Amerika in Irak

‘Niet schieten is het beste wapen’

Het belangrijkste aspect van Bush’ nieuwe Irak-strategie werd nauwelijks opgemerkt. De Amerikaanse strijdkrachten gooien het roer om.

De nieuwe Irak-strategie die president Bush afgelopen donderdag in een nationale toespraak presenteerde, werd in Nederland door commentatoren en politici door de gehaktmolen gehaald. ‘Alleen maar twintigduizend man naar Irak sturen, daar zijn we al jaren mee bezig. Dat heeft tot niets geleid’, zei minister Ben Bot van Buitenlandse Zaken vrijdag na afloop van de ministerraad. De Volkskrant betreurde ‘een vlucht naar voren’ die niet meer was dan ‘een gok’. NRC Handelsblad noemde de nieuwe strategie ‘een fout’ en vatte haar samen als ‘meer troepen zonder meer visie’.

Maar achter Bush’ woorden schuilt wel degelijk een visie. Die kreeg de afgelopen maanden gestalte. Dat proces was te volgen in hoorzittingen van de Senaat, waar minister van Defensie Robert Gates en Condoleezza Rice van Buitenlandse Zaken uitgebreid aan het woord kwamen. Ook na de toespraak van Bush gaven zij interviews die de televisiewoorden van Bush van diepte voorzagen.

‘De toespraak is ingekort van veertig naar twintig minuten. Daardoor kon president Bush de ingewikkelde materie niet goed uitleggen’, zegt Anthony Cordesman, militair analist en Irak-expert van het Center for Strategic and International Studies in Washington. ‘Betreft het een gecoördineerde aanpak? Is er een gedetailleerd plan? Jazeker. Dat betekent niet dat deze strategie ook gaat werken, maar we hebben geen keus. Dit is de minst slechte optie en die moeten we serieus proberen uit te voeren.’

De troepensterkte verminderen en de handen van Irak aftrekken is volgens hem de slechtste oplossing. Dan wordt het apocalyptische beeld dat Bush in zijn toespraak schetste van een land in de greep van extremisten, waar terreuraanslagen op het Westen worden voorbereid, gefinancierd met oliedollars, wellicht werkelijkheid. ‘Als er nog een optie is die dit kan voorkomen, moeten we die serieus bekijken’, zegt hij.

Ook Zaki Chehab, Midden-Oosten-expert en politiek redacteur van al-Hayat, wijst het plan niet af: ‘Bush wil eindelijk alle elementen bijeenbrengen die nodig zijn om de opstand aan te pakken: militaire slimheid, economisch inzicht en antisektarische politiek. Het zal lang duren voor het werkt. We moeten het proberen.’

In zijn toespraak stelde de president méér voor dan slechts het sturen van troepen. Het gaat om 21.500 man. Vierduizend gaan naar de soennitische provincie Anbar, waar buitenlandse strijders van al-Qaeda veel invloed hebben. De rest komt terecht in Bagdad. De troepen gaan er deelnemen aan het derde grote offensief om de hoofdstad te redden uit de gewelddadige greep van soennitische rebellen en sjiitische milities. Bush benadrukte dat de Irakezen zelf de strijd zullen leiden. Zij benoemen een commandant en twee vice-commandanten om het offensief in Bagdad te leiden. De Amerikaanse troepen worden ingezet ter ondersteuning van de Iraakse. Er worden trainers, maar ook Amerikaanse gevechtstroepen gekoppeld aan Iraakse eenheden. Eén Amerikaanse brigade voor elke Iraakse divisie.

Naast deze militaire maatregelen kondigde Bush aan dat het aantal provinciale reconstructieteams (prt’s) wordt uitgebreid. prt’s zijn naar Irak overgewaaid vanuit Afghanistan. Daar wordt getracht stukje bij beetje vertrouwen voor de regering te kweken met lokale opbouwprojecten die vanuit prt’s worden opgezet. Bovendien kondigde Bush een diplomatiek offensief aan in het Midden-Oosten, vooral gericht op de Golfstaten Saoedi-Arabië, Jordanië en Egypte – de directe buren van Irak die nodig zijn om te voorkomen dat het land uiteenvalt.

