John le Carré’s ambivalentie jegens Moskou

Niet spotten met Rusland

Russen zijn bloedfanatiek, geniaal, en hebben mooie vrouwen. De ergernis over de stereotyperingen van Le Carré valt opvallend genoeg mee.

De sufste dooddoener over Rusland is dat het land ‘een raadsel verpakt in een geheim verpakt in een mysterie’ is. De uitspraak komt van Winston Churchill, de Johan Cruijff van de internationale politiek. De Britse premier kon niet verstouwen dat Rusland groter, ouder en gevaarlijker was dan zijn eigen als een kaassoufflé imploderende wereldrijkje. Churchill verpakte zijn dédain. Maar de boodschap was ondubbelzinnig. De Rus is onvoorspelbaar, lees: irrationeel, onbezonnen, onbetrouwbaar, barbaars, geniepig, explosief. Met de Koude Oorlog op het punt van uitbarsten ging de wise crack er in als koek.
Het was immers tijd voor een nieuwe vijand. Joden afschilderen als het kwaad had aan populariteit ingeboet; de mof bleek al snel een dik wezen dat hinderlijke kuilen graaft maar ook de kassa doet rinkelen. En een vijand van formaat was de Rus, want wat hij niet kan bezitten steekt-ie immers in brand (zoals Moskou nadat het was ingenomen door Napoleon) en wanneer hij even geen tegenstander verplettert, richt hij zichzelf wodkagewijs te gronde. Beide met meedogenloze minachting voor het leven.
'De Russen begrijpen de wortel niet. Alleen de stok heeft enig effect’, merkt James Bond op in From Russia with Love, de roman uit 1957 waarmee Ian Fleming en zijn superspion Bond wereldberoemd werden. En daarmee was de Hun met A-bom decennia ons oerschrikbeeld. Nog in 1985 werd de vader van alle Amerikanen, John Rambo, gemarteld door Russische soldaten - waarna hij het hele Rode Leger eigenhandig aflegde; hing Elfstedentochtwinnaar Evert van Benthem in zijn boerderij een poster op met de tekst 'liever een raket in mijn tuin dan een Rus in mijn keuken’; jankte popartiest Sting een plaatje vol waarop hij het als taboedoorbrekend te interpreteren vermoeden uitsprak dat Russen ook van hun kinderen houden. Stalin, Chroesjtsjov of Gorbatsjov: Dzjengis Khan in driedelig grijs.
Met de ineenstorting van de Sovjet-Unie leek het gedaan met de boosaardige Rus. Het land zou immers 'normaal’ worden, met het communistische regime van het toneel. Even was de Rus zelfs een hulpbehoevend wezen. Zo zamelde de Nederlandse Vara in 1990 met het tv-programma Help de Russen de winter door voedsel en medicijnen in voor het op dat moment hongerige land. Ook Hollywood stak begin jaren negentig graag een handje uit. Eerst nog bij het overlopen naar het Westen (Sean Connery in The Hunt for Red October), maar al snel bij het opbouwen van Rusland, met echte politie, echte bedrijven, echte politici. Aan het thema van Amerikanen die het Kremlin helpen om een gewoon land te bouwen werden gedurende de eerste vijf jaar van de jaren negentig veel films (type: Police Academy: Mission to Moscow), maar ook veel serieuze academische studies (steekwoord: transitie-economie) gewijd. Met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze razendsnel in de vergetelheid raakten. Rusland had niet zo veel aan de instant-oplossingen van Washington.
Zo rond 2000 werd met het aantreden van Vladimir Poetin als president duidelijk dat Rusland zijn eigen weg zou zoeken. Licht geërgerd dat men in Moskou zo'n rommeltje had gemaakt van het mooie kapitalisme, liet Hollywood alle hoop op normalisering varen. De onvoorspelbare Hun maakte al snel een glorieuze comeback, nu als een maffiose woesteling of ontspoorde veiligheidsdienstmedewerker, maar nog altijd gelieerd aan het Kremlin. John le Carré’s Dima in zijn nieuwste roman Ons soort verrader is daar de meest beschaafde variant van, een late bekeerling die uit het ruige leven van de Russische misdaad wil stappen voor het te laat is.
Maar Le Carré is de laatste om het kwaad ergens anders dan thuis te zoeken. Uiteindelijk schrijft deze linkse patriciër een bureaucratiekritiek van zijn eigen land. 'Het is mijn gefundeerde conclusie’, zo laat Le Carré ook nu weer een van zijn hoofdfiguren zeggen, 'dat wij als voormalige grote natie lijden aan top-down institutioneel verval.’ Zijn schrijvershart gaat uit naar Engelsmannen die tegen wil en dank voor het vaderland of voor hun idealen vechten, die strijdend ten onder gaan tegen het cynisme en het opportunisme waar de wereld van de veiligheidsdiensten van doordrenkt is. De Russen zijn daarbij uiteindelijk niet meer dan achtergrond, geniale wetenschappers en bloedmooie vrouwen, zoals in Het Rusland huis, bloedfanatiek zoals Karla, de tegenstander van George Smiley in de verschillende romans uit de jaren zeventig.
