Europese Literatuurprijs

Niet onderhandelbaar

Fleur Jaeggy, 2005 © Effigie / HH

Ze schrijft vooral korte, ultrakorte zinnen, vaak van niet meer dan één of twee woorden. En die klinken geharnast, weerbarstig, afgemeten – afgebeten is misschien een beter woord, alsof ze wil zeggen: blijf uit mijn buurt of ik mep je weg. Ik heb het over Fleur Jaeggy, over haar extreem compacte roman SS Proleterka – ook al zo’n kortaangebonden titel die verzet, opstand en oorlogszucht suggereert. Het kan niet verbazen dat zij in de schaarse interviews die ze heeft toegestaan vrijwel niets prijsgeeft over haar persoonlijke leven.

Maar het volgende staat wel vast. Jaeggy is in 1940 geboren in Zürich, verhuisde na haar studie naar Rome, raakte bevriend met Thomas Bernhard en Ingeborg Bachmann, verhuisde in 1968 naar Milaan, waar ze werkte voor Adelphi Edizioni, en trouwde met Roberto Calasso, uitgever en erudiet essayist. Ze heeft een klein maar uiterst opmerkelijk, zij het amper opgemerkt, in het Italiaans geschreven oeuvre op haar naam. Verleden jaar introduceerde uitgeverij Koppernik haar met de verhalenbundel Ik ben de broer van XX in het Nederlands, op de voet gevolgd door SS Proleterka.

Jaeggy schrijft geen fictie, ze put uit haar leven. Of liever: ze tast de littekens af die ook decennia later nog schrijnen. Dat wil zeggen: ze geeft een uiterst ingedikte, messcherpe versie van beslissende momenten uit het leven van een vijftienjarig meisje. Je begrijpt al na een paar bladzijden waarom ze nooit heeft staan te springen om het interviewers naar de zin te maken. Haar proza verdraagt het niet in verwaterde vorm herhaald, uitgebreid of toegelicht te worden. Dit is háár versie van wat haar is overkomen, de enige juiste, haar reactie daarop, haar verzet daartegen, en die versie is niet onderhandelbaar. Zelfs het minimum aan wellevendheid waartoe de interviewsituatie verplicht, zou de hardheid van de literaire tekst verslappen, en dus relativeren.

Gaandeweg, maar zeer mondjesmaat, ontdekken we hoe de verhoudingen liggen

En haar verslag van de veertiendaagse cruise met een afgedankte, zwartgeblakerde Joegoslavische oorlogsboot naar Venetië is een en al verzet. Verzet tegen Johannes, de vader, wiens dood haar destijds ‘zelfs niet een beetje bedroefd’ maakte, maar van wie ze nu, ‘vele jaren’ later, de as zou willen hebben. Verzet, meer nog, tegen het vakantievierende gezelschap waar haar vader, en zijzelf dus ook, deel van uitmaakt, de welgestelde mannen en vrouwen van ‘het gilde’, een soort carnavalsgezelschap uit Zürich dat haar met afschuw vervult. Flarden van een traditioneel voorjaarsfeest, waarbij de pop van een sneeuwman wordt verbrand, duiken in het Duits als vloeken, schijnheiligheden en commando’s op in haar verslag. Dan wordt het duidelijk waarom ze moest deserteren, ook naar een andere taal. Gaandeweg, maar zeer mondjesmaat, ontdekken we hoe de verhoudingen liggen.

Als kind moet ze ‘echt innemend en welopgevoed zijn geweest’, maar ze heeft ‘toen ze nog klein was’ afscheid moeten nemen van Johannes; hij is uit het ouderschap ontzet en zij is terechtgekomen bij ‘een dame’, een zeer rijke dame, haar spijkerharde grootmoeder die een ‘ijzige genegenheid’ voor haar toonde. Johannes, ooit erfgenaam van een florerende textielfabriek maar in de crisisjaren financieel geruïneerd, ‘moet haar toestemming vragen als hij me wil opzoeken. Wij willen geen bezoek.’ Wij? Dat is op zijn minst de vraag. Cruciaal is haar reactie op die verstoting. ‘Kinderen verliezen hun belangstelling voor hun ouders als ze worden verlaten. Ze zijn niet sentimenteel. Ze zijn hartstochtelijk en koel tegelijk. In zeker opzicht laten sommigen hun genegenheid, hun gevoelens los alsof het voorwerpen zijn. Vastberaden, zonder verdriet. Ze worden vreemden. Soms vijanden. Ze zijn niet langer in de steek gelaten wezentjes: zíj zijn het die geestelijk de aftocht blazen.’

Nooit eerder had ze haar vader zo lang achter elkaar gezien, de veertiendaagse reis naar Venetië zou trouwens ook de laatste zijn die Johannes met zijn dochter zou maken. Aan boord observeerde zij de ‘schijnwereld’ van hun Zwitserse reisgenoten met koele blik; sommige portretten, zoals dat van de vrouw van een vriend van haar vader, zijn dodelijk. Zij weet zich door die vrouw bekeken ‘door de lens van de minachting’; de vrouw is ‘afgrondelijk hoffelijk’, legt een ‘venijnige mildheid’ en een ‘roofzuchtig mededogen’ aan de dag. Maar niets daarvan in het verslag dat haar vader van de reis maakte. Dat bestaat uitsluitend uit namen en data, ‘in zijn notities is het leven geluidloos en afwezig. (…) Ook na afloop hebben we nooit meer over die reis gesproken.’

In SS Proleterka, congeniaal vertaald door Frans Denissen, worden in honderd bladzijden wel honderd verhalen verteld, associatief verknoopt, eenstemmig maar afwisselend in de ik- en de zij-vorm en vanuit uiteenlopende maar nooit geëxpliciteerde afstanden in de tijd. Dat lijkt misschien het recept voor een compositorisch en niet te volgen rommeltje. Maar dat is het geenszins. Jaeggy slaagt er wonderwel in al die verhalen geserreerd en op een logisch moment te vertellen, zodat ook het stille drama van dit meisjesleven beetje bij beetje onthuld wordt. Dan worden haar kille observaties ook verzacht door momenten van mededogen en bewondering; als haar stokoude grootmoeder eindelijk sterft, schrijft ze bijvoorbeeld dat ‘de dood er plezier in [lijkt] te hebben gevonden zich te laten smeken door die violetblauwe ogen, de mooiste ogen die ik ooit heb gezien’.

Ronduit onthutsend zijn de genealogische onthullingen aan het eind van het boek. Er is sinds de dood van Johannes veel tijd verstreken als zijn dochter een in het Duits gestelde brief krijgt van een oude man, die als een reeks bliksemflitsen eerdere duistere overwegingen in een kortstondig verhelderend licht plaatst. Maar zij ervaart de ‘waarheidsliefde’ van de man als bezitsdrang, en daar geeft ze niet aan toe. Trots, koppig en soeverein, als elke zin in dit door de ziel snijdende boek. Van Roberto Calasso is de uitspraak dat er na Kafka geen grote literatuur meer is geschreven, of woorden van die strekking. Hij zal het werk van zijn vrouw toch wel gelezen hebben?