Niet met eigen ogen

LAURENCE BERGREEN
MARCO POLO: VAN VENETIË NAAR XANADU
Vertaald door Anke ten Doeschate en Miebeth van Horn. De Bezige Bij, 431 blz., € 29,90

Dat in Zanzibar mannetjesolifanten een kuil groeven, waar het vrouwtje op haar rug in ging liggen, zodat ze in de missionarisstand konden paren, dat wilden de Venetianen van zevenhonderd jaar geleden nog wel geloven. En dat gold misschien ook voor het verhaal dat diezelfde geslurfde kolossen de favoriete prooi vormden van de schrikbarende griffioen, die een volwassen olifant kon oppakken alsof het een woelmuis was en die hem vervolgens op de rotsen te pletter liet vallen, waarna hij het beest rustig kon oppeuzelen. Maar dat er in het rijk van de Mongoolse heerser Koebilai Chan zoiets bestond als papiergeld, dat men er kookte op steenkool, dat er steden werden gebouwd volgens een vooropgezet plan en dat verschillende godsdiensten er vreedzaam naast elkaar leefden, was natuurlijk te zot voor woorden. Vandaar dat de bejaarde Marco Polo soms door straatjongens werd toegeroepen: ‘Messer Marco, vertel nog eens een leugen!’
Omdat Marco Polo in De wonderen van de Oriënt, het verslag van zijn 24 jaar durende verblijf in Azië, nogal wat zaken heeft overdreven of zelfs gefantaseerd, was het niet vreemd dat hij voor leugenaar werd versleten. In Zanzibar is hij nooit geweest en bovendien geeft hij toe dat hij de op olifanten jagende griffioen niet met eigen ogen heeft gezien. Ook heeft hij zijn rol aan het hof van zijn vriend Koebilai Chan behoorlijk aangedikt. Daarom is vaak beweerd dat hij nooit in China is geweest.
In zijn biografie probeert Laurence Bergreen feit en fictie zo veel mogelijk te scheiden en maakt duidelijk wat de oorzaken waren van het feit dat Polo’s reisverhaal veel flauwekul bevat. Zo heeft hij zijn belevenissen verteld aan een ghostwriter, die schreef in het oud-Frans, een taal die beiden niet echt beheersten. Bovendien bestaan er vele manuscripten, die niet alleen flink van elkaar verschillen, maar bovendien na Polo’s dood geschreven zijn.
Bergreens reconstructie van de reizen van Marco Polo, en diens vader en oom, leest vlot en is bijzonder informatief. Helaas doet de auteur af en toe alsof hij in het hoofd van zijn held heeft kunnen kijken. Zo wordt de uit handelsmotieven ondernomen tocht van Marco ook een seksuele ontdekkingsreis en een spirituele queeste. Wanneer we lezen dat hij zich wegens ‘ernstige emotionele problemen’ terugtrekt in de bergen van Afghanistan, of dat de grootste ontdekking die hij op zijn eindeloze tocht deed ‘zichzelf’ was, dan lijkt het alsof we in Happinez een artikel lezen over een vroeg-eenentwintigste-eeuwse backpacker.