Ook Le Carré’s Dima is ietwat karikaturaal. Dima is een 'vor’, een misdadiger die een tijd in de Goelag heeft door moeten brengen en daar toegelaten is tot een broederschap van criminelen, die zich in de kampen opwerpen als interne ordedienst. Deze vory verzamelden grote welvaart en macht in Rusland en naarmate geld zich de afgelopen decennia minder aantrok van nationale grenzen ook in de rest van de wereld. Dima is met bankkantoren op eilanden als Cyprus en Antigua zo veel als het financieel superbrein van de vory. Hij is niet alleen heel rijk, maar ook heel groot en heel sterk en hoewel hij wat mank loopt kan hij heel goed tennissen. En hij praat als Tarzan.
Ons soort verrader draait om Dima’s pogingen om in Engeland asiel te krijgen. Hij en zijn familie dreigen het slachtoffer te worden van een interne machtsstrijd die - het gaat om Russen - weinig zachtzinnig verloopt. (Zijn rechterhand overleed na een auto-ongeluk waarbij merkwaardig genoeg dertig kogels in zijn lijf en nog eens twintig in dat van zijn vrouw terechtkwamen.) Dima wil cruciale informatie over hoe miljarden zwart geld over de aarde stromen ruilen voor bescherming. Hij heeft veel kennis over geld van de bende zelf, maar ook van het Kremlin en van ondernemers wereldwijd, waaronder velen in the City. Le Carré vervlecht dan ook moeiteloos in het verhaal de daadwerkelijke rel die ontstond toen twee prominente Britse politici (Peter Mandelson en George Osborne) op een jacht van een Russische miljardair (Oleg Deripaska) werden betrapt.
Le Carré zet zijn verrader neer als een warmbloedige charmeur, een gewelddadige moordenaar die oprecht bezorgd is om zijn familie. En van die uitgebreide familie is natuurlijk ook niemand echt normaal - zijn vrouw een godsdienstwaanzinnige, zijn zoons twee zwijgzaam loerende pubers, zijn buitenechtelijke dochter een buitenaardse schoonheid en de 'ooms’ die de meute moeten beschermen zwaarlijvige drinkebroeders. Raadsels verpakt in mysteries.
Opvallend genoeg valt de Russische ergernis over dit soort stereotypering bepaald mee. Veel van Le Carré’s werk is vertaald in het Russisch - het zijn los van de soms wat schetsmatige Russische karakters dan ook gewoon goede boeken. Typerender voor deze reactie is de film Salt (2010), met Angelina Jolie in de hoofdrol. Daarin groeien ettelijke Russische spionnen op als zogenaamde Amerikanen, met als doel omverwerping van de Amerikaanse regering. Het klinkt als een enorm flauwekulverhaal en dat was het ook.
Maar vlak voor de film uitkwam bleken afgelopen zomer daadwerkelijk een stuk of tien Russische spionnen al jaren voor Amerikanen door te gaan. Ze werden acuut de VS uitgekieperd en met alle egards in hun eigen land ontvangen. Poetin bracht een avond kampvuurliedjes zingend met ze door en een van hen, de mooie Anna Chapman, mag sindsdien in ondergoed op de foto. Dat de tien spionnen door eigen onnozelheid ontmaskerd waren en bovendien in al die jaren geen enkele zinnige informatie hadden vergaard interesseerde niemand.
Zo ook de ontvangst van de film Salt toen deze in Moskou uitkwam. Nergens verontwaardiging over de cartooneske manier waarop de tegenstelling Rusland-Amerika weer nieuw leven werd ingeblazen, want die was blijkbaar alweer realiteit geworden. Wel vreugde over het ac(h)t(e)erwerk van Jolie en enig chagrijn over de (belabberde) kwaliteit van het Russisch van de acteurs. Rusland is nu eenmaal een speler om mee rekening te houden. Ooit vanwege boosaardige KGB-kolonels, nu via de maffiosi van Le Carré of de belabberde spionnen van Jolie en consorten. Maar het gaat erom dat men ziet dat met Rusland niet te spotten valt.
Een raadsel verpakt in een mysterie in een geheim - nou nee. Rusland is een erg groot land, dat vaak genoeg aan zichzelf denkt te hebben maar soms ook graag ergens bij wil horen. In beide gevallen is de verhouding tot het Westen van belang. Bij tijd en wijle ziet het land zich als de 'echte’ hoeder van Europese waarden, bijvoorbeeld in de negentiende eeuw, toen Europa in de ban was van het liberalisme en alleen in het tsarenrijk de monarchie fier overeind bleef. Soms juist als wieg van een eigen, bijzondere beschaving, bijvoorbeeld in de jaren na de communistische revolutie, of in de huidige tijd, waarin de regering haar best doet om hoog te houden dat er naast een democratie met eerlijke verkiezingen nog een andere vorm van vrijheid mogelijk is.
Maar serieus genomen worden is altijd het doel en afgeschilderd worden als gevaarlijk past daar beter in dan genegeerd worden.