Niet over moslims

Ik had nog nooit van ‘de wet van Godwin’ gehoord, maar hij staat op Wikipedia en hij luidt: 'Naarmate online discussies langer worden, nadert de waarschijnlijkheid van een vergelijking met de nazi’s of Hitler.’
Je voelt onmiddellijk de juistheid van die wet - en je weet ook dat hij niet alleen geldt voor online discussies, maar eigenlijk voor alle discussies.
De zinnen vlak voor de vergelijking zijn vaak aardig.
Ziekenzorgdiscussie: 'De AOW was eigenlijk een uitvinding van Bismarck.’
De discussie over de Verenigde Naties: 'Willen die niet één groot wereldrijk, vandaar dat ze de vrijheid van meningsuiting niet zo hoog hebben zitten?’
De democratiediscussie: 'Is democratie wel zo effectief?’
Dit zijn zinnen uit discussies die ik in de loop van de tijd voor de radio heb gevoerd en die altijd uitdraaiden op vergelijkingen met nazi’s of Hitler. En bijna elke keer dat ik sprak over Wilders ging de discussie ook die kant op, al is dat het laatste jaar minder geworden, met een opleving na het idiote pamflet van Rob Riemen, die inderdaad de PVV met het nazisme vergelijkt en dat doet nadat hij eerst een roffel op de eigen borst heeft gegeven en vervolgens versterkte pauken zijn woorden laat onderstrepen om zijn eigen geparfumeerde stijl te overstemmen, die een schromelijk gebrek aan zeggingskracht heeft.
Maar het spel 'Kunnen we de fascisten of de nazi’s hierin betrekken’ is ook aardig. Spelregel: de discussie moet zo onbelangrijk mogelijk zijn. Bijvoorbeeld: 'Moeten stoeptegels niet iets lichter grijs van tint worden, zodat ze meer licht terugkaatsen, wat in het belang van ouderen is, die die stoeptegels dan beter kunnen zien?’ Hoe snel kun je dan uitkomen op de fascisten of de nazi’s met een logische redenering. (Het communisme mag je hier ook bij betrekken. Ik heb gemerkt dat veel discussies tegenwoordig eveneens uitkomen op 'het kapitalisme’, soms ook wel 'het ongebreidelde kapitalisme’ genoemd, en je kunt vervolgens zeggen: 'Je weet toch dat het begrip “kapitalisme” een uitvinding is van de communist Marx?’)
De winnaar is degene die de fraaiste redenering kan maken die leidt tot het fascisme en nazisme (of communisme - je mag ook zeggen: 'Fascisme of communisme… dat is allemaal dezelfde ellende.’)
Een andere trend die je merkt is dat door het 'Godwinnen’ het nationaal-socialisme salonfähiger is geworden. Althans, ik hoor veel meer dan vroeger de zin: 'Het is socialisme hè, weliswaar nationaal-socialisme, maar ze komen meer overeen met het socialisme dan je denkt.’
En nog nooit heb ik zo in extenso horen uitleggen wat het verschil was tussen de nazi Hitler (racist) en de fascist Mussolini (geen racist) als in deze tijd.
Eigenlijk moet je concluderen dat we nu in een tijdperk leven waarin generalisaties die ons na de Tweede Wereldoorlog zo beheerst hebben aan het imploderen zijn: nationaal-socialisme, fascisme, communisme, links, rechts; in de taalkunde is het al jaren bekend dat elke generalisatie uiteindelijk zijn waarde verliest, maar in ons dagelijks leven dringt dat maar moeizaam door. Vermoedelijk omdat we voor bepaalde verschijnselen nog geen adequate termen hebben gevonden. We doen het af met 'neoconservatief’ waarvan we de vlotte ballerige jongens dan liefjes 'neocons’ noemen, alsof het de naam van een popgroep is, of we spreken over 'links-liberaal’ of 'groen-rechts’.
Ik noem mezelf anarcho-liberaal. En ik zie de mensen dan denken: o ja, een rechtse hippie met wat links strooigoed.
Ik schrijf dit stukje in Italië (Rome) waar
ik één dag ben om te praten over een toneelstuk. In de etalage van een boekwinkel zag ik een nieuwe studie over Mussolini en, net als in Nederland, een nieuwe vertaling van Het Kapitaal van Marx.
Typerend voor deze tijd?