Niet naar de maan

In dit vroege stadium van de Amerikaanse verkiezingsstrijd ontstaat hier de indruk dat het ten slotte zal gaan om de positie van de natie als grootste en leidende macht. Newt Gingrich heeft al aangekondigd dat hij als president een permanente basis op de maan zal vestigen. De neoconservatieve denker Robert Kagan, nu adviseur van Mitt Romney, heeft een boek geschreven, The World America Made. Daarin neemt hij het op tegen de doemdenkers die geloven dat Amerika als wereldmacht op zijn retour is.

Kagan is in het neoconservatieve denken niet de eerste de beste. In 2003 verscheen van hem het essay Of Paradise and Power, waarin hij uitlegt wat het verschil is tussen Europeanen en Amerikanen. In Europa komen ze van Venus, ze zijn altijd geneigd naar het compromis te zoeken. De Amerikanen komen van Mars. Zij zoeken de oplossing in een combinatie van kracht en onversneden rechtvaardigheid. Deze theorie heeft een rol gespeeld in de rechtvaardiging van de aanval op Irak. Van de daarop volgende praktijk hebben de neo’s kennelijk niet veel geleerd.
Om nu de internationale positie van Amerika te waarderen kun je beter het 25 jaar geleden verschenen boek The Rise and Fall of the Great Powers van de historicus Paul Kennedy raadplegen. De sleutel van zijn redenering is de imperial overstretch, de onbedwingbare neiging van de grootste mogendheden om verder te gaan dan hun economische capaciteiten toestaan en de geestelijke kracht van het volk, de bereidheid tot opofferingen, reikt. Op zeker ogenblik raken de krachten uitgeput en dan begint de neergang. Zo is het met Spanje gegaan, met de Nederlandse Republiek, de Fransen, de Britten en de Duitsers. En dit lot, schreef Kennedy, kan nu de Amerikanen te wachten staan.
Toen het boek verscheen wekte het verontwaardiging. It’s morning again in America, had president Reagan gezegd. Twee jaar later viel de Berlijnse Muur en was de Koude Oorlog gewonnen, wat niet alleen aan de Amerikaanse macht maar ook aan de alzijdige wanorde in het sovjetblok te danken was. Daar werd toen minder op gelet. Na Reagan kwam George Bush senior. Hij verjoeg Saddam Hoessein uit Koeweit en probeerde de Nieuwe Wereldorde op te richten, maar werd door de internationale gemeenschap min of meer weggelachen. Dat had Washington aan het denken kunnen zetten. Daarna is onder leiding van Clinton door luchtbombardementen een einde aan de Joegoslavische burgeroorlogen gemaakt. Minister Albright van Buitenlandse Zaken sprak van ‘this benign nation’. En toen kwam Bush junior en daarmee is de overstretch begonnen.
Bij zijn aantreden stond Obama voor een puinhoop. Twee uitzichtloze oorlogen, een geweldige staatsschuld, een wankele economie en een natie die in de acht jaar van zijn voorganger het internationale respect had verspeeld. Over het geheel genomen is Obama geen sterke president gebleken, althans hij heeft minder bereikt dan hij beloofd had. Maar laten we ons niet door pessimisme laten overmannen. Aan de directe betrokkenheid van Amerika bij de oorlog in Irak is een eind gekomen. En langzamerhand is in Washington het inzicht gedaagd dat met steeds nieuwe troepenversterkingen en de volgende vernieuwing van strategie en tactiek het probleem Afghanistan niet wordt opgelost. Osama bin Laden en nog een paar vooraanstaande terroristen zijn niet meer onder ons. De burgeroorlog in Libië is althans voorlopig ten einde zonder dat westerse troepen hebben ingegrepen. Leading from behind was de boodschap van Washington. En in Syrië wordt ieder daadwerkelijk ingrijpen vermeden. Vergeleken met Bush is dit een geweldige vooruitgang. Niet ten onrechte zegt Obama dat de Amerikaanse macht juist weer is toegenomen.
Maar in deze verkiezingscampagne speelt de buitenlandse politiek geen overwegende rol. Een goed gerichte scheldpartij kan meer invloed hebben. 'Obama is onze eigen kleine kapitein Schettino’, zei de voorzitter van de Republikeinen, Reince Priebus, op de televisie. Neem gerust aan dat dit maar een klein voorbeeld is van de smeerlapperij die ons nog te wachten staat. De stroom van attack ads vergeleken waarbij onze scheldpartijen niet meer dan uitbarstingen van schuchtere kinderen zijn - ze tekenen de sfeer van politieke haat, maar welke invloed ze op de kiezers hebben weten we niet. Het gaat, zoals altijd, in de eerste plaats om de betrokkenheid van de kiezer. De schattingen lopen uiteen, maar volgens mijn gemiddelde hebben deze keer 38 miljoen Amerikanen naar de State of the Union gekeken, dat is vijf miljoen minder dan de vorige keer. Er zijn dertien miljoen werklozen, bijna negen procent. Met zijn buitenlandse politiek is Obama misschien op de goede weg. Geen basis op de maan. Maar nu gaat het om de problemen thuis. In ieder geval heeft hij de consequenties uit de overstretch van zijn voorganger getrokken. Laten we hopen dat een meerderheid dit begrijpt.