Niet onaneren en geen alcohol drinken

De psychiater Richard von Krafft-Ebing wordt door Foucault tot de boosdoeners van het ontstaan van de moderne seksuele identiteit gerekend. Maar deze voorloper van de moderne seksuologie wist onderdrukten een stem te geven.

Ben ik wel normaal? Typisch een vraag die je niet moet stellen wanneer je net met je geliefde in bed (of ergens anders) bent beland en over wil gaan tot de juiste seksuele handelingen en rituelen. Hoe gaan we het doen? Ook weer zoiets, alleen deze vraag al kan, wanneer je hem hardop stelt, de lust bij je partner sterk doen verminderen. Hou toch je kop! Niet denken maar doen, misschien moet dit anti-intellectuele adagium ook in de seks de leidraad zijn. Maar ja, dat doen kent natuurlijk z’n beperkingen. De een is homo, de ander hetero. De een wil bloot, de ander gekleed, de een wil voor het open raam, de ander onder de dekens, de een wil het met z’n drieën, de ander alleen als de buurman of buurvrouw toekijkt, de een wil ruw, de ander teder. De een fantaseert over zweepjes, de ander over een tante of oom van vroeger, de een over verkrachting, de ander over ordinaire schoenen. De een komt alleen klaar als het doodstil is, de ander bij keiharde muziek. Tot de laatste categorie hoorden lang geleden buren van ons die altijd pas tot de daad overgingen wanneer ze een sterk ritmisch fragment uit de Carmina Burana van Orff zeer luid afspeelden. We gunden het hun van harte, dat wel, maar de kinderen werden er soms wakker van.
De Weense psychiater Baron Richard von Krafft-Ebing (1840-1902), voorloper van de moderne seksuologie, wist aan het begin van zijn carrière haarscherp wat normale seksualiteit was. Je was normaal als je de liefde bedreef om de soort te reproduceren, procreatieve seks noemde hij dat. De rest was pervers. Heel wat seksuele verschijningsvormen, handelingen en fantasieën die we nu ‘normaal’ vinden, belandden bij hem dus in de hoek van de perversiteiten waarvan je zo snel mogelijk moest zien te genezen. Onanie was bij hem de oorzaak van veel ‘problemen’, je werd er suf van, verloor je levenslust en overmatigheid leidde via allerlei tussenfasen tot de veel gevreesde homoseksualiteit. Een begrip dat hij voor het eerst introduceerde, naast ook door hem gemunte termen als masochisme, sadisme en fetisjisme. Als je hem zijn zin zou geven, bleef voor mannen en vrouwen niet veel anders met elkaar over dan het domineestandje. Tegen het einde van zijn leven stelde hij zich veel liberaler op, seksuele ‘afwijkingen’ en ‘aberraties’ schreef hij steeds minder toe aan ziektes van de hersenen, eerder aan neigingen die niet gevaarlijk hoefden te zijn.
Krafft-Ebing publiceerde een enorme hoeveelheid literatuur over psychiatrie, onder meer over hypnose en in 1879 het veelgebruikte handboek Lehrbuch der Psychiatrie auf klinischer Grundlage für praktische Ärzte und Studirenden. Zijn beroemdste boek was Psychopathia sexualis, dat in 1886 in Stuttgart verscheen en zijn naam internationaal vestigde; er verschenen tientallen drukken en vertalingen, vaak in grote oplagen. Het circuleert nog steeds, af en toe verschijnen ergens op de wereld nieuwe drukken; in gebieden waar seksualiteit sterk in de verbodssfeer zit kan het uitermate bevrijdend werken. Het belandde in de jaren zestig van de vorige eeuw in de hoek van de pornografische literatuur en begon bovendien te fungeren als een soort handboek van ‘aberraties’, je kon je eigen hang-ups er gedetailleerd in terugvinden. Krafft-Ebing moet zich over deze nieuwe functies van zijn boek vele malen in zijn graf hebben omgedraaid. Hij beschouwde het toch echt als een serieuze, wetenschappelijke bijdrage op het gebied van de seksualiteit. Ik bezit een goedkope Amerikaanse pocketuitgave uit 1965, met op het omslag een vaag plaatje van een guitig kijkende naakte vrouw, gelukkig op de rug gezien, anders zou je er wat van denken. ‘All case histories translated into English’, meldt de voorkant trots. Geen overbodige opmerking, want de schrijver vertaalde in zijn ogen al te barre verhalen van zijn patiënten in de eerste drukken in het Latijn, zodat ongeletterden er geen wijs uit konden worden. Het zou ze maar op ideeën brengen.
Krafft-Ebbing was typisch een negentiende-eeuwse geleerde, een encyclopedist, die het ging om beschrijvingen en indelingen van het waarneembare. Psychopathia sexualis bevat 237 ‘gevallen’, vaak aangrijpende autobiografische verhalen van ‘patiënten’ over hun seksualiteit. Ze zijn weliswaar gortdroog van stijl maar lezen niet zelden als een roman. Soms zijn ze zeer uitvoerig, bevatten ze complete levensbeschrijvingen, al laat hij zich niet gaan in erg bloemrijke details en moet je je wel eens een weg banen door het verpletterende seksuele potjeslatijn van die tijd. Hij geeft tussen de gevallen door theoretische uiteenzettingen over en indelingen van de ‘ziektebeelden’ van de ‘patiënten’, plus af en toe een paar therapeutische opmerkingen die vaak neerkomen op het advies niet te onaneren en geen alcohol te drinken. Opvallend