Het publieke debat: Het compromisloze denken van Gabriël van den Brink

‘Niet schuilen in de salon’

De publieke intellectueel moet het hoogste denken verbinden aan alledaagse ervaringen, vindt hoogleraar Gabriël van den Brink. Deze week spreekt hij zijn afscheidsrede uit aan de Universiteit van Tilburg. ‘Ik wil naar de harde werkelijkheid, daar waar het krast.’

Medium rc20151120 gabriel van den brink 11

Gabriël van den Brink, tegenwoordig een van de gangmakers in het publieke debat, dong eind jaren tachtig tevergeefs naar een functie in de academische wereld. Voor de universiteiten was de intellectuele alleseter tot wie hij zich had ontwikkeld te veel een buitenbeentje. Typerend was het argument waarmee de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (nwo) een onderzoeksvoorstel van hem afwees: ‘Zijn creativiteit keert zich tegen hemzelf’, stond er letterlijk in het negatieve advies.

Zijn wraak is zoet, nu hij deze week aan de Universiteit van Tilburg toch als hoogleraar afscheid kan nemen. In de tussenliggende jaren heeft hij zich ontwikkeld tot een publieke intellectueel die zich bij voorkeur in kwesties mengt waarin de maatschappij onder spanning staat, ook als de eigenzinnigheid waarmee hij dat doet nieuwe controverses met de academische wereld oproept. Hij werpt zich er met hartstocht en gretigheid in: ‘Het is evident dat ik veel plezier heb in openbaar optreden.’

Het behoort volgens hem tot de verantwoordelijkheid van de intelligentsia om naar buiten te treden met ideeën uit de wetenschap, de cultuur en de geestelijke geschiedenis die het denken over maatschappelijke conflicten verder kunnen brengen. En eenmaal buiten moet de intellectueel vooral goed om zich heen kijken, zegt Van den Brink, om de sores van het dagelijkse bestaan in zijn wetenschappelijk werk te kunnen betrekken. Het gaat hem om die dubbele beweging, waarbij de werkelijkheid van de samenleving en de wereld van de intellectuele beschouwing bij elkaar komen.

‘Zo bewijst intellectuele creativiteit haar nut’, aldus Van den Brink, met het afwijzingsbriefje van de nwo in gedachten. ‘Niet schuilen in de culturele salon of wegkruipen in een academische conferentie om daar onder elkaar de wereld te bespreken, want dan blijft het een onderonsje. Dat vind ik net zo gemakzuchtig als het omgekeerde: tegen het volk aanschurken en napraten wat je daar hoort. Ik wil het hoogste denken dat we hebben, dat kan Plato zijn, dat kan Kant zijn, you name it, verbinden met de veelheid van alledaagse ervaringen, positief en negatief, problematisch, irrationeel. Mensen vinden het moeilijk om hun verwachtingen en teleurstellingen, die hele zielenstrijd, te verwoorden. Ze zijn dankbaar als iemand die ervaringen weet te verwoorden, dankzij zijn academische vorming en zijn kennis van literatuur, filosofie of geestelijk erfgoed. Daarmee bewijst hij hun zowel als de publieke zaak een dienst. Dat is wat een publieke intellectueel naar mijn overtuiging moet doen.’

De vrucht van zijn eigen intellectuele creativiteit is de driedelige uitgave Omwille van de publieke zaak die uitgeverij Boom ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar in een cassette uitbrengt. Het is geen intellectueel testament: Van den Brink is allesbehalve van plan zich uit het debat terug te trekken. Na Tilburg gaat hij aan de Vrije Universiteit samenwerken met de filosofen Ad Verbrugge en Govert Buijs. Omwille van de publieke zaak is wel een soort meesterproef, een balans van zijn denken en hoe zich dat heeft ontwikkeld sinds de jaren zeventig, toen hij in Nijmegen afstudeerde als filosoof, marxistisch georiënteerd, zoals zovelen in de Nijmeegse intelligentsia van die tijd.

