HUGO CLAUS PROLOOG

Niet meer zwijgen

Vorige week ontving Leonard Nolens de VSB Poëzieprijs. Als opmaat voor de uitreiking sprak David van Reybrouck de eerste Hugo Claus Proloog uit, een state of the union van dichtersland. Een pleidooi voor vlezige, vettige, volslanke poëzie, met fleurige overhemden.

De Nederlandse poëzie lijdt aan anorexia en haar toestand wordt stilaan kritiek. Wil ze niet helemaal wegkwijnen met doffe ogen en vale huid, dan moet ze weer vlezig worden, vettig en volslank. Succulent en druipend van sap moet ze zijn, als een kind dat een perzik eet op een zomeravond. De poëzie moet zich weer aan de wereld laven; alleen zo kan ze de dorst van ons, lezers, weer opwekken. Dat is de conclusie van mijn verhaal. Voor wie er belang aan hecht, geef ik nog even de argumentatie.

Hugo Claus is bijna een maand dood en nog blijft hij ons bestoken. Nooit gedacht dat een atheïst het bestaan van het hiernamaals kon bewijzen. Gelovigen gaan dood en worden maar geen engelen, hooguit heiligen (en dan nog hullen ze zich in zwijgen), maar de ongelovige, die galmt ons toe van aan de overkant. Daags na zijn dood pleegde die goddeloze Claus al zijn eerste postume heilsdaad toen hij de nieuwe, net aangetreden maar erg zoutloze regering van zijn en mijn vaderland van de voorpagina’s stootte en alle landelijke redacties dwong om plaats te maken voor Zijne Koninklijke Bronstigheid. Prachtig was het!

Maar zijn heidense stem reikt nog veel verder, veel dieper. Nu nog. Ik geloof dat zijn dood zelfs de hedendaagse poëzie weer tot leven kan wekken. Door zijn overlijden zijn we massaal weer in zijn gedichten gedoken, in dat modderbad van taal en zinnelijkheid waar van elke onderdompeling een heilzame werking uitgaat. Want plots besef je weer, als je bovenkomt met nat haar en het uitproest, wat poëzie óók nog mag zijn. Schaamteloos lyrisch als in West-Vlaanderen, hitsig jubelend en jankend in De Oostakkerse gedichten, kermend van verlangen in Nu nog, vloekend, monkelend en grinnikend, schor, tochtig en schoon: Claus, altijd, Claus. We slaan de verzamelde gedichten open en plots breekt de zon weer door de wolken. Mijn god, ja, dit was ook poëzie, dit mocht ooit ook.

Wat een contrast met zoveel van onze gangbare verzen! Als dichter vertel ik het u met pijn in het hart, maar we hebben onszelf nogal aan banden gelegd de afgelopen twintig jaar, en nog geen klein beetje ook. Poëzie mag niet langer verhalend zijn, niet langer anekdotisch of didactisch (waarom niet? dat weet geen mens), niet langer verontwaardigd of verdrietig, blijmoedig al helemaal niet, niet langer humoristisch ook (of het moet ironisch zijn, de humor voor lafaards), niet langer helder want dat is verdacht, of begrijpelijk want dat is verraad (aan wie? ook dat weet geen mens). Poëzie mag niet langer vertrouwen op de taal, poëzie zal prevelen in de schemering of zal niet zijn. Ons gestamel mag bovendien allerminst een woordje uitleg krijgen, zeker niet van onszelf, want wij zijn sjamanen, doorgaans direct in contact met het hogere, stotterend weliswaar, maar niettemin, en liefst ook niet van een ander, geen voorwoord, geen achterflaptekst die iets zinnigs zegt en al helemaal geen foto van onszelf, het moet allemaal voor zich spreken, ook als het niet spreekt, ook als de dichter zegt dat hij of zij niet kan, wil of mag spreken, en als iemand dat toch doet in zijn plek, voorzichtig, aftastend, schoorvoetend, reageren wij schouderophalend en verongelijkt, want dan is de poëzie geprofaniseerd, gedesacraliseerd en dus gebanaliseerd en dát, dat mag zéker niet. En waarom? Dat weet, nog steeds, geen mens.