is de betrokkenheid van Krafft-Ebing bij zijn patiënten, hij vindt ze wel ‘raar’ maar hij trekt zich niets aan van burgerlijke fatsoensnormen. Je voelt in zijn verslagen oprechte verwondering doorklinken over zo veel hardnekkige inventiviteit op seksueel gebied en over de grote kracht van seksuele drijfveren. Tot zijn verbazing schaamden sommige patiënten zich niet eens voor hun ‘afwijkingen’. Hij publiceert verslagen van homoseksuelen die hoog opgeven van hun seksleven en niet van plan zijn zich ooit te laten ‘genezen’. Hij legde zich steeds meer neer bij de hardnekkigheid van de seksuele neigingen en fantasieën van zijn patiënten en speelde een belangrijke rol in de beweging die wettelijke verbodsbepalingen over de praktisering van ‘afwijkingen’ wilde afzwakken.
De Nederlandse onderzoeker Harry Oosterhuis publiceerde in 2000 in Amerika een buitengewoon interessant boek over Krafft-Ebing, waarin hij de context van diens werk en zijn belang voor modern seksuologisch onderzoek gedetailleerd in kaart bracht. Stepchildren of Nature heet het, met als ondertitel Krafft-Ebing, Psychiatry and the Making of Sexual Identity. Oosterhuis is de eerste onderzoeker die toegang kreeg tot het familiearchief en laat zien dat de casussen – Krafft-Ebing verzamelde er meer dan twintigduizend – volstrekt authentiek zijn. Hij neemt deze pionier gelukkig volstrekt serieus. Het is natuurlijk merkwaardig om bij de meeste casussen van de ‘patiënten’ eerst een kort overzicht te krijgen over de afwijkingen van hun ouders: ‘Patient’s father was neuropathic, and suffered with nightmare and nightterrors. Grandfather was also neuropathic; father’s brother an idiot.’ Maar Oosterhuis toont aan dat in die tijd degeneratie- en erfelijkheidstheorieën, afkomstig uit de biologische wetenschappen, algemeen aanvaard waren. Krafft-Ebing wilde via deze introducties voor zijn vakgebied een hogere status verwerven. Je telde nu eenmaal pas serieus mee – en kreeg meer geld en betere carrièremogelijkheden – wanneer je je als psychiater aansloot bij natuurwetenschappelijke opvattingen die nu uiteraard al lang achterhaald zijn. Je hoeft Krafft-Ebing hierover niet al te hard te vallen, zijn grootste belang schuilt volgens Oosterhuis in de ongegeneerde manier waarop hij zijn ‘patiënten’ aan het woord liet. Hij plaatste hun ‘afwijkingen’ dan wel in hokjes waar we nu misschien wat meewarig om lachen, maar hij laat ze wel ongecensureerd aan het woord komen, voor die tijd ongebruikelijk openhartig en realistisch, zelfs wanneer hun verhalen ingingen tegen zijn eigen theoretische inzichten. In het familiearchief bevinden zich vele, vaak ontroerende briefjes van ‘patiënten’ waarin ze deze voortvarende arts bedanken voor het vertrouwen en voor de geboden gelegenheid zich zo openhartig te mogen uitspreken.
De Franse filosoof Michel Foucault rekende Krafft-Ebing tot de boosdoeners van het ontstaan van de moderne seksuele identiteit, die zich volgens hem nog altijd toenemend laat onderdrukken via een ondoordringbaar netwerk van ‘vertogen’ over seksualiteit binnen allerlei wetenschappelijke instituties. In zijn hoofdwerk Geschiedenis van de seksualiteit (1976, vertaling 1984) beweert Foucault dat je dit soort geleerden (hij noemt Krafft-Ebing op verschillende plaatsen) niet moet opvatten als ‘bevrijders’ van seksuele onderdrukking, maar als een club mensen die juist door hun benoemzucht en indelingsdwang doelbewust mechanismen van onderdrukking in stand hielden en verder vervolmaakten. Hij maakt Krafft-Ebing zelfs belachelijk, achteraf altijd makkelijk natuurlijk. Volgens Oosterhuis gaat Foucault er te makkelijk aan voorbij dat deze voorloper onderdrukten wel degelijk een stem gaf, los van institutionele dwang, en dat zijn casussen sterk dialogisch van toon en opzet waren. Ook meent hij dat Foucault de tegenstrijdigheden binnen het werk van Krafft-Ebing te gemakkelijk over het hoofd ziet en alleen gebruikt wat in zijn kraam te pas komt.
Foucault grossiert volgens mij in dit soort versimpelingen. Hij discussieert hoofdzakelijk op metaniveau met andere wetenschappers en historici en gebruikt alleen wat hem uitkomt, tegenspraken en tegenstrijdigheden laat hij weg. Ook ontbreekt bij Foucault uitvoerig empirisch materiaal van de betrokken ‘onderdrukten’ waarmee hij zijn onderdrukkingshypothese zou kunnen ondersteunen. Bij hem staan overal achter de gordijnen boosaardige wetenschappers die in opdracht van het kapitalisme via ‘vertogen’ doelbewust aan onze seksuele touwtjes trekken om ons klein te kunnen houden. Deze benauwende, paranoïde opzet ontbreekt ten enenmale bij Krafft-Ebing, al is zijn werk nu sterk achterhaald. Bij hem geen alwetend ‘vertoog’ dat letterlijk alles doorziet en inkadert en overheerst, maar verbazing over menselijke inventiviteit en authenticiteit.

Harry Oosterhuis, Stepchildren of Nature.
University of Chicago Press
Richard von Krafft-Ebing, Psychopathia
sexualis. Paperback Library Books
Michel Foucault, Geschiedenis van de
seksualiteit (drie delen). SUN