In de drie delen kiest Van den Brink telkens een van de drie hoofdvragen van de filosofie die Immanuel Kant ooit formuleerde als thema: wat kan ik weten? Wat moet ik doen? Wat mag ik hopen? Het eerste geschrift in de cassette is een kentheoretische beschouwing, waarin Van den Brink een nieuwe definitie van ‘het weten’ formuleert. Van den Brink: ‘Dat essay is een plaatsbepaling van het academische kennen en weten. Volgens mij gaat het daarmee niet goed. De academie overschat de betekenis van de eigen kennis nogal en onderschat het belang van andere vormen van weten.’

In het slotdeel formuleert hij in 26 lemma’s de grondbegrippen die voor het begrijpen van de moderne samenleving van belang zijn, van A tot Z, van Agressie tot Zorgzaam. Het meest spraakmakende geschrift belooft de uitgewerkte versie van zijn afscheidscollege te zijn. Van den Brink spreekt daarin zijn kennis van uiteenlopende disciplines als filosofie, bestuurskunde en biologie aan voor een beschouwing over het falen van de Nederlandse politiek. De politiek van nu, ontluisterend kaal, gaat volgens hem vooral om het verwerven, uitoefenen en behouden van macht. De ideeënstrijd, minstens zo essentieel als het gevecht om de macht, komt er bekaaid vanaf. De politiek lijdt daardoor aan ‘morele leegte’, betoogt hij, waardoor de morele gevoeligheid die burgers in het dagelijkse leven aan de dag leggen niet tot haar recht komt. De maatschappij betaalt daarvoor de prijs van een breed levende politieke onvrede, concludeert hij.

Met zijn afscheidsrede, die hij op 27 november uitspreekt, wil Van den Brink ook zijn nieuwe definitie van het weten beproeven: ‘Weten komt voort uit een duurzame verbinding tussen het denkbare en het waarneembare. De menselijke geest beweegt zich onafgebroken en brengt oneindig veel denkbeelden, symbolen, verhalen, ideeën voort. Het weten ontstaat pas wanneer dit denken in verband wordt gebracht met het waarneembare. Dat kunnen concrete situaties of voorvallen zijn, maar ook maatschappelijke problemen of de gevoelens van medemensen. Eigenlijk alles wat zich buiten ons hoofd afspeelt. Beslissend is dat er iets gebeurt wat weerstand aan ons denken biedt. Daar ligt het verschil tussen weten aan de ene kant en geloven, hopen of verwachten aan de andere.’

Medium essay 20kleur
‘Om welke cultuur het ook gaat, tegenstellingen hebben het openbare spreken en denken al snel in hun greep’

De publieke intellectueel moet zich dit kenmerk van het weten realiseren, zegt hij: ‘Hoe mooi hij zijn verhaal ook verwoordt, het blijft in de lucht hangen als de verbeelding die hij oproept niet is verbonden met een waarneembare maatschappelijke ervaring. Je kunt het ook omkeren: ieder succesvol boek, politiek programma of journalistiek product dat de tongen in beweging zet heeft dat succes meestal te danken aan de reële ervaringen waarbij het aansluit.’

De wending die Paul Scheffer in 2000 teweegbracht met zijn artikel Het multiculturele drama is volgens Van den Brink nog altijd een treffend voorbeeld: ‘In de binnenkamers van de wetenschap was al van alles opgeschreven over de maatschappelijke spanningen die de immigratie onvermijdelijk veroorzaakt. Maar dat werd in het publieke debat pas werkelijk een thema toen Scheffer er in de krant over begon. Had hij statistische metingen of ander wetenschappelijk onderzoek verricht? Op dat moment nog niet erg veel. Waarom dan toch dat succes? Hij had het goed geschreven, hij koos het juiste moment, hij brak met de linkse terughoudendheid over dit onderwerp, maar het belangrijkste was dat hij een ervaring die veel mensen deelden raak formuleerde. De sfeer in de stad was veranderd en Scheffer, merkte hij, was niet de enige die dat ondervond. Dat was een impuls om opnieuw na te denken over de multiculturele samenleving.’

Een publieke intellectueel die is geoefend in het onbevangen leggen van verbindingen tussen zijn gedachtegang en zijn waarnemingen kan de waarheidsvinding verder brengen. Een voorwaarde is dat hij zijn denken weet te bevrijden uit het geijkte patroon waarin de werkelijkheid wordt voorgesteld als een geheel van tegenstellingen, zoals goed versus kwaad of religie versus wetenschap. Zo kan de publieke intellectueel dan behulpzaam zijn bij het vullen van de lacune die politiek en media in hun rol van waarheidszoekers laten vallen.

