Niet om te lachen

Een Kunstolympiade in Amsterdam: Reconstructie van de tentoonstelling D.O.O.D. 1936, Gemeentearchief Amsterdam, tot 20 mei.
Zoals de jaren zestig qua maatschappelijke experimenteerdrift een herhaling van de jaren twintig waren, zo spiegelden de jaren zeventig zich aan de jaren dertig. Consolidatie van verworven vrijheden en verzilvering van het politieke eisenpakket deden het linkse gedachtengoed uitdijen tot een mondiale, zwaar gepolitiseerde solidariteit.

Als reactie op de propagandistische kunstolympiade in Berlijn in 1936 organiseerden kunstenaars en journalisten in Amsterdam de tentoonstelling De Olympiade Onder Dictatuur, waarvan de initialen D.O.O.D. het compromisloze engagement van die jaren onderstrepen. Het was de tijd van het Volksfront in Frankrijk, en dat land was dan ook vertegenwoordigd met een aantal hevig betrokken kunstenaars. Titels als Bezetting van de fabriek, Ubermensch en Staking te Hamburg spanden de politieke kroon, hoewel de Nederlandse vertegenwoordiging er ook wel pap van lustte: Fascistische terreur, Vrouwendag 1931 en Discussie over loonsverlaging in de fabriek. Toch valt op de in het Amsterdamse Gemeentearchief gereconstrueerde tentoonstelling op dat veel van de uitgenodigde kunstenaars volstrekt apolitiek of slechts met enige moeite in geengageerde zin te interpreteren werk hadden ingezonden. Blijkbaar volstond deelname voor velen om hun betrokkenheid te demonstreren.
D.O.O.D. en andere exposities in de jaren dertig poogden kunst of ieder geval kunstenaars politieke relevantie te geven. In de jaren zeventig schaarden kunstenaars zich door middel van zowel geengageerde kunstwerken als van acties (kunstveilingen voor Vietnam) achter het begrip ‘alles is politiek’. De grote expositie Feministische kunst in 1979 was een van de laatste stuiptrekkingen van deze opvatting. Hoewel het publiek wel degelijk aan het denken werd gezet, roept de herinnering toch vooral lachlust en plaatsvervangende schaamte op. De meest gehoorde kritiek destijds was: hoe meer politiek, hoe minder kunst. Marthe Roling vatte de andere kritiek kernachtig samen met 'Het feit dat ik een kut heb, heeft niets met mijn kunst te maken.’
Een decennium autonome kunst later bleken kunstenaars zich even braaf als wij allemaal achter politieke kwesties te kunnen plaatsen met internationaal onweersproken doeleinden: kunstenaars tegen Apartheid en voor Greenpeace. Pas een paar jaar geleden deed, wellicht als onderdeel van de jaren-zeventignostalgie, een hernieuwd engagement zijn intrede, met Amerikaanse tentoonstellingen als No Laughing Matter en Nederlandse als Ik en de ander. Hoewel de titels een totale humorloosheid doen veronderstellen, is het juist de lichtvoetige, persoonlijke benadering van de grote problemen van deze tijd die de nieuwe betrokkenheid heten te onderscheiden van de jaren zestig en zeventig. Een tentoonstelling M.O.O.I. (Mijn Opvatting Over Internationaal) ligt in het verschiet.
Zo zond de BRT vorige week Reclaiming the Body uit, een rondgang langs Amerikaanse kunstvrouwen die betrokken waren bij de manifestatie Bad Girls in New York. Het kwam erop neer dat de jonge garde feministische kunst minder direct politiek is en minder universele pretenties heeft. Een door conservator Marcia Tucker hooggeprezen kunstenares bracht een enorme collectie roze voorwerpen bijeen en toonde daarmee aan 'dat zelfs kleur seksebepaald is’. Doormijmerend kon ik geen tweede kleur bedenken, terwijl roze overigens van twee walletjes eet. Zo konden wel meer interpretaties van de koude grond met de stencilmachine mee. De kunstenares sprak zelf van een persoonlijke obsessie van jongs af aan, wat perfect de tegenstelling tussen oude en jonge garde illustreert. De meeste jongedames geven van weinig meer engagement blijk dan dat met hun eigen lijf en leed; zwangerschap, het niet bezitten van een extern lid, menstruatie - met ontzag maar een beetje bleek om de neus werd gesproken over een sculptuur van gebruikte tampons. Laat Marthe Roling ’t niet horen.