zuil werkte vroeger wel voor minderheidsgroeperingen, maar deze benaderingswijze is voor integratie van immigranten totaal ongeschikt gebleken. De wensen van de allochtonen staan vaak haaks op wat organisaties en beleidsmakers ons willen doen geloven.»

Koopmans kan er haast boos om worden: «Het rare is dat als je naar de beleidsstukken van al die belangengroeperingen kijkt, iedereen stelt te streven naar gelijkheid op de arbeidsmarkt. Maar dit integratiebeleid, doordrenkt van verzuild denken, heeft niet geleid tot aansluiting van nieuwkomers bij de Nederlandse samenleving, maar tot uitsluiting. Tot sterke segregatie en discriminatie. Het is goed geweest voor een kleine etnische elite van representanten die in de watten werd gelegd, maar in een ons-kent-ons circuit naar binnen gekeerd vervreemdde van de werkelijkheid. Omdat de belangenorganisaties zichzelf niet hoefden te bedruipen, waren ze niet gedwongen om de eigen achterban te mobiliseren. Ik vind het een schande dat deze migrantenorganisaties nooit eens aan de bel hebben getrokken over de problemen binnen de groepering die zij vertegenwoordigen. Zij hebben zich schuldig gemaakt aan het ontnemen van iedere prikkel tot zelfredzaamheid en zelfwerkzaamheid.

Migranten kregen de sociale zekerheid op een presenteerblaadje aangeboden. Als Nederlands leren niet nodig was, en zelfs werken niet, dan word je niet gestimuleerd je eigen weg te zoeken. Had je pijn in de rug, dan regelde een welzijnswerker de gang naar de WAO. Gastarbeiders, en later hun kinderen, zijn benaderd vanuit een beeld van ziek, zwak en misselijk, terwijl het juist vaak ging om mensen die het nodige lef en de avontuurzin hadden om de stap naar een ander land te maken. Het zal allemaal wel goed bedoeld zijn geweest, maar het beleid is veel te betuttelend en beteugelend. Stimuleren van zelfredzaamheid door eerlijke eisen te stellen, daar moet het Nederlandse beleid naartoe.»

Het onderzoek van Koopmans is door de politiek (minister Nawijn heeft uitgebreid met hem gesproken), door collega’s en door aanhangers van het Nederlandse multiculturele beleid met grote belangstelling ontvangen. Wel worden er kritische kanttekeningen gemaakt bij het onderzoek.

Directeur van Forum (kenniscentrum voor de multiculturele samenleving) Tineke van den Klinkenberg vraagt zich af of het in ons buurland allemaal zo rooskleurig is. «Ik vind helemaal niet dat allochtonen in Duitsland zo goed zijn geïntegreerd.» Wel is ze van mening dat belangenorganisaties in Nederland te veel naar binnen gericht op een eiland zitten. «We hebben te lang gedacht dat integratie via een zuil zou lukken. Maar het is een ingewikkeld verhaal: we zaten zelf in de periode dat alles werd gedoogd. Gastarbeiders zijn hierheen gehaald om te werken en toen ze niet meer nodig waren, duwden we ze de WAO in. Ook dat hebben we gedoogd.»

Van den Klinkenberg zegt dat haar organisatie inmiddels heel praktisch aan de gang is gegaan om te kijken hoe participatie van allochtonen georganiseerd kan worden. «We gaan op dit moment bijvoorbeeld met een bus door het land om mensen te informeren over onderwijs, opvoeding en dat soort zaken. We stimuleren ouders de kinderen naar de voorschool te sturen. We proberen mensen te betrekken bij het beheer van de wijk. Er lopen veel wijkprojecten die heel succesvol zijn.»

Justus Veenman, hoogleraar economische sociologie en directeur van het Instituut voor Sociologisch-Economisch Onderzoek aan de Erasmus Universiteit, vindt de vergelijking van Koopmans niet geheel juist omdat de allochtone populatie in Duitsland anders is dan in Nederland. «Duitsland heeft beter ontwikkelde allochtonen binnengehaald dan Nederland; minder Marokkanen, en de Turken zijn afkomstig uit beter ontwikkelde delen van hun land. De uitgangspositie bij instroom is verschillend. Bovendien heeft Duitsland door een remigratiebeleid werkloosheid geëxporteerd, terwijl Nederland gezinshereniging en gezinsvorming liet doorgaan, ook ten tijde van hoge werkloosheid, waardoor juist werkloosheid werd geïmporteerd.»

