MARTINUS NIJHOFF, AWATER

Niet overheen lezen

Martinus Nijhoff, Awater. Edited by Thomas Möhlmann. Anvil Press Poetry, 112 blz., $ 13.00

De raadselachtige helderheid van Nijhoffs grootste gedicht blijft niet altijd behouden in de Engelse vertalingen ervan. Maar een bijzonder werk blijft het.

Van het mooiste gedicht in de Nederlandse taal, Awater van Martinus Nijhoff (verschenen in Nieuwe gedichten uit 1934), verschenen vorig jaar in één boek drie vertalingen in het Engels, ingeleid door Thomas Möhlmann. De oudste vertaling, door de dichter zelf nog enthousiast begroet, is van Daan van der Vat, gepubliceerd in 1949. Daarop volgde in 1961 een vertaling in het blad Delta van de hand van de native speaker James S. Holmes, en de Australische schrijver en vertaler David Colmer maakte een nieuwe vertaling speciaal voor dit boek, dat wordt afgesloten met een essay van Nijhoff-kenner Wiljan van den Akker. In ieder geval twee beroemde Engelstalige dichters hebben Awater gelezen en geprezen: T.S. Eliot en Joseph Brodsky. Eliot zei dat als Awater in het Engels was verschenen, het wereldberoemd zou zijn geweest en Brodsky beschouwde het gedicht als ‘one of the grandest works of poetry in this century’. Hopelijk bereikt deze boekuitgave een nieuwe generatie poëzieliefhebbers in het Engelse taalgebied en misschien is het aardig om eens te kijken wat ze dan, naast het origineel, te lezen krijgen.

Ik citeer de vier eerste regels van het gedicht (Van der Vat heeft er vijf):

Nijhoff (1934)

Wees hier aanwezig, allereerste geest,

die over wateren van aanvang zweeft.

Uw goede oog moet zich dit werk toe keren,

het is gelijk de wereld woest en leeg.

Colmer (2010)

Be here with me, immortal timeless being

that moves upon the face of nascent waters.

You cannot but look kindly on this work,

it is as void and formless as the world.

Holmes (1961)

Be present here, spirit primordial

that hovers over waters of beginning.

Bend your benignant eye upon this work:

it is as void and formless as the earth.

Van der Vat (1949)

Promordial Ghost, Spirit of Genesis,

Haunting the waters of earth’s infancy

Abide with me and bend Thy gracious eyes

Upon this work, which out of chaos rising

Appears as void and formless as the earth.

Ik vind 'immortal timeless being’ (de twee adjectieven betekenen ongeveer hetzelfde), 'moves’, 'nascent waters’ en de hele derde regel bij Colmer minder dan bij Holmes, al heeft die weer 'earth’ in plaats van 'world’. Alle drie vertalen ze Genesis 1:1, 'woest en ledig’ met 'void and formless’ en ik hoop nu maar dat de Engelse bijbelvertaling ook zo begint. Maar dan Daan van der Vat! Hij was geen native speaker maar veel erger is dat hij dingen vertaalt die er helemaal niet staan ('out of chaos rising’) of vertalingen presenteert die ver van het origineel staan, of beide ('Spirit of Genesis’).

In het algemeen geven de vertalingen van Holmes en Colmer een goed beeld van Nijhoffs meesterwerk, al laten beide vertalers wel eens een steekje vallen, Colmer iets meer dan Holmes. Als Awater in het restaurant laat weten dat hij liever niet optreedt, wijst hij 'naar ’t servies’ omdat hij liever had 'dat men hem eten liet’. Bij Colmer geeft Awater aan dat hij liever had dat 'people left him to his dinner’ om dan te verwijzen naar… 'the empty table’.

De grote problemen met het vertalen van Awater liggen echter op een ander gebied en worden door de vertalers niet of nauwelijks onderkend. Men zegt altijd dat de echte Nijhoff in Nieuwe gedichten de alledaagse werkelijkheid opzoekt in alledaagse taal, zie bijvoorbeeld het beroemde sonnet De moeder de vrouw ('een minuut of tien dat ik daar lag’). Ook Awater staat in een geur van alledaagsheid maar als je goed kijkt, betreft dat alleen de omgeving waarin het verhaal (het is tenslotte een episch gedicht) zich voltrekt: straatbeelden, een accountantskantoor, een café, een kapperszaak, een 'meeting’ op het stationsplein. Heel alledaags in 1934! Maar helemaal niet alledaags zijn de zinnen die vooral qua woordkeus en woordvolgorde voortdurend uit de pas lopen van wat we gewend zijn.