Het belangrijkste aspect van Bush’ toespraak lijkt velen ontgaan, terwijl het toch meer dan een miljoen gewapende Amerikanen betreft: de strijdkrachten van de VS hebben het roer omgegooid in hun benadering van de oorlog in Irak. In zijn toespraak legde Bush uit dat meer troepen nodig zijn, omdat de strategie drastisch veranderd is. Hij trok het boetekleed aan. Er waren eerder te weinig troepen, zei hij, om de gebieden die gezuiverd waren van opstandelingen in handen te houden en de bevolking de gelegenheid te geven het normale bestaan weer op te bouwen. ‘Als er fouten zijn gemaakt, dan zijn die mij aan te rekenen.’

De nieuwe strategie is samen te vatten als clear and hold, de oude als capture and kill. Ook deze noties circuleren al maanden in Washington. Ze kwamen naar voren in hoorzittingen van de Senaat, in militaire publicaties en in artikelen in onder andere het weekblad The New Yorker.

Het is gedaan met de opvattingen van Donald Rumsfeld, de vorige minister van Defensie. Rumsfeld en de militairen in de generale staf die hun oren naar hem lieten hangen, voorzagen niet dat een breed gedragen opstand zou uitbreken. Toen die eenmaal op gang kwam, weigerden ze die te erkennen. Het ‘i-woord’ (insurgents) was verboden in beleidsstukken en op persconferenties. Er was geen strategie om de opstand te keren, behalve dan de opstandelingen op te jagen en te doden of gevangen te nemen. Om dat te bereiken waren er veel te weinig troepen, die bovendien te hard optraden tegen de bevolking en zich van haar afzonderden in grote, geïsoleerde bases. Zij hadden domweg de verkeerde orders.

De geschiedenis van contraguerrilla en counterinsurgency leert dat het bevechten van een opstand veel troepen vergt en een langdurige operatie is. Twintig procent militair, tachtig procent politiek, luidt de vuistregel. Elke onschuldige burgerdode is een flinke stap terug in de strijd. Dit is het beleid dat Nederland voert in de Afghaanse provincie Uruzgan, en vooralsnog heeft dat succes. De Nederlandse krijgsmacht heeft ervaring opgedaan met counterinsurgency in de lange Atjeh-oorlog, tijdens de politionele acties en in vredesmissies als die in Cambodja, Macedonië en Kosovo.

In december werd haast geruisloos een nieuw Amerikaans counterinsurgency field manual gepubliceerd. Het vorige counterinsurgency-handboek van het leger was twintig jaar oud. Dat van het US Marinecorps zelfs 25 jaar. De inzichten in het soepel geschreven nieuwe handboek zijn afkomstig uit eerdere contraguerrillacampagnes, zoals de Amerikanen die voerden in de Filippijnen en Vietnam. Maar ook en vooral uit Irak en Afghanistan. ‘Counterinsurgency is een strijd om de bevolking te winnen’, staat al in de introductie geschreven, ‘dat is effectiever dan het bevechten van de opstandelingen.’ Het is het dogma van de nieuwe Irak-strategie. Elke militaire actie moet vooraf bekeken worden op negatieve effecten voor de bevolking. Zijn die onomkeerbaar, dan volgt geen actie.

Officieren krijgen vuistregels mee als: ‘Soms is niets doen de beste reactie’, ‘soms is niet schieten het beste wapen’, ‘tactisch succes (een gevecht winnen – jb) garandeert niets’, ‘het succes van de counterinsurgency hangt af van hoe weinig geweld wordt gebruikt’. In het handboek wordt gewaarschuwd dat counterinsurgency in veel opzichten indruist tegen de traditionele manier van Amerikaanse oorlogsvoering, waarin juist vuurkracht centraal staat. Ook het ooit zo vermaledijde nation building is weer helemaal terug. ‘Soldaten en mariniers moeten zich voorbereiden op het uitvoeren van vele niet-militaire missies. Iedereen speelt een rol bij nation building, niet alleen het ministerie van Buitenlandse Zaken en civil affairs-personeel.’