Veenman wenst absoluut niet mee te doen aan de «mode» dat de multiculturele samenleving is mislukt. «Het is niet zonder problemen verlopen, maar er zijn ook positieve resultaten te melden die nu nauwelijks worden belicht. Ik heb met buitenlandse collega’s onderzoek gedaan naar de sociaal-economische positie van allochtonen in Frankrijk, Engeland en Nederland. Wat betreft de arbeidsmarkt en het opleidingsniveau komt Nederland inderdaad slecht uit de bus. Ik zie de oorzaak eerder in een onduidelijke houding naar immigranten. Wat ontbreekt is een duidelijke visie op de doeleinden van integratie. Nederland is een immigratieland, laten we daar ons voordeel mee doen. Gelet op de toenemende vergrijzing weten we dat we straks al het jonge talent nodig hebben. Veel jongeren zijn van allochtone afkomst. In plaats van hen uit te sluiten, zouden we extra kansen moeten bieden. Dat is ook in ons eigen belang.»

In het voorjaar van dit jaar presenteerde Veenman het onderzoek De toekomst in meervoud: Maatschappelijke veranderingen in multi-etnisch Nederland in een aantal scenario’s. Daarin worden twee mogelijke ontwikkelingen geschetst van de Nederlandse samenleving. Het meest aannemelijk acht Veenman het «gematigd optimistische scenario». «Toch bestaat het gevaar dat het zwarte scenario realiteit wordt. Want ongunstige verschijnselen kunnen niet worden ontkend: criminaliteit onder allochtone jongeren, slechte schoolprestaties, hoge werkloosheid, een opeenstapeling daarvan in gesegregeerde woonwijken. Als in de beeldvorming alleen de slechte kanten worden benadrukt, is er al gauw sprake van een self fulfilling prophecy. Toch zijn er ook gunstige tendensen: er ontstaat een allochtone middenklasse, de schoolprestaties van grote groepen worden veel beter en de werkloosheid neemt af.» Veenman pleit voor méér investeren in allochtonen. «Als er maar duidelijk wordt gekozen», zegt hij. «Dat kun je heel nuchter economisch bekijken: we hebben veel jonge allochtonen die hard nodig zijn, maar zonder extra hulp kunnen ze mislukken. Zorg dat ze erbij horen. Tegelijk moet er duidelijkheid zijn dat iedereen binnen onze rechtsorde blijft.»

Wat Veenman betreft valt er nog veel beleid te ontwikkelen in het onderwijs. «Het lijkt wel of er veel is gebeurd op dit gebied, maar het systeem moet veel meer rekening houden met de opvoedingsachtergrond. Turkse en Marokkaanse kinderen worden autoritair opgevoed, terwijl Nederlandse kinderen zelfredzaamheid wordt geleerd. In het onderwijs kan dat aansluitingsproblemen opleveren. De methodieken moeten inspelen op de opvoeding thuis en op de taalachterstand, maar wel de vaardigheden leren die nodig zijn om zelfstandig in de Nederlandse samenleving te kunnen functioneren. Als je daar als overheid niet in gelooft, dan stimuleer je het gevoel ‹er toch niet bij te horen›, met alle gevaren van isolatie. Het beleid van de regering mag wat mij betreft nooit inspelen op de negatieve kanten die nu naar buiten komen. Dat is kortetermijndenken en werkt averechts.»

Ruud Koopmans, die in Duitsland ook onderzoek deed naar samenhang tussen publiek debat over migratie en rechts-radicale geweldsuitbarstingen, waarschuwt voor hetzelfde: negatieve beeldvorming stimuleert racisme. «In Duitsland kon je dat goed zien: als er op tv negatief nieuws was over buitenlanders, volgde een golf van geweld met de gedachte: politici roepen dat er een probleem is, ze doen niks, dus dan doen wij het maar. Het geeft aan hoe explosief het onderwerp is. Dat kan in Nederland ook gebeuren. Het aantal asielzoekers neemt nu af, economisch gaat het redelijk, maar het kan zo omslaan.»