Wij worden, net zoals de Azteken, geregeerd door taboes waarvan we niet meer weten waar ze vandaan komen. Wij denken een fancy computer te bezitten, maar diep vanbinnen draaien we op het oubollige Dos-systeem. Mijn god, wat hebben we onszelf aan banden gelegd. Wij eten niet meer, nee, wij zuigen op geursteentjes. En het roze sap dat dan naar onze kin vloeit, een flauwe echo van de schuimbekkende sjamaan, noemen wij: poëzie. Onze breedbandverbinding met de wereld is een smalspoor geworden en we beseffen het niet; binnenkort rest ons enkel nog het zwijgen.

Of was dat misschien de bedoeling? Al die poëzie die wil zwijgen in taal. Ja, waarom zwijgen we dan niet helemaal? Met Paul Celan hebben we de zuiverste graad van lyriek bereikt. Onovertroffen. Hans Faverey en Gerrit Kouwenaar hebben het Nederlands weergaloos verrijkt met hun uitgebeende verzen, ik had ze geen moment willen missen, maar het kan toch niet de bedoeling zijn dat dichters vandaag tot in de eeuwigheid genetisch gemodificeerde Favereyklonen dienen te zijn? Het kan toch niet de bedoeling zijn dat we tot in lengte van dagen alleen nog dat soort ijle poëzie als waarachtig mogen beschouwen (al is ze vandaag vaak eerder krampachtig) en al de rest als minderwaardig moeten bestempelen? Ik wil weer dronken worden van lyriek, niet alleen hoeven knabbelen op al die droge borrelnootjes, doorgaans geschreven en vacuüm verpakt aangeboden door neerlandici die veel te veel poëzie hebben bestudeerd in plaats van zich eraan te bezatten.

De dichtkunst is toch meer dan een reservaat voor weekdieren en eunuchen waar men denkt vreselijk gevaarlijk bezig te zijn omdat men een regeltje uit de syntax ontwricht? Wat prutsen met aanhalingstekens, gedachtestreepjes en veel tochtig wit: dat is toch geen avontuurlijke poëzie? Wat klieren met de tabtoets en de harde return: moeten we daarmee naar de oorlog? Is dat niet vreselijk vrijblijvend? Bekommeren we ons nog wel om urgentie? Wordt het verlangen naar ijlheid dan niet stilaan een besef van leegte?

Nee, dan Hugo Claus. Nooit ijl, nooit bang als dichter voor zijn collega-dichters, altijd even onverdroten, altijd soeverein, altijd wel trek in een dozijntje oesters of twee. Claus lezen dus, dat helpt.

Wat nog? Geert Buelens lezen, die in zijn essaybundel Oneigenlijk gebruik heerlijk van leer trekt tegen ‘de zelfgenoegzaamheid van de poëzie’ en even hartstochtelijk als genuanceerd pleit voor een dichtkunst die ‘geen zelfcensuur toepast, geen verraad pleegt aan het leven’. Arjen Duinker zien optreden, wiens gedichten nog fleuriger zijn dan diens overhemden. Wat een genoegen om iemand weer te zien smullen van de taal, die zich nestelt in de woorden als in een zomerse zaterdagmiddag en die het ongelooflijk naar zijn zin heeft in de poëzie. Wat nou ontheemding?

Wat nog? Tuitjenhorn hardop lezen, het lange gedicht dat Kees ’t Hart schreef over een voetbalwedstrijd tussen Heerenveen en Tuitjenhorn. Het is vrij van ironie en glashelder, een zoektocht naar ‘zichtbare poëzie’, zoals hij het noemt. Het staat in zijn slechts vijf dagen geleden verschenen bundel met de toepasselijke titel Ik weet nu alles weer, een bundel die ik nu al als een mijlpaal in de hedendaagse Nederlandse poëzie beschouw. En dat zeg ik niet om aardig te zijn, want geen recensent die mij ooit zo heeft afgezeikt als ’t Hart.