Van den Brink: ‘In Het wilde denken betoogt de Franse antropoloog Claude Lévi-Strauss dat het spontane denken en het alledaagse taalgebruik zijn vervuld van opposities. De media en de politiek vergroten dat uit. De politiek zoekt houvast bij het aanbrengen van scheidslijnen. Het is altijd progressief óf conservatief, vriend óf vijand, voor óf tegen. De media zitten in hetzelfde spoor, meer dan ooit. Het columnistendom lééft van dergelijke tegenstellingen. Dat is zo langzamerhand een kermis, met de ene stunt na de andere, en misschien vervult het een functie, maar ik zou de meeste van onze columnisten geen publieke intellectuelen willen noemen. Een paar uitzonderingen als Bas Heijne daargelaten.’

De media, de tv voorop, zijn volgens hem gebrand op het brengen van een ‘spannend verhaal’, geconstrueerd aan de hand van tegenstellingen. Van den Brink: ‘Zo zit de publieke verbeelding in elkaar, niet sinds gisteren maar sedert mensenheugenis. Daar ligt ook het begin van alle mythologie. Antropologen proberen te begrijpen hoe zo’n mythologie functioneert. Ze articuleert vooral tegenstellingen: hemel versus aarde, goed tegen kwaad, schurk tegen held. Zonder dit soort tegenstellingen kan een cultuur eigenlijk niet over zichzelf denken. In het bijbelboek Genesis, een verbeelding van de oorsprong van de wereld, brengt God orde in de chaos door scheidingen te maken, tussen hemel en aarde, licht en duisternis, aarde en water en zo verder. Om welke cultuur het ook gaat, tegenstellingen hebben het openbare spreken en denken al snel in hun greep.’

Van den Brink zegt dat mythologie en media tegenwoordig dicht bij elkaar liggen. ‘Ik denk dat de media eerder de wetten van de mythologie dan die van de waarheidsvinding volgen. Hoe stellen we het zo voor dat ons verhaal zo spannend mogelijk is? Ook de journalistiek is in dat opzicht veranderd. Lange tijd lag daarin de nadruk op objectiviteit, verslaglegging, de scheiding van meningen en feiten, controleerbaarheid. De eis van het vak was dat het moest kloppen. Persoonlijke opinies of indrukken moesten achterwege blijven. Dat is nu anders.’

Hij betwijfelt of de commercialisering de enige oorzaak van die tendens is: ‘De maatschappelijke dynamiek is anders, met meer gevoel, meer stemmingen, heftiger dan vroeger. We kunnen de media dus niet langer beschouwen als de objectieve waarnemers die ons vertellen hoe de werkelijkheid in elkaar zit. Ze vervullen een andere functie, waarin publieke meningsvorming belangrijker is dan werkelijkheid.’

De waarheidsvinding in de wetenschap levert volgens Van den Brink een specifiek type kennis op. Hoe nuttig ook, daarmee komt het ‘publieke weten’ niet vanzelf tot stand. ‘Wetenschappelijke kennis spoort zelden met de ervaringen van de burgers. Ik functioneer met genoegen in de wetenschap, ik verdien er mijn brood mee en zie veel waardevolle inzichten ontstaan, maar zelf heb ik altijd geprobeerd dat wat academisch en theoretisch relevant is in verband te brengen met werkelijkheden van andere aard. Met levenservaringen, maatschappelijke ervaringen, gebeurtenissen die niemand had verwacht.’

In de wetenschap houdt men zich aan disciplinaire grenzen. Daar zijn op zich goede redenen voor, zegt Van den Brink, maar de schaduwkant is dat men al gauw in een tunnel opereert: ‘Het woord tunnelvisie verbeeldt dat effect. In de tunnel is je blikveld beperkt en ben je ook nog eens afgeschermd van alles wat zich buiten die buis bevindt. In de ene tunnel bediscussiëren psychologen psychologische testen en psychologische inzichten, waardevolle kennis, maar eenzijdig, hoogst eenzijdig. Tien meter hoger zijn de economen een andere tunnel aan het graven en weer twintig meter verder de geografen. Het probleem is dat ze elkaar niet treffen. In hun eigen tunnel komen de psychologen er niet achter hoe hun kennis zich verhoudt tot de economische en de geografische. Ik wil me in de publieke sfeer mengen in publieke zaken en dan is het essentieel dat ik alles wat buiten gebeurt in me opneem, doordenk en omzet in nieuwe inzichten.’

