Niet ontroerd

De laatste tijd druk in de weer geweest met het schrijven van een novelle.

Ik wilde over een vader en een zoon schrijven maar die vader zou niet mijn vader mogen wezen en die zoon moest ‘ik’ niet zijn.

Nu wil ik mezelf absoluut niet op de borst slaan – integendeel – maar ergens midden in het boek staat een passage waar ik, nadat ik hem had geschreven, nogal van in de war raakte. Nogmaals: ik schrijf dit niet op om reclame te maken – ik ben trouwens nog aan het schrijven dus alles kan nog veranderen – maar ik was stomverbaasd over mijn eigen… ja, wat? Ontroering? Nee, dat was het zeker niet. Maar wat dan?

Medium afbeelding 8

Vaak ga ik om een uur of een ’s nachts naar een vriend. We praten dan wat tot een uur of vier over de kranten en de televisie, we bekijken een film of kletsen wat of over ons werk, en om een uur of half vijf, vijf uur gaan we naar huis en naar bed. Ik vertelde over de passage in m’n boek en over het gevoel dat ik niet kon opschrijven. Ontroering was het zeker niet, dat ervaar ik bij sommige gedichten of kunstwerken die als het ware ‘groter zijn dan mezelf’. Vaag – ik weet het, maar de keren dat ik ben volgeschoten, of beter gezegd: tot tranen toe werd ontroerd, was dat op momenten dat ik iemands techniek in balans vond met wat hij wilde uitdrukken, en wat hij wilde zeggen was dan eveneens iets wat me op een of andere manier inzicht verschafte. Moeilijk te omschrijven allemaal.

Maar dat had ik bij mijn eigen passage niet. Ik had iets geschreven dat me opwond.

‘Wil je het schrappen?’ vroeg mijn vriend.

Ik haalde mijn schouders op.

‘Wil je het voorlezen?’

‘Nee’, zei ik, ‘want je hebt er de context bij nodig.’

Ik vertelde nog eens waar de passage over handelde, en dat ik zoiets nog nooit met mijn vader had meegemaakt. Integendeel.

‘Integendeel?’ vroeg mijn vriend.

‘Ja, ik had een hele aardige…’ De zin stokte bij het woord ‘vader’ dat ik had moeten uitspreken, en opeens wist ik het. Ofschoon het verhaal totaal verzonnen was – of nee: juist omdat het verhaal volstrekt verzonnen was, leefde ik al een tijd met de hoofdpersonen. Ik was een paar keer opnieuw begonnen, en had aan de hoofdpersonen zitten slijpen. De vader moest zus en zo zijn, en de zoon meer dit en dat, en dan is de moeder zo… Ik merkte opeens dat ik het me aantrok wat ik mijn hoofdpersoon liet doen. Ik trok het me bijna fysiek aan. Wat ik voelde was geen ontroering. Maar verbolgenheid. Dat is niet kwaad. Kwaad veronderstelt een onmiddellijke reactie. Als je verbolgen bent, ben je kwaad zonder het uit te spreken. Dit zegt niets over hoe ik het geschreven heb – dat kan beroerd zijn, uitleggerig, we zien wel wat de recensenten zullen schrijven als het ooit gerecenseerd wordt – maar ik voelde verbolgenheid op een van mijn hoofdrolspelers. Dat had ik nog nooit eerder gehad. Ik schrijf elke dag wel iets. Ik voel me daarin een oprechte amateur. Ik kan niet zonder schrijven. Ik beweer wel eens dat ik leef en denk via het schrijven – dat ik ook nog eens met de hand doe. Verbolgenheid… ik moest er steeds aan denken.

Mijn vriend die op een totaal ander vlak een veel groter kunstenaar is dan ik en regelmatig op het toneel staat, herkende het wel. ‘Ik heb wel eens een typetje bedacht waar ik last van kreeg, zonder te weten wat voor last ik van hem had. Toen ik hem op de dvd terugzag na hem honderd keer te hebben gespeeld, zag ik opeens een ploert die ik tien jaar eerder was geweest.’