TONEEL

‘Niet slecht, Toergenjew is beter’

De meeuw (2)

In 1983, toen hij artistiek leider was bij Globe in Eindhoven, regisseerde Gerardjan Rijnders zijn eerste Tsjechov, Drie zusters. Die zat vol met commentaar en nogal wat goeie maar ook een paar bijzonder flauwe grappen. Zo zat er een klein draaitoneel in waar de oude huishoudster van de familie tot haar grote verbazing bijna van aflazerde als het te pas en te onpas begon te draaien. Toen het decor in de oude Parkschouwburg in Hoorn werd afgebroken belde een verontruste inspeciënt naar Eindhoven dat er iets was met waterschade in de panelen. Waarop hij als antwoord kreeg: maak je geen zorgen, dat decor is van zichzelf zo lelijk. Max Arian schreef toen in deze kolommen: ‘De voorstelling is keihard, iedere gevoeligheid of sentimentaliteit is uitgebannen. Maar ze is tegelijkertijd een komedie vol dubbele bodems.’
Die dubbele bodems zijn er in Rijnders’ regie van De meeuw bij impresariaat Hummelinck Stuurman niet. Commentaar is overbodig geworden, Tsjechov vertelt zichzelf. In een schaamteloos direct toneelidioom. Paul R. Kooij speelt de beheerder Sjamrajev van het armlastige landgoed. Hij is een boer, een bijzondere boer, hij ziet wel eens een toneelzaal van binnen en hij kan daardoor een aardig potje meekletsen over toneelspelers en operazangers, waarmee je als boer een leuke binnenkomer hebt in dit gezelschap van artiesten, maar verder is hoogzomer toch vooral de tijd om het rogge van het veld te halen en daar is-ie bijzonder nuchter over, wat regelmatig totaal verkeerd valt en tot komische ruzies leidt.
Tsjechov zelf zit altijd in de artsen die in zijn stukken rondwandelen (hier in de mooie sidekick Dorn van Titus Muizelaar). In De meeuw zit er ook een stuk van hem in de gearriveerde schrijver Boris Alexejevitsj Trigorin. Naast Sjamrajev is hij zo'n beetje de enige man in het gezelschap die echt werkt. Tsjechov noemt hem een 'belletrist’, zeg maar een broodschrijver die aan zijn boeken verslaafd is geraakt. Rijnders vergelijkt hem met Simon Carmiggelt, die op de vraag 'waarom schrijft u’ altijd placht te antwoorden: 'Omdat de koeriersjongen van de krant ’s middags mijn stukje komt ophalen.’ Die Trigorin wordt nogal eens gespeeld zoals zijn jongere rivaal Kostja hem in het stuk beschrijft, 'beroemd en totaal blasé’.
In deze voorstelling speelt Cees Geel Trigorin en Nina en hij hebben tegen het eind van het tweede bedrijf een lange scène samen. Nina zwelgt zo'n beetje in een bakvisbewondering, Trigorin stelt daartegenover: schrijven is gewoon werk, en vaak word ik gewoon gek van dat werk. Rijnders en dramaturg Janine Brogt hebben in hun bewerking vaardig de stofkam gehanteerd. Op een bepaald moment stelt Nina de volgende vraag: 'Maar de inspiratie en het creatieve proces moeten u toch verheven en gelukkige momenten schenken?’ (in de vertaling van Yolanda Bloemen en Marja Wiebes, Plantage, Russisch Theater, 2008). In deze versie van De meeuw klinkt dat zo: 'Maar het werk zelf, het schrijven, wordt u daar wel gelukkig van?’ Zonder ijdelheid of onbeschaamde versierfoefjes geeft de Trigorin van Cees Geel hier antwoord op zo'n vraag, dat het schrijven zelf en het lezen van de drukproeven nog wel gaat, maar ja, dan komen de lezers en hun commentaren: niet slecht, maar Toergenjew is beter. Samen maken Cees Geel en Eline ten Camp van die scène een mooi, eenvoudig, sober brok kamermuziek, spelen zoals het is geschreven, en neem rustig van me aan, simpel is dat niet, het is hard werken, en precies dát zie je er weer niet aan af.
Groots toneel dus met kleine maar effectieve speelmiddelen. Volgend jaar Oom Wanja, het jaar daarop De kersentuin. Ik kijk er nu al naar uit.

Komende weken in Arnhem, Hoorn, Doetinchem, Heerlen, Breda en Apeldoorn en daarna van 24 mei t/m 5 juni in het De La Mar Theater in Amsterdam, www.tsjechov3.nl