Wat nog? Horen hoe H.H. ter Balkt met zijn grafstem een dorsmachine doet reutelen; zijn onuitputtelijke oeuvre ontdekken als een Panorama Mesdag van die jammerlijke twintigste eeuw. Merken hoe Nolens afdaalt in de tijd en zelfs kan zingen met een dissectiemes als stemvork. Dwalen door de straten en verzen van Nijhoff en thuiskomen in een huis dat nooit meer helemaal het jouwe is. Kouwenaar herlezen, zo helder en zo rijk tegelijkertijd, zo warm en zo onherbergzaam. Kouwenaar nog eens lezen dus. Gedichten die je meevoeren, niet dat liplezen achter kogelvrij glas. Gedichten die het zinnelijke niet schuwen, het tactiele, het tastbare, het troostende zelfs.

In Brussel wonen, dat helpt ook. Twee jaar geleden ben ik er begonnen met een internationaal, meertalig dichterscollectief. Wat een verademing om er een Galicische dichter en eurocraat aan de slag te zien met lange, zangerige verzen die je in het Nederlands nooit meer hoort. Wat een bevrijding om te beseffen dat wat die Kameroenees zoekt op de grens van recitatieve verzen en freejazz óók legitieme poëzie is. Of wat die kwaaie Marokkanen in hun donkere kelders bijeen slammen, of hoe die frêle Franstalige de poëzie weer helemaal uitkleedt en speels maakt. Dat dat allemaal poëzie mag heten! Met die groep zijn wij nu een Europese Grondwet in Verzen aan het schrijven: wat een feest! Verwarrend, maar noodzakelijk.

Voor een relatief klein taalgebied heeft de Nederlandse poëzie al uitzonderlijk hoge toppen mogen scheren, maar vandaag lijken we ons van geen buitenland meer bewust, of het moet om toegankelijke, vertaalde Nobelprijswinnaars als Szymborska en Heaney gaan. Nijhoff las en vertaalde nog vanuit een half dozijn talen, vandaag lezen Nederlandstalige dichters voornamelijk Nederlandstalige dichters. De ijle hoogte is nogal lokaal. Globalisering lijkt van geen tel.

Wat ook helpt, ten slotte, is weer kijken naar de schilderkunst. Voor de Vijftigers was er een evident raakvlak tussen vers en verf (zelfs zeer letterlijk bij Cobratypes als Claus en Lucebert, maar ook bij Breytenbach). Dat is voorbij. In Watou probeert men jaar na jaar op onvermoeibare wijze dicht- en schilderkunst met elkaar te doen praten, maar juist die inspanning geeft aan dat het niet langer vanzelf gaat. Nu cotoyeren we liever de hedendaagse muziek, interessant, maar ook niet gespeend van enige ijlte.

In de hedendaagse schilderkunst heeft zich evenwel de omwenteling voorgedaan waar we in de moderne poëzie vruchteloos zitten op te wachten. Ondanks het dogma van de abstractie in de jaren vijftig en ondanks alle gepriegel met videokunst en andere installaties in de jaren tachtig is een aantal kunstenaars in alle stilte teruggekeerd naar dat wat verboden was: het doek en het figuratieve schilderen. Francis Bacon en Lucian Freud deden wat niet mocht, maar bewezen dat het wel nog kon: representeren zonder naïef te zijn, ontwrichten zonder gemakzuchtig te zijn, ontroeren zonder kitsch te zijn. Met internationale figuren als Luc Tuymans en Peter Doig is er zelfs een nieuwe generatie in de maak.

Net zoals de figuratieve schilderkunst nog steeds relevant kan zijn, geloof ik dat er opnieuw plek is voor ‘zichtbare gedichten’. Voor mij hoeft niet alle poëzie te zwijgen in taal. Ik wil dat ze stilaan wel weer eens hees wordt na al dat vezelen in de marge. Hees: van verlangen, van dorst, van ’t schreeuwen na een voetbalmatch desnoods, maar hees. Ik wil dat poëzie weer vlees wordt. En verf. En messen. Ik wil dat ze etst en kermt, dat ze krast en likt, dat ze eelt heeft en soms, heel soms, streelt, ogenschijnlijk onbewogen zoals een hand waartegen een kat zich schurkt.