Het inzicht dat de strijd in Irak op de verkeerde leest was geschoeid, ontstond het eerst bij commandanten te velde. Dat gebeurde op verschillende plekken. De notie dat hier een contraguerrilla werd uitgevochten, en dat de troepen daarop niet waren voorbereid in hun opleiding, sijpelde langs vele wegen door naar het opperbevel. Maar Donald Rumsfeld hield het wijzigen van de strategie keer op keer tegen en weigerde meer troepen te leveren. Het boetekleed dat Bush in zijn toespraak aantrok, past hem niet. Het stinkt naar de gewezen defensieminister.

In de herfst van 2005 ging voor het eerst een officier openlijk in tegen Rumsfelds lijn van capture and kill. Kolonel McMaster voerde het bevel over het Third Cavalry Regiment. Hij kreeg de opdracht Tal Afar, bij de Syrische grens, in te nemen. De stad werd geterroriseerd door soennitische opstandelingen. De sjiitische minderheid had de controle over de politie-eenheden in de stad en beantwoordde de soennitische moordpartijen met het uitzenden van doodseskaders in soennitische wijken.

Voor zijn uitzending naar Tal Afar schreef McMaster het boek Dereliction of Duty: Lyndon Johnson, Robert McNamara, the Joint Chiefs of Staff, and the Lies That Led to Vietnam. Het was de weerslag van zijn tussentijdse geschiedenisstudie en werd gepubliceerd in 1997. In zijn boek betoogde hij dat de president en de minister van Defensie ten tijde van Vietnam elke tegenstand tegen de door hen gekozen militaire optie de nek omdraaiden en dat dat een belangrijke reden was dat de oorlog zo desastreus verliep. Hij zag hetzelfde proces in Irak en besloot de zaken eigenzinnig aan te pakken. Bij een eerdere actie rond Tal Afar was de stad gezuiverd van rebellen, maar vervolgens weer in hun handen gevallen, toen de Amerikanen zich hadden teruggetrokken.

Na drie dagen hard vechten had hij de stad in handen. Toen al circuleerden notities van veldcommandanten in Irak, die aan collega’s uitlegden hoe het wél moest. Samen met de ervaringen van McMaster zouden ze de aanzet vormen voor het counterinsurgency-handboek_._ McMaster had zijn missie goed voorbereid. Hij had zijn mannen maandenlang getraind op counterinsurgency-acties. Hij stuurde van elke eenheid iemand naar Arabische les en ontwierp oefeningen in complexe situaties, waarin burgers en opstandelingen niet te onderscheiden waren. In Tal Afar droeg hij zijn officieren op veel contact te zoeken met de bevolking om vertrouwen te winnen en inlichtingen over de opstandelingen te verzamelen. Na de inname van de stad bleven zijn troepen intensief patrouilleren. Een Iraakse brigade ging daarbij steeds voorop. Soennieten en sjiieten werden met elkaar in contact gebracht om een verzoening af te dwingen en beide gemeenschappen kregen de kans zonen te leveren voor de lokale politietroepen. Het gevolg was dat de situatie in Tal Afar veel stabieler werd dan iemand had durven hopen.

Het model van de kolonel van Tal Afar is het model voor de nieuwe Irak-strategie van Bush. De president laat er geen gras over groeien. McMaster had de steun van een hoge officier, luitenant-generaal David Petraeus. Hij is de belangrijkste auteur van het nieuwe counterinsurgency-handboek. Bush heeft hem benoemd tot commandant van de troepen in Irak. Petraeus is een slimme ijzervreter, zoon van een Nederlandse koopvaardijofficier, en diende als commandant van de 101st Airborne Division in Irak. Hij leerde er zijn lesje the hard way en raakte twee keer gewond.

Maar hoe hoopvol ook, de nieuwe strategie kent vele zwakke punten. En wellicht, zo menen Cordesman en Chehab, komt ze te laat. De strijd tussen soennieten en sjiieten is inmiddels zo fel dat het de vraag is of die nog gestopt kan worden. De Amerikanen zijn al een tijd de controle over de gebeurtenissen kwijt en de Iraakse regering heeft evenmin greep op de milities die elkaar bevechten.