‘Ik denk dat de media eerder de wetten van de mythologie dan die van de waarheidsvinding volgen’

Ook de kritische denktraditie aan de universiteiten is volgens hem ontspoord in eenzijdigheid, waardoor haar bijdrage aan de waarheidsvinding klein is. Van den Brink: ‘Wat ik tegen heb op al die kritische studies, de minderhedenstudies, de black studies, de vrouwenstudies, is dat ze nauwelijks verder komen dan het veroordelen van het kapitalisme of het patriarchaat. Hun onderzoek heeft de vorm van een vicieuze cirkel. Zij bestuderen elkaars geschriften, die halen ze dan aan en dan blijkt telkens weer hoe verderfelijk dat patriarchaat en het kapitalisme zijn. Van mij mag het, maar het heeft in termen van kennis zelden betekenis, want er zijn nog steeds mannen op de wereld en het kapitalisme is weliswaar niet honderd procent een succes, maar het socialisme bestaat helemáál niet meer. Welkom in de werkelijkheid.’

Verontwaardigd: ‘Wat koop ik voor al die opvattingen? De een formuleert het nog briljanter dan de ander, maar briljante verwoordingen van illusies, daarin ben ik niet zo geïnteresseerd. Het is eigenlijk allemaal ijdelheid en het najagen van wind. Daarin ben ik een echte protestant! Ik wil af van dat intellectuele narcisme, ik wil naar de harde werkelijkheid, daar waar het krast, waar het niet klopt, waar je ijdele denkbeelden worden beproefd.’

Dat kritische denken denkt van zichzelf dat het enorm kritisch is, zegt hij, maar in werkelijkheid is het vol van zichzelf, niet bereid tot zelfkritiek. ‘Dit is de tirannie van de voorhoofdskwab, zal ik maar zeggen: je kunt eindeloos redeneren, praten, en het klopt altijd. Dan denk ik: so what? Publieke intellectuelen moeten zich interesseren voor de ongemakkelijke werkelijkheid. Dat is niet eenvoudig. Dan moet je andere registers opentrekken dan de eigen redeneerkunst, de eigen tekstvaardigheid, de eigen slimheid. Dus ja, de publieke intellectueel behoort tot een elite, maar dan wel een elite die zich verbindt met het gewone leven. Anders krijg je Nexus.’

Hij is gebeten op Nexus, het Tilburgse instituut onder leiding van Rob Riemen, dat als culturele denktank een ‘contrapunt’ beoogt te zijn voor ‘kleinheid van geest, de troosteloosheid van het niets weten en het fanatisme van het enig weten’. Van den Brinks weerstand lijkt verrassend. Nexus wil participeren in het intellectuele debat. Het doet dat door de tunnels van de wetenschappelijke disciplines te verlaten en het Europese cultuurgoed in zijn kunstzinnige, levensbeschouwelijke en filosofische samenhang te bezien, om zo inzicht te bieden in eigentijdse kwesties.

Van den Brink: ‘De beschaving verdedigen door je alleen tot de elite te richten, daar heb ik geen waardering voor. Het denkschema van Nexus stelt nog altijd een cultuur van de elite tegenover die van de massa. Dat vind ik een achterhaalde tegenstelling, ongeschikt om te begrijpen wat er in de samenleving gebeurt. Dus als je de beschaving wilt redden: graag! Ik teken ervoor. Maar dan moet je niet, zoals Nexus doet, alleen met Nobelprijswinnaars en andere grootheden komen, want zij kunnen prachtige boeken schrijven, maar je gaat mij niet vertellen dat Mario Vargas Llosa ons serieus van advies kan dienen over een Amsterdamse probleemwijk. Hij mag misschien de gevaarlijke wijken in Lima kennen, de problematiek in De Baarsjes of De Banne zal hem vreemd zijn.’