Een paar voorbeelden. Niet overheen lezen. Zelfs 'begoot’ in plaats van 'goot’ zou nog vreemd zijn, vergeleken met 'water gaf’ in: 'Vandaag, toen ik voor ’t raam de bloemen goot’. Verder: 'ploegt door het woelend haar de kam de scheiding’; 'Hij komt gesneld van boven,/ zandstenen trappen af langs slangen koper’; 'Er staat geschreven: scheren en haarsnijden’; 'ik zet mij/ als wie zijn beurt wacht, op een stoel terzijde’; 'Een heer die zich op ’t podium verhief’; 'Ik zorg - want het is stil en de straat nauw -/ gelijke tred met Awater te houden’; 'Mijn bezorgdheden worden menigvoud’.

Natuurlijk heeft in veel gevallen de assonantie-dwang tot deze compacte zinnen geleid maar dat betekent alleen maar dat Nijhoff het zo wilde, want anders had hij het klinkerrijm wel overboord gezet. Deze voortdurende lichte afwijking van wat de lezer gewend is, geeft Awater die vervreemdende toets die de zo gewone werkelijkheid op een mysterieus plan tilt en dat sluit aan bij de inhoud van het gedicht dat in tegenstelling tot De moeder de vrouw stelt dat de werkelijkheid al wonderlijk genoeg is. Deze afwijking van de standaardtaal is nauwelijks te vertalen, maar precies daarin is Awater het meesterwerk geworden dat het is.

Ten slotte nog even iets over The Waste Land van T.S. Eliot waarmee Awater vaak wordt vergeleken. Dat zal te maken hebben met het type poëzie dat beide heren voorstaan, een poëzie die zich afwendt van het persoonlijke en zich keert naar het bovenpersoonlijke - in de kern samengevat in Nijhoffs beroemde uitspraak (die je al bij Mallarmé vindt…) dat je een gedicht met woorden schrijft, niet met gedachten (of gevoelens). De woorden moeten bij de lezer iets teweegbrengen, noem het een esthetische ontroering, en dat Awater die uitwerking heeft zal duidelijk zijn, de grootheid van het gedicht zit ’m in de taal, niet in de gedachten, al zijn die ook interessant. Hoe is dat bij The Waste Land?

Ongeveer het omgekeerde. The Waste Land mist de esthetische uitwerking van Nijhoffs gedicht, daarvoor is het te kaal van taal, te saai zelfs in beschrijvingen van dorre landschappen, drukke binnensteden of het boudoir van een of andere courtisane, zelfs de James Joyce-achtige dialoog in een kroegscène klinkt zo niet gekunsteld dan toch verzonnen en dat is precies wat dit hele gedicht aankleeft: het komt niet uit de taal, het heeft zich niet organisch ontwikkeld uit een nog niet helemaal begrepen idee, het is niet geschreven met woorden maar met gedachten. Nu komt mijn belangrijkste bezwaar: het is voor de lezer onmogelijk deze 'gedachten’, die zijn ondergebracht in een collage van principieel onsamenhangende onderdelen, op eigen kracht uit het gedicht te distilleren. Ik heb het gelezen in de tweetalige keuze uit de gedichten door W. Bronzwaer (Ambo 1983) die ook bij The Waste Land uitvoerig commentaar geeft en volgens hem is het hoofdthema 'de mislukking van de seksuele ontmoeting als teken van spirituele verarming’. Nu ben ik een vaardige poëzielezer maar dat had ik er onmogelijk uit kunnen halen.

Met betrekking tot een ander gedicht spreekt Bronzwaer van 'Eliots techniek om door middel van toespelingen op mythische, literaire of zelfs picturale parallellen zijn poëzie diepgang te verlenen’. En inderdaad, deze poëzie bezwijkt ongeveer onder een 'stortvloed van citaten’ (Bronzwaer), die je niet of nauwelijks als zodanig herkent - voer voor academici. Maar ik wil geen (hedendaagse) poëzie lezen die expres zo gemaakt is dat je een paar honderd pagina’s commentaar nodig hebt om er iets van te begrijpen. Ik wil een poëzie die zich onmiddellijk toegang verschaft tot mijn geest, ook al begrijp ik nog niet wat er staat - volgens Eliot een belangrijk kenmerk van poëzie.

Maar dan niet van de zijne. En wel van die van Nijhoff. Dat kan de Engelstalige lezer nu inzien. Wat een Vermeer-achtige helderheid treft hem in dit gedicht maar wat een raadselachtige helderheid is het ook bij nadere kennismaking. En wat het mooie is: hij ervaart dat hij niemand anders nodig heeft om toegang te krijgen tot dit meesterwerk dan zichzelf. Zelfs Eliots mooiste regel - 'These fragments I have shored against my ruins’ - legt het af tegen die van Nijhoff: 'Ieder woord vernieuwt de stilte die het breekt.’