Voor een effectieve counterinsurgency zijn meer troepen nodig dan Bush nu levert, melden verschillende militaire analisten. Maar volgens Anthony Cordesman is het belangrijker dat de beschikbare eenheden op de juiste manier worden gebruikt. ‘Het grootste probleem zijn de Iraakse veiligheidstroepen. Die zijn geïnfiltreerd door sjiitische milities. Ook de effectiviteit van schone eenheden is een probleem. Lange tijd was het trainingsprogramma beneden peil. Nu gaat het beter. Maar niemand weet of premier Nouri al-Maliki genoeg goede eenheden zal kunnen leveren.’

Een Arabische correspondent van The Guardian, die zich vrij door Bagdad beweegt, zocht contact met soennitische commandanten en ontdekte afgelopen week dat zij zich nauwelijks meer richten op het bevechten van de Amerikanen. Al hun inspanningen zijn erop gericht zich de sjiitische politieagenten en militairen van het lijf te houden. Ze voelen zich verraden door al-Qaeda, dat de soennieten opzette tegen de sjiieten, waarna de sjiieten de veiligheidsdiensten infiltreerden en keihard terugsloegen.

Hoe raar het ook klinkt, dáár liggen kansen voor de Amerikanen, denkt Zaki Chehab. ‘Maliki heeft zesduizend agenten en militairen ontslagen. Er is een grote zuivering aan de gang. Ik geloof niet in een Balkanachtige burgeroorlog. Dit is nog te keren, als de Iraakse veiligheidstroepen samen met de Amerikanen het vertrouwen weten terug te winnen.’ Ook Cordesman ziet kansen: ‘Zowel Bush als Maliki heeft aangekondigd dat geen enkele extremist, soenniet of sjiiet, zal worden ontzien tijdens de nieuwe offensieven. Dat is de enige manier om het sektarisme de kop in te drukken. Nergens in Irak is de situatie zo ernstig als in Bagdad. Daar moeten we ons mengen in een burgeroorlog van wijk tot wijk. In andere delen van het land is het rustiger.’

Volgens Chehab wordt er achter de schermen op allerlei niveaus met allerlei groepen gesproken. Er zijn contacten tussen de Iraakse regering, de Amerikanen en soennitische opstandelingen. En hij vermoedt dat er ook onderhandelingen gaande zijn met Muqtada al-Sadr, leider van het zestigduizend man tellende Mahdi Leger, de beruchtste sjiitische militie, die in Najaf en Kerbala veldslagen leverde met Iraakse veiligheidstroepen en Amerikanen. ‘Maar met al-Sadr valt te praten’, zegt Chehab. ‘En met praten kun je een oorlog winnen.’

Chehab schrijft al meer dan 25 jaar over het Midden-Oosten. Vorig jaar kwam in Nederland zijn boek Irak in lichterlaaie uit. Daarin koppelt hij gesprekken met machthebbers aan zijn veelvuldige reizen in Irak, waar hij optrok met stamleiders, rebellencommandanten en brave burgers. Hij staat op het punt opnieuw naar Irak te vertrekken. ‘Eigenlijk wil niemand dat de Amerikanen verdwijnen, zelfs veel opstandelingen niet. Iedereen beseft dat zij de enigen zijn die kunnen voorkomen dat het sektarische geweld heviger wordt. De Irakezen zijn heel wantrouwend, maar ze willen graag geloven in de regering. Laten we ze dan die kans geven en de regering van Maliki ondersteunen.’

THE LESSON OF TAL AFAR
Artikel van George Packer in The New Yorker, over de succesvolle aanpak van kolonel McMaster in Tal Afar.

The jihad now is against the Shias, not the Americans’ Bloedstollend artikel uit The Guardian pver de burgeroorlog tussen soennieten en sjiiten, van acher het front: bevat onder meer gesprekken met soennietische rebellencomandanten.

Field Manual Counerinsurgency
De nieuwe contraguerrilla-strategie van US Army en US Marinecorps (decemer 2006)