Gabriël van den Brink (1950) begon zijn vorming als intellectueel met de studie filosofie, maar kreeg het in zijn Nijmeegse studentenkamer al snel benauwd van het introverte in Ludwig Wittgensteins stelling: ‘De grenzen van mijn taal betekenen de grenzen van mijn wereld.’ De volgende tien jaar van zijn wetenschappelijke leven (1985-1995) besteedde hij daarom aan een uitputtende feitelijke studie. In zijn proefschrift De grote overgang, volgens Geert Mak een excellente vorm van micro-geschiedschrijving, beschreef hij aan de hand van de wederwaardigheden van het kleine Brabantse dorp Woensel op alle terreinen van het leven de overgang van het Ancien Régime naar de moderne tijd (1670-1920).

Naar eigen zeggen was Van den Brink na deze studie het marxisme voorbij. Hij kwam tot de bevinding dat geestelijke en culturele invloeden een samenleving minstens zozeer vormen als economische en materiële. Sindsdien zoekt hij de thema’s van zijn boeken of onderzoeken bij normatieve kwesties die maatschappelijk actueel zijn, zoals het geweld op straat (Agressieve jongeren in 2001 en Publiek geweld in 2003), de invloed van het management op het werk (Beroepszeer in 2005 en Beroepstrots in 2009), het belang van idealen in de moderne samenleving (De Lage Landen en het hogere in 2012) en de noodzaak van plichtsbesef en normhandhaving in een vrij land (Schets van een beschavingsoffensief in 2004).

Naar aanleiding van de agressieve vijandigheid die in de vluchtelingencrisis de kop opsteekt, schreef Maxim Februari in NRC Handelsblad dat je een beschaving in stand houdt door haar te belichamen, niet door haar hardhandig te verdedigen. ‘Een beschaving blijft alleen overeind als je zelf beschaafd blijft’, schreef hij. Behalve in de medemenselijkheid die je vluchtelingen betoont, reageert Van den Brink, belichaam je beschaving in je gedrag, in je woorden, in de toon waarop je spreekt.

‘Ik ben het helemaal met Februari eens. “Belichamen” is voor mij een dierbare term. In het christendom, dat veel heeft bijgedragen aan de vorming van onze cultuur, heeft de these van de menswording van God het Westen ervan doordrongen dat goede bedoelingen alleen tellen als ze in het gedrag tot uiting komen. Jezus belichaamt die gedachte. Zijn levensverhaal is geen verhaal van grote woorden, maar van een goed te begrijpen, aanschouwelijke spirituele leider die tot de verbeelding van de ongeletterden spreekt en zeer aards aan zijn einde kwam. Het normatieve heeft praktische consequenties: je moet zelf ook voldoen aan de waarden die je in de omgang tussen mensen belangrijk acht. Dat is de enige manier om geloofwaardig te zijn.’

‘Je gaat mij niet vertellen dat Mario Vargas Llosa ons serieus van advies kan dienen over een Amsterdamse probleemwijk’

Hij zegt dat mensen in een split second zien of iemand oprecht is in zijn goede bedoelingen. ‘Neurologen en biologen kunnen precies uitleggen hoe dat in zijn werk gaat. Dat maakt het zo lastig om op televisie te liegen. We zien zo’n gezicht op de tv soms van heel dichtbij en al onze antennes registreren of iemand al dan niet de schijn ophoudt. In onze visuele maatschappij is Machiavelli’s advies dat de vorst goed moet schijnen terwijl hij slecht handelt moeilijk vol te houden.’

Hij voelt zich geruggensteund door de ontdekkingen die de biologie op het vlak van sociaal gedrag en moraliteit heeft gedaan, vooral dankzij het pionierswerk van Frans de Waal. ‘Het is niet zo dat dieren louter achter hun eigenbelang aan lopen en alleen mensen morele wezens zijn. Ook dieren hebben oog voor het belang van anderen. Ze zorgen voor elkaar, ze troosten een ander als die is verwond, ze zijn in staat tot verzoening als er ruzie is geweest. Dat is hoopvol. Het betekent dat onze moraliteit een erg lange voorgeschiedenis heeft en niet zomaar een moderne uitvinding is, laat staan een dun laagje vernis. De moraliteit is ingebed in onze natuur en had miljoenen jaren nodig om zich te ontwikkelen.’

Van den Brink vindt deze nieuwe kennis in de biologie van filosofisch belang voor het mensbeeld. ‘Het duidt erop dat het sociale gevoel diep in onszelf wortelt. Dat verklaart waarom alle grote religies en wereldbeschouwingen op eenzelfde boodschap uitkomen. Het gaat om de gulden regel: “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.” Dat idee zou zonder elementair moreel besef niet kunnen bestaan.’

Volgens Van den Brink is het een kenmerk van de moderniteit dat mensen niet meer berusten in het aardse lijden. Het geloof in een betere wereld verhuisde van het hiernamaals naar de geschiedenis en zelfs naar het heden. Er ontstonden politieke bewegingen die ernaar streefden deze ideale wereld te realiseren.

‘Zo opgevat wordt de moderniteit gekenmerkt door pogingen dat ideaal ernstig te nemen. De moderniteit leeft niet alleen van de verbeelding van hoe het zou kunnen zijn, maar vraagt zich daarbij af welke taken zich dan hier, op aarde, aandienen. Dat gaat natuurlijk gepaard met teleurstelling en cynisme omdat het lang niet altijd lukt. Cynici zeggen dan: doe die idealen maar weg want het lukt niet. Dat vind ik erg naïef. Er is in de wereld veel wat niet klopt, maar je kunt de uitspraak dát het in de wereld niet klopt alleen doen als je ook een idee hebt over hoe de wereld zou moeten zijn. Iedereen die zegt dat de beschaving niet meer is dan een dun laagje vernis beseft niet hoe massief de verbeelding van een betere wereld in ons zelf werkzaam is.’

Voor het begrip van politiek is de overgang naar de moderniteit cruciaal, zegt hij. Idealiter verwoorden politieke bewegingen hun eigen ideaalbeeld van die betere wereld, schetsen ze de weg er naartoe en geven ze aan welke middelen ze daarvoor willen inzetten. Daarmee wordt de crisis waarin de politiek volgens hem verkeert meteen duidelijk.

De belangrijkste oorzaak is dat de hoofdstroom van de politiek de belofte van een betere wereld niet meer verwoordt en zich beperkt tot een zakelijk beheer der dingen. Het brede politieke midden is vervlakt. Er zijn binnen de oude orde van de drie volkspartijen nog wel verschillen van inzicht, maar van een ideeënstrijd tussen vvd, pvda en cda over de gewenste inrichting van de maatschappij is niet veel meer te bespeuren. Hun oriëntatie is verlegd van de maatschappelijke buitenwereld naar de bestuurlijke binnenwereld. Daardoor maakt het niet echt uit wie met wie regeert.

Van den Brink: ‘Men kan ook zeggen dat deze partijen overschakelden van de volksmodus naar de staatsmodus. Vooropgesteld: Nederland wordt niet slecht geregeerd. Met onze welvaart, productiviteit, burgerrechten en het ontbreken van corruptie zijn we een van de meest geavanceerde landen van het continent. Maar redelijkheid kan ook ontaarden in een uitruil waardoor je een nietszeggend gemiddelde krijgt. Dat komt in het Nederlandse bestuur keer op keer voor. De een zegt twintig, de ander zegt tachtig, en samen komen ze op vijftig uit. Dat is een pragmatische, door onze handelsgeest ingegeven manier om met tegenstellingen om te gaan. Begrijpelijk, maar met de maatschappelijke spanningen van nu kan dat eigenlijk niet.’

Met compromisvorming, het onschadelijk maken van het conflict, laten kwesties rond integratie of vluchtelingen zich moeilijk hanteren, zegt hij. ‘Je neemt een kilo angst en een kilo overmoed, dat tel je op en deel je door twee en dan heb je moed. Nee, in de politiek moet de dialectiek z’n werk doen, het gevecht. Je moet het conflict aangaan, argumenten in de strijd werpen, met passie en theater, en dan ontstaat op een gegeven moment dat midden. In die dynamiek kan het innemen van een radicale positie verhelderend zijn.’

‘Er is aanleiding voor hoop, mits mensen kritisch blijven nadenken en hun idealen hoog houden’

Door de fixatie op het bestuurlijke en verwaarlozing van ‘het politieke’ is volgens Van den Brink een ‘morele leegte’ in de politiek ontstaan, die contrasteert met de morele gevoeligheid van mensen. In zijn studie De Lage Landen en het hogere, gebaseerd op harde cijfers en talloze interviews met mensen in diverse lagen van de bevolking, concludeert Van den Brink dat de meeste Nederlanders niet primair door eigenbelang worden gedreven. Zij stemmen hun keuzes wel degelijk af op geestelijke waarden en morele gevoelens. Het gaat om beginselen als eerlijk zijn, de waarheid spreken, recht doen aan gelijkwaardigheid, respecteren van mensenrechten. Op de vraag wat echt belangrijk is in het leven noemde de overgrote meerderheid (88 procent) dit soort ideële motieven. Niet meer dan twaalf procent van de ondervraagden gaf de hoogste prioriteit aan materiële zaken als een goed inkomen.

Het beeld van een toenemend egoïsme en voortgaande verloedering strookt niet met de feiten, blijkt uit dat onderzoek. De cynische grote monden zijn ver in de minderheid. Er zijn maar weinig burgers die zich calculerend gedragen. Het probleem is dat de politiek haar beleid juist baseert op het beeld van de calculerende burger en meer uitgaat van wantrouwen dan van vertrouwen. Controledrift en een meer repressieve rechtsstaat zijn daarvan de manifestaties. Goedwillende onderdanen herkennen hun morele gevoeligheden niet in het politieke bedrijf, met een toenemende onvrede als gevolg.

Van den Brink is daarom niet verbaasd over de bevinding van het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp) dat politici volgens Nederlanders in hun eigen wereld leven, waardoor ‘gewone burgers te weinig te zeggen hebben’. Het vertrouwen van Nederlanders in de democratie is weliswaar onverminderd hoog, maar dat in de politiek zakt weg, constateerden scp-onderzoekers Paul Dekker en Josje den Ridder in het rapport Meer democratie, minder politiek.

Van den Brink: ‘De politiek focust op een systeemwereld waarin de regels op een correcte manier worden toegepast, terwijl de uitkomst in de ogen van het grote publiek soms onmenselijk is. Herinner je het drama dat zich voordeed toen de overheid de jonge Mauro naar Angola wilde uitzetten. Gevoelens van menselijkheid en gangbare procedures stonden lijnrecht tegenover elkaar. De beschavingsnorm bleek haaks op de wettelijke regel te staan, waardoor het de overheid ontbrak aan overtuigingskracht om deze maatregel te rechtvaardigen. De kwestie-Mauro was exemplarisch voor een overheid die is vervallen tot een ontzielde bureaucratie. Het probleem is dat de institutie die de bureaucratie een zekere bezieling zou moeten geven, de politiek dus, het laat afweten.’

Zelfs in de vluchtelingencrisis, een kwestie waarin Europa wordt beproefd op zijn engagement met mensenrechten, zijn politici terughoudend in hun morele stellingname. Typerend is de uitspraak van pvda-leider Diederik Samsom dat de mensen in deze kwestie geen behoefte zouden hebben aan ‘een verhaal’. In algemene zin zei vvd-leider Mark Rutte al eens dat hij wars is van een visie op een betere maatschappij: ‘Visie is als de olifant die het uitzicht belemmert.’ In de eurocrisis, een testcase voor de Europese solidariteit, zei pvda-minister Jeroen Dijsselbloem dat hij tegen een ‘ideologische’ benadering is.

De partijen buiten de bestuurlijke orde hebben daarentegen nog wél een verhaal, hoe vuig soms ook. In de vluchtelingencrisis reikt Geert Wilders zijn aanhang met woorden als ‘testosteronbommen’ en ‘asielinvasie’ een afgerond wereldbeeld aan. Of dat beeld in overeenstemming is met de feiten is minder belangrijk dan dat het Wilders’ potentiële kiezers bevestigt in hun idee dat het in Nederland goed toeven is voor criminelen en gelukszoekers.

Van den Brink: ‘Op zich ben ik niet onder de indruk van Wilders’ retorische kwaliteiten. Wat hij goed kan is het bespelen van zijn publiek. Dat aspect staat in de klassieke retorica als pathos te boek. Maar hoe staat het met de twee andere elementen die men van oudsher met ethos en logos aanduidt? Weet Wilders als spreker bepaalde waarden overtuigend naar voren te brengen? Dat is al een stuk minder, vind ik. Al was het alleen maar omdat hij nooit verantwoordelijkheid neemt. Het ethische aspect van zijn verhaal heeft hij niet op orde. En overtuigt hij als politicus die weet waarover hij spreekt? In mijn ogen niet. Hij staat wel te roepen maar qua logos blijft hij onder de maat. Zijn succes is vooral dat hij de verwachtingen waarin mensen worden teleurgesteld in politieke munitie weet om te zetten.’

Zo speelt Wilders in op de vrees dat vluchtelingen de banen van laagopgeleide Nederlanders zullen inpikken. Van den Brink: ‘Ik begrijp dat mensen dat angstbeeld hebben. Dat komt ook doordat hun verwachtingen over de bescherming die de politiek biedt niet zijn uitgekomen. Er is veel industrie verdwenen, waardoor het vakmanschap van de betrokken arbeiders op slag nutteloos werd. De verzorgingsstaat zou hun bescherming bieden, maar de ene na de andere regeling is afgeschaft. Vind je het gek dat die mensen boos zijn? Wie komt er op voor de lager opgeleide Nederlanders? De staat steeds minder, de hoger opgeleiden evenmin, de oude politiek zwijgt. Mijn bezwaren tegen de politiek gaan dus niet alleen over hogere waarden, maar ook over iets klassieks als de georganiseerde solidariteit die niet meer functioneert.’

Achter de boosheid van de mensen gaat volgens Van den Brink het gevoel schuil dat zij in de steek zijn gelaten door de twee politieke bewegingen die ooit hadden beloofd om hen te beschermen tegen de uitwassen van een markteconomie: ‘De christen-democraten en de sociaal-democraten. Dat is de blinde vlek van cda- en pvda-politici. Zij falen in het leggen van een verbinding tussen hun gedachtegoed en de ongelijkheid die toeneemt. Ik vind het daarom te gemakkelijk Wilders of de SP te beschuldigen van angstzaaien. Had het dan zelf beter gedaan.’

Van den Brink wil niet tot pessimisme vervallen. Daar is geen aanleiding voor, nu maatschappelijke krachten in belangrijke mate het falen van de politiek goedmaken: ‘De samenleving herbergt veel mensen die het goede nastreven en daarvoor nieuwe interessante coalities sluiten. Er is bijvoorbeeld in het bedrijfsleven iets aan het veranderen. Ik dacht vroeger dat alles wat te maken had met marktpartijen nooit moreel zou kunnen zijn. Dat is niet meer vol te houden. Je ziet in de top van bedrijven als Shell en Unilever dat er ondanks alles meer aandacht voor duurzaamheid of maatschappelijke effecten ontstaat. In de praktijk zijn er allerlei mixen van commercieel en maatschappelijk engagement.’

De werkelijkheid is dus ingewikkelder dan de karikatuur van het kapitalisme ons doet geloven, zegt hij. ‘De moraal zoekt de richting van de markt op, naarmate zij uit de sfeer van de staatsmacht verdwijnt. De consumenten, bezorgde burgers en actiegroepen zitten ook niet stil. Zij verhogen de druk en verstandige ondernemers reageren daarop. Zij moeten de continuïteit van hun bedrijf veiligstellen. Maatschappelijk verantwoord ondernemen is daarvan een uitvloeisel. Dat is nieuw, dat hadden we in het oude kapitalisme niet.’

Als gevangene van het Italiaanse fascisme typeerde politicus en filosoof Antonio Gramsci, de eerste leider van de Italiaanse communistische partij, zijn houding als: pessimisme van de rede, optimisme van de wil. Van den Brink: ‘Dat zei hij in een van de zwartste jaren van de twintigste eeuw. Gegeven zijn situatie zou men zijn woorden kunnen uitleggen als het krachtige voornemen het vol te houden in een tijd waarin hij weinig reden had voor hoop. Wat is in deze tijd het antwoord op de derde vraag van Kant: wat mag ik hopen? Er is aanleiding voor hoop, mits mensen kritisch blijven nadenken, de problemen onder ogen zien en hun idealen hoog houden, ook als zij het zichzelf daarmee moeilijk maken. Zelf zou ik bij een andere houding onrustig worden. Het geeft innerlijke rust als je er niet omheen draait en zo eerlijk mogelijk bent, zegt wat je meent en probeert te doen